De Groene Amsterdammer

Exclusief

De Groene Amsterdammer jaargang 2014 nummer 43

Iedereen

Steentjes en pixels

Bernlef heeft grote kwaliteiten als poëzievertaler. Hij gaat droog maar uiterst secuur te werk. In De tweede ruimte vertelt hij erover, middels een serie korte opstellen over de bekende modernistische dichters. Jan Baeke, op wiens werk verscheidene uitheemse dichters van invloed zijn, publiceerde zijn vijfde dichtbundel, Brommerdagen, en bouwt daarmee gestaag verder aan zijn oeuvre.

door Erik lindner

De mooiste ervaring van voorgedragen poëzie die mij is bijgebleven, is die van Tomas Tranströmer. Hij sprak niet. Hij speelde uiterst kalm en ingetogen piano. Bernlef las met tussenposen zijn vertalingen voor in de Rotterdamse Schouwburg, op het slot van Poetry International in 2002. In het opstel dat Bernlef aan Tranströmer wijdt, klinkt datgene door waar je de essayist en vertaler niet snel op zal betrappen: bewondering en ontroering. Als Bernlef vroeg in de jaren tachtig de Zweedse dichter voor het eerst bezoekt, maken ze een wandeling. Tranströmer wijst hem op een oude eik met takken die alle kanten op wijzen. 'Kijk', zegt de dichter, 'net een oude ober die iedereen tegelijk probeert te bedienen.' Het is helemaal niet zo'n verrassende vergelijking, maar Bernlef maakt met die herinnering juist aannemelijk dat alle beelden van de dichter zo natuurlijk zijn, zo vanzelfsprekend en nooit verzonnen, nooit bedacht en geforceerd. En toch is het grootse poëzie. Dat schrijft Bernlef niet op, maar dat merk je.

Met De tweede ruimte bedoelt Bernlef de speelruimte tussen werkelijkheid en taalgebruik. De ruimte voor de fantasie maar ook voor 'een reeks waarheidsgetrouwe feiten in een scala aan afwijkende mogelijkheden'. In zijn inleiding maakt hij duidelijk hoe hij tot de poëzie kwam: als kind gefopt op 1 april, daardoor teleurgesteld en bemerkt hoe makkelijk het was om zelf te liegen, iets wat hij 'de vrijheid van de verteller' noemt. Voor de rest is het boek een pleidooi voor vertaalde poëzie en een aanklacht tegen het gebrek aan ruimte daarvoor. Overal noemt hij vertalers met naam en voorzover mogelijk de vindplaatsen, de nog beschikbare publicaties. Bernlef heeft een praktische geest. Hier en daar lezen zijn opstellen als een schoolboekje, kortaf en informatief. En toch weet hij in elk mini-essay iets wezenlijks over de vertaalde dichter te zeggen. Goed, het zijn de groten: Wallace Stevens, Fernando Pessoa, Arthur Rimbaud en Paul Verlaine, John Ashbery, Czeslaw Milosz. Die keuze is niet verrassend. Maar lezenswaardig is wel wat Bernlef over hun werk schrijft.

De Argentijnse dichter Roberto Juarroz publiceerde maar liefst veertien bundels 'verticale poëzie'. Daarbij moet ik denken aan hoe Philippe Beck de term verticaliteit voor een gedicht gebruikt: een spanningsboog die veroorzaakt dat een gedicht van begin tot eind bij hetzelfde uitgangspunt blijft en niet horizontaal uiteenschuift in sub-materie die verder niet terugkeert in de lijn van het gedicht. Voor Juarroz is het iets anders: hij heeft het volgens Bernlef over de verticaliteit van de val die we maken ten opzichte van de opwaartse tegenbeweging van dromen en verbeelding.

Als Bernlef het werk van Elisabeth Bisschop beschrijft, ontspint zich een vertalerspolemiek tussen hem en Guus Luijters. Bernlef vulde er met vertalingen van Marianne Moore gewoon een heel Raster-nummer mee, want grote uitgeverijen brengen niet zo snel meer een poëzievertaling als aparte bundel op de markt. Waren zijn vertalingen van de Amerikaanse dichteres dan een reactie op die van Luijters een jaar eerder bij de kleinere uitgeverij Wagner & Van Santen? Vertalersstrijd kan hoog oplopen: beiden hebben zich de tekst eigen gemaakt. Toch vergelijkt Bernlef rustig het origineel met beide vertalingen, zet voor de lezer de voorbeelden onder elkaar. Hij geeft de lezer daarmee een inkijk in de overwegingen die voor hem hebben meegespeeld.

