De Groene Amsterdammer

Exclusief

De Groene Amsterdammer jaargang 2014 nummer 17

Pamflet: Minder hippe onzinstudies, graag

Leuke studies met een & erin

door Ewald Engelen

beeld Milo

Mbo, hbo en wo moeten iets minder horig zijn aan de arbeidsmarkt. En iets meer algemene vorming zou zo gek nog niet zijn. door Ewald Engelen beeld Milo Leuke studies met een & erinMbo, hbo en wo bieden tezamen maar liefst vijfhonderd studies aan, waaronder talloze die toegang bieden tot slechts één gespecialiseerd beroep. Iets minder horigheid aan de arbeidsmarkt en iets meer algemene vorming zou zo gek nog niet zijn.

Lezen

Iedereen

De geheime gesprekken van Martin van Amerongen met prins Bernhard

Bernhard, (1911-2004) zakenprins

Prins Bernhard was een man die zijn leven op geheel eigen(gereide) wijze invulde. Zijn aanwezigheid in gezelschap was zodanig dat zelfs de meest principiële republikeinen zich enigszins lieten vertederen.

door Martin van Amerongen

Prins Bernhard ontmoette ik voor het eerst op 19 oktober 1995, in de Amsterdamse Westerkerk. Ik was uitverkoren om daar de feestrede te houden ter gelegenheid van de uitreiking der jaarprijzen van het Prins Bernhardfonds. Daar sta je dan, midden in zo’n kerk, ten overstaan van een vanzelfsprekend welwillend toeluisterend publiek. Het ging over mijn theo rie dat de betere kunstenaar per definitie in lichte tot ernstige mate krankzinnig is. Af en toe loerde ik naar de eerste rij om te zien of onze prinselijke gastheer al in slaap was gevallen. Nee hoor, hij bleef bij de les en gaf zo nu en dan zelfs een teken van instemming.
Applaus. Het gebruikelijke boeketje bloemen. Opeens stond hij naast mij, op het podium.
«Mag ik u feliciteren met uw voordracht? Ik ben alleen bang dat ik het niet helemaal heb kunnen verstaan.»
Dat hoor ik vaker van dames en heren op leeftijd. Dus zei ik Bernhard dat ik hem de volgende dag een kopie van de toespraak op zou sturen.
«Graag. U hebt mijn adres?»
«Ja hoor, ik heb uw adres», zei ik geamuseerd.
Er bestaat een foto van het tafereeltje. Gek, in dit soort omstandigheden namen zelfs de meest principiële republikeinen enigszins een lakeienhouding aan.

«Kerel», zei mijn vriend T.H. te A., «hou 25 juni vrij. Dan gaan we op verjaardags visite bij de prins.» T. zit sinds een paar jaar in een rolstoel, zodat ik het voorrecht heb hem af en toe naar feesten en partijen te mogen duwen.
Helaas is de voorzijde van paleis Soestdijk voor rolstoelrijders even onbestormbaar als Fort Knox. Maar wij hadden telefonisch toestemming gekregen om de aanmerkelijk lagere trap aan de achterzijde te gebruiken. Terwijl twee lakeien de rolstoel en zijn eigenaar in een ijzeren greep namen, verscheen plotseling een oude, in een wapperende duster gehulde dame op het balkon.
«Hé, wat moet dat? Wat moet dat daar beneden?» riep zij met een koninklijke kraak in haar stem.
«Dit is meneer H., Uwe Koninklijke Hoogheid, en die komt…»
«Meneer H.? Ik ken geen meneer H.»
«Nee, maar die komt niet voor u, Uwe Koninklijke Hoogheid, maar voor de prins.»
De oude dame verdween mompelend achter de gordijnen. Ondertussen lag de paleis tuin er stralend bij onder de zomerzon.
Er hadden zich een man of vijftien in de ontvangstzaal verzameld. Aan de muren en in de erkers veel Bernhard. Bernhard in uniform, Bernhard in brons, Bernhard met baard, Bernhard zonder baard. Bernhard zelf liet even op zich wachten.
Maar niet lang. Daar stond hij op de drempel.
«Goedemorgen!» zei hij. «Blij dat u er bent. En gelukkig niet te vroeg. Ik heb namelijk nogal last van een ochtendhumeur. Eigenlijk ben ik voor tien uur ’s morgens niet aanspreekbaar. Heeft u mijn vrouw al gezien?»
«Jawel, Koninklijke Hoogheid», riep mijn vriend T. vanuit zijn stoel. «Ze stond zonet op het balkon.»
«Een beetje decent gekleed, hoop ik?» schertste de prins.
Hoofdschuddend wendde hij zich tot T. en legde hem een hand op de schouder.
«Kerel, hoe gaat het verder met je?»
«We modderen moedig voorwaarts, Koninklijke Hoogheid», verzekerde T. «Wij hebben trouwens een cadeautje voor u.»
«Ik heb laatst in Utrecht ook in zo’n ding gezeten», zei Bernhard. «Niets voor mij, kan ik jullie verzekeren. Maar je doet nu eenmaal alles om weer op de been te komen. Lang zamerhand heb ik zoveel operaties ondergaan dat ik de tel ben kwijtgeraakt. Je zou mijn vel moeten zien. Dat lijkt wel… Landjepik. Zo heet dat spelletje van jullie toch, is het niet? Hebben jullie al iets te drinken gehad?»

Het was mijn tweede bezoek ten paleize. Ik was een jaar eerder, op 18 april 1996, uitgenodigd om een paar dingen te bespreken die – had het secretariaat gezegd – de prins liever persoonlijk toe zou lichten.
Het zou me benieuwen. Misschien, zei ik op de redactie, was er wel een betrekking als hofpalfrenier vacant.
Wij treffen elkaar in de olifantenkamer, volgestouwd met replica’s van de soort. Na de gebruikelijke begroetingsrituelen gaan wij zitten, ieder aan een kant van een lage tafel.
«Wat mag ik u te drinken aanbieden? Een Campari, misschien? Of een thee?»
Het is vier uur ’s middags. Dus kiezen wij voor thee, geserveerd door een paleisbediende.
«Nog iets anders van uw dienst, Uwe Koninklijke Hoogheid?»
«Nee, ik roep je wel, als ik je nodig heb», zegt Bernhard.
Eerst spreken wij over zijn 42ste of misschien wel 46ste (maar in elk geval zwaarste) operatie.
«U bent een medisch mirakel», zeg ik. «Op de krantenredacties lagen de In Memoriams al klaar.»
«Dat weet ik», zegt Bernhard. «Mijn adjudanten waren al bezig hun knopen te poetsen voor de begrafenis.»
«Die baard staat u trouwens niet zo slecht.»
«Ik werd in het ziekenhuis op een gegeven moment wakker doordat ze met zo’n elektrisch scheerapparaat in de weer waren. Dus ik zei: ‹Wat doen jullie nou? Willen jullie dat alsjeblieft laten?› Mijn haar was op het ziekbed natuurlijk gewoon door blijven groeien. Dus liet ik het uiteindelijk maar zo. Het is wel zo comfortabel. Nu hoef ik me mijn leven lang niet meer te scheren.»
Dan komt hij ter zake.
«Vertel eens, wat hebben jullie tegen mij?»
Daarop was ik voorbereid. Ik begon mijn gastheer – naar waarheid – uit te leggen dat de redactie van mijn weekblad niet door persoonlijke ressentimenten wordt gedreven. Waarom zouden wij? «De Lockheed-affaire is natuurlijk niet de meest glorierijke bladzijde in uw biografie. Maar de Lockheed-affaire is nu al twintig jaar oud en u hebt daarvoor zwaar geboet. Dus