De Groene Amsterdammer

Exclusief

De Groene Amsterdammer jaargang 2014 nummer 17

Pamflet: Minder hippe onzinstudies, graag

Leuke studies met een & erin

door Ewald Engelen

beeld Milo

Mbo, hbo en wo moeten iets minder horig zijn aan de arbeidsmarkt. En iets meer algemene vorming zou zo gek nog niet zijn. door Ewald Engelen beeld Milo Leuke studies met een & erinMbo, hbo en wo bieden tezamen maar liefst vijfhonderd studies aan, waaronder talloze die toegang bieden tot slechts één gespecialiseerd beroep. Iets minder horigheid aan de arbeidsmarkt en iets meer algemene vorming zou zo gek nog niet zijn.

Lezen

Iedereen

Dementeren

Hoe nemen we iemand waar, die zelf steeds minder waarneemt? Iemand van wie de geest, die al op weg is naar het plafond, in gesprek lijkt met het lichaam op bed? Dat maakt ons toeschouwer, buitenstaander, hoe betrokken we ook zijn. Peter Swanborn doet minutieus en indringend verslag van het langzame sterven van zijn dementerende moeder. Zijn tweede bundel Tot ook ik verwaai bestaat uit knappe, heldere gedichten.

door Erik Lindner

Swanborn debuteerde in 2007 met Bij het zien van zijn lichaam, verschenen bij de aan het weblog De Contrabas  gelieerde uitgeverij BnM. In De Groene sprak Erik Jan Harmens van 'een prima debuutbundel over een man die het licht zag in de darkroom'. In die bundel wordt een serie ontmoetingen met mannen beschreven, aangeduid met initiaal, of als ook dat niet bekend is met nummer. Het debuut bevatte daarnaast zes gedichten over een heel ander lichaam, gegroepeerd onder de letter L. Swanborns tweede bundel bouwt voort op die gedichten, waarvan er drie in bewerkte vorm opnieuw zijn opgenomen.

Er is een moeder en een ik-figuur die haar verzorgt, en die twee blijven alle 37 gedichten lang van de partij. Een geriater wordt bezocht, nachtmerries worden beschreven. En meteen al is er angst, die zich uit in onaffe zinnen. Op momenten is de dichter in Swanborn overbewust van de situatie en beschouwt hij zichzelf, legt hij ons zijn gemoedstoestand uit: 'Bang voor de dag/ waarop ik geef, en geen lichaam meer ontvangt.' Maar voor het merendeel zijn de gedichten actief, we zijn als lezer ter plekke bij de moeder:

    Te midden van stapels ongelezen, keurig
opgevouwen kranten zit ze op haar bank.
Geen bel of telefoon. Iedereen weg of dood
of druk. Een meeuw scheert langs het raam.

De moeder wil wandelen, iets eten, is direct de weg en haar adem kwijt. Terug wil ze opnieuw eruit, is vergeten waar ze zojuist was. Minutieus beschrijft Swanborn hoe ze de trap af loopt. In een sterk gedicht getiteld Middelburg wijst hij haar als ze op een bankje zitten zout op de gevels aan, maar is er niemand thuis. De moeder weet niet meer goed wie de verzorgende zoon is die haar kamer opruimt en thee zet en spreekt hem aan met u. Ze vraagt hem wie dat is, 'die foto,/ die vrouw met een kind op de arm'. Als ze zelf in de weer gaat, gaat het zo: 'Planten krijgen soep en rijst, nog/ warm, vuile lakens terug op bed' en: 'De afwas in haar tas'. Als hij haar wast, herinnert hij zich hoe zij hem waste en tot waar.

De bundel brengt me een andere bundel in herinnering, Slapen bij een warme man van Jos Versteegen. Die vergelijking is een beetje cru: de een zijn stervende moeder is de andere niet. Bij Versteegen vormen herinneringen de leidraad van de bundel en is het huis waar hij opgroeide het karkas daarvan. Peter Swanborn gaat eerder lineair te werk. Gedicht per gedicht komen we dichter bij het wegvallen van de moeder en dreigt het sterven steeds onafwendbaarder. Daarmee komen we ook dichter bij de persoon die haar waarneemt, we volgen zijn weg. Soms is Swanborn even gedragen, als meubels als kinderen 'verweesd een plek zoeken in een woning/ die vreemd is, maar vervolg wil zijn.' In de meeste gevallen blijven de gedichten spreken, doordat hij als in een dagboek nauwgezet en uiterst precies de handelingen tussen moeder en verzorgende zoon beschrijft.

De bundel is een verslag. Er zit afstandelijkheid in, in dat gedetailleerde omschrijven, en dat blijkt als de tweede afdeling van de bundel inzet. De moeder praat nog een keer vrolijk, maar zoals blijkt met zichzelf, haar spiegelbeeld. Bij haar verjaardag is ze afwezig. Als ze wakker wordt en roept en schreeuwt, beschouwt de waarnemer ook zichzelf die zegt 'ja en ach en o, wat naar'. Hij wil de zieke gelijk geven met haar protest, en schrijft 'Niemand/ te vertrouwen, het minst jezelf.' De zieke schijnt door te hebben wat er aan de hand is, als ze gevoed wordt en niet weet hoe heerlijk ze het eten net nog vond: 'ja meneer, ik weet niets meer'. Dan is het perspectief even een vreemde hij-figuur, de sloper die haar lichaam uitwoont.

Handen zoeken langs de bedrand
houvast, herkenning, een andere hand.
Of kent haar hand geen opzet?

'Ik zie, ik zie' spelen lichaam en geest ondertussen met elkaar. 'Maar wie niet ziet, dat ben ik', schrijft Swanborn, en daarmee zijn we terug bij de verteller van de bundel. In de derde serie lijkt het sterven een aanvang genomen te hebben en is de familie bijeen: 'En wij, druk/ met wachten'. Men weet niet goed wat te doen, maar durft ook niet weg te gaan.

    Of is het schrik voor een leven zonder?
    Buiten deze muren, straks. Niemand
Die mij nodig heeft, een excuus geeft.

Maar ze is er wel, al reageert ze niet, hoe de ik-figuur er ook om smeekt. 'Alles is daar. Ik kan er niet bij.' De zoon beeldt zich in 'dat ze knikt en zegt: ik weet wie je bent'. Maar ze keert naar binnen, zelfs al is het met binnenpret. Het laatste wat ze zegt, als haar toegefluisterd wordt dat alles goed komt, is: 'het zal wel'. De familie is de begrafenis al aan het voorbereiden als de moeder op bed in de tuin ligt en neuriet. De zoon verwacht haar dood aangekondigd te zien in een teken en wil geen alledaags vertrek. En daar is zijn contemplatie wel op zijn plaats. Want waarom een teken? 'Spreekt de natuur in beelden?'

    Ik wil een kraai in het raam,
    een deur die windstil dichtslaat,
    een boek dat openvalt, ik wil
    een stem die mij wekt.

Het lijkt alsof er op dit moment, nadat Swanborn ons met zijn preciese poëzie zo ver heeft meegenomen, veel kan. Als hij haar lichaam vasthoudt, ziet hij hoe haar leven uiteenvalt, 'als/ water in een rivier die rondgaat'. Als zij nog een keer met ogen dicht een hand grijpt 'schuift als een ring de herinnering// om mijn hart'. Hier komt de beeldspraak aan: de dichter weet dat deze gebeurtenis hem niet meer zal verlaten. En dat is zo sterk aan deze bundel: het verslag laat die klassieke regels toe. In de laatste twee gedichten is er 'een draad van glas' boven het bed en is het niet meer duidelijk of de moeder gestorven is of slaapt.

En dat dwingt respect af. Na het dramatische verhaal van de bundel Tot ook ik verwaai was elk ander eind te zwaar geweest. In Graf voor Anatole van Mallarmé, dat in het Nederlands vertaald is door Rein Bloem, beschrijft de dichter het sterven van zijn zoontje. Dat mag niet van zijn vrouw, die achter zijn project komt, dat is te erg om daar literatuur van te maken. Maar dat moet voor de dichter wel, Mallarmé heeft geen andere uitweg dan het sterven tot in de details te beschrijven. Ook in gedichten van Gerrit Kouwenaar weerklinkt het redderen van een dementerende, stervende vrouw en een hulpeloze begeleider. Peter Swanborn is een serieus dichter die zichzelf in koele bewoordingen met lijf en leden op het spel zet.


Peter Swanborn, Tot ook ik verwaai. Podium, 52 blz., € 14,50

Wachtwoord toesturen Problemen met inloggen?