Bij de Pool Zbigniew Herbert deel ik de voorkeur voor een specifiek gedicht, Een steentje, dat een volmaakt wezen genoemd wordt: 'met een geur die nergens aan herinnert/ niets opschrikt noch begeerte wekt' en louter gevuld is door de betekenis van steen. Het heeft tegen de mens een soort verwijt, zo'n steentje. 'Steentjes zijn niet te temmen/ ze zullen ons tot het einde toe aankijken/ met een rustig en heel helder oog'. Aldus de vertaling van Gerard Rasch. Bernlefs essays zijn eigenlijk ook een soort steentjes. Je kunt ze wel oppakken maar ze blijven op zichzelf staan.

En dan gebeurt er iets afwijkends in de bundel. Bernlef bespreekt in Krakow met een paar Poolse dichters hoe Zbigniew Herbert de metafoor van de geschiedenis nodig had om ongecensureerd over het heden te spreken. Dat is na het einde van het communisme niet meer nodig en er wordt besmuikt gelachen door de dichters die 'weer gewoon over de liefde kunnen schrijven'. Maar wie zijn zij? En zijn zij goed?  Misschien moeten we die vraag niet aan Bernlef stellen, die zeker in het geval van Tranströmer en diens landgenoot Lars Gustafsson als vertaler ruimschoots zijn sporen verdiend heeft. Misschien kunnen we die vraag beter aan jongere dichters stellen en hun tarten over de grenzen heen te kijken en te vertalen, om echt goede nieuwe poëzie te ontdekken en ons daarvan op de hoogte te brengen. Want het pleidooi van Bernlef staat. De tweede ruimte is er ook een voor dat wat tussen talen gebeurt.

Jan Baeke noemt enkele minder voor de hand liggende dichters in de verantwoording van zijn nieuwe bundel Brommerdagen: de Canadees Ken Babstock en de Amerikaan Peter Gizzi. Van de eerste bewerkte hij een gedicht en in het tweede geval noemt hij zich geïnspireerd door een gedicht. Dat is niet voor het eerst. In zijn vorige bundel stond achterin een opvallende lijst aan cineasten en dichters, als wilde hij zijn critici helpen een context te vinden. Die ligt over de grens.

Toen ik Jan Baeke halverwege de jaren negentig ontmoette, spraken wij alleen over Engelse poëzie. Pas na twee jaar gaven we elkaar schuchter onze eigen gedichten. Het zou het jaar worden dat wij kort na elkaar debuteerden. We waren overtuigd van ons werk en toch was er ruimte voor wederzijdse kritiek. Ik kan me herinneren dat zijn werk aanvankelijk op me overkwam als zeer tegengesteld aan het mijne. De gedichten dwongen me poëzie anders te lezen dan ik gewend was. Ik moest als lezer eerst achter het verhaal van de gedichten komen, daarna opende zich pas het dichterlijke. Er leek sprake van een omgekeerde lyriek: het poëtische bewerkstelligd door prozaïsche bewoording. Het was een homogene, coherente poëzie, vanuit het perspectief van een kalme waarnemer. Er doken allerlei personages op in de gedichten, die voorstellingsvermogen van de lezer vroegen, omdat ze als karakters niet waren uitgetekend. Een steun was het filmische, want precies omschreven decor waarin die personages zich bevonden.

De gedichten waren vaak absurd, maar nooit plat of lollig. Ze hielden spanning, de paradoxen waren niet stereotiep. De titels waren heel concreet. Misschien viel er toch iets te herkennen in de enigzins klassieke toonzetting van de gedichten. Ze speelden zich dan wel af in de stad, maar reflecteerden aanvankelijk - in die vroege gedichten - geen chaos of drukte. Het was ook geen herkenbare plaats. Vaak leek de openingsregel op een stelling, een talige uitspraak gevolgd door beelden die die stelling moesten versterken of juist ontzenuwen. Soms werden zware begrippen in een ander daglicht geplaatst, en dat maakte ze humoristisch.

Wat er gebeurde tijdens die ontmoetingen was het begin van iets formuleren over gedichten. Achter Jan stond in de boekenkast een ansichtkaart met een tekening van een wit en een zwart paard aan de branding. Nooit zonder de paarden heette zijn debuut. In zijn tweede bundel Zo is de zee kwam er meer ruimte en was er ook plaats voor landelijker beelden. Hij begon in series te werken. Zijn voorlopig grootste succes is de vierde bundel Groter dan de feiten, waarin hij achter de titelloze gedichten verschillende verhaallijnen laat lopen, personages tot elkaar laat spreken.

Brommerdagen opent met de reeks 'Blessures'. Baeke geeft stem aan participanten van absurde geweldsituaties, die dat goedpraten of becommentarierën. Krijtweelde is een mooie titel van een gedicht dat leest als graffiti: een verhaspeld telraampje. Opvallend is een perfect in elkaar gezet sonnet, ongekend in Baeke's werk, geschreven vanuit een afgewezen of ongeziene jongen: 'ik haat dit meisje, deze belachelijke straat/ geen mens die snapt waarom het werkelijk gaat'. Is dit nu die bedeesde, begripvolle stem van de dichter? Nee, natuurlijk niet. Het zijn scènes, sprekende figuranten. Ze zeggen dingen als: 'Vuur hoor je niet zo snel zeiken.' En dat talent heeft Baeke altijd al gehad: goed luisteren naar de vervorming van de spreektaal. Het is alsof je gekanker op straat hoort, maar dan genoteerd door iemand die een fijn oor heeft voor de betekenis, de dubbelzinnigheden en de onbedoelde bijkomstigheden van zo'n opmerking. 'Vrouwen willen mijn vertrouwen winnen/ maar vergissen zich in taalgebruik/ als in hun lippenstift', is een toelichtende strofe in het gedicht Praat tegen mij. Er klinken bekende kreten als: 'De politiek doet weer eens niets', die door hun plek alleen maar absurd worden. De gedichten in de serie hebben misschien nog wel een sterkere samenhang dan in zijn vorige bundel; die samenhang is minder terloops en verhalend gebracht.

Brommerdagen brengt wereldse poëzie. Soms klinkt Baeke in die eerste serie als een onheilsprofeet, maar de moraal is dubbelzinnig en de stem is alles behalve onmenselijk. De tweede afdeling 'Ten slotte het diner' staat haaks op de eerste en bol van chique culinaire termen. En daar toont zich Baeke's sterke techniekbeheersing, in de soepele en fantasierijke taal, die bochten maakt maar toch lineair en verticaal blijft. Met iedere bundel lijkt Baeke een groter palet tot zijn beschikking te hebben. Een decadente maaltijd met drie families wordt over lange tijd uitgesponnen. 'Ja, ook ons verontrust/ de toenemende ruwheid', zeggen de figuranten.

De laatste serie is de titelserie en leest persoonlijker van aard. De gedichten lijken gedrapeerd rond herinneringen. 'Het was geen gemakkelijk huis/ het wilde zich verkopen/ had een zwak voor uniformen.' Dronken tantes komen er de boel bezetten. Er is een dorp, er is geritsel dat over het landschap hangt en er is de vlier die al eerder in het werk opdook. Er zijn brommers die 'moe maar voldaan/ tussen de schapen in het gras liggen'. Een oorlog staat op de hoek te wachten op 'de juiste landverrader'. Het zijn sfeervolle gedichten en ze behoren tot het beste van Baeke's werk. Hij is een constitent en consequent bouwer van een eigen poëtisch oeuvre.

Veranderlijk is het woord dat op herinneringen past. Dat blijkt uit onderstaand gedicht, Vaderbeelden:

Bij lezing in beknopte vorm

kan ik volstaan met een hand

die uit een boom meikevers zaait

een café in, voor de foto van '55

vergeten dat hij dronken

zijn vingers naast een glas op tafel gelegd.

 

Met wildzang en moestuin

een reus tussen kanaries in de Rivièrahal

voor beige auto en

door triomfantelijke bungalowtenten

slapend in een stoel met uitzicht

alles in zwart-wit

kan ik de tijdgeest niet treffen.

 

Er is geen jaar in een regel, niet in deze

maar ook verrassend genoeg

is kort niet altijd beknopt

soms is een oog een heel gezicht

een veel te brede grote das, een hele man.

 

Past het hele café op een foto

de foto op een pixel

de pixel in een grote pot met aarde

voor het eerst sinds maanden

buitengezet

wil hij langzaam gaan ontkiemen.

 

 

Bernlef, De tweede ruimte. Over poëzie. Querido, 144 blz., € 18,95

Jan Baeke, Brommerdagen. De Bezige Bij, 70 blz., € 16,50

 

Wachtwoord toesturen Problemen met inloggen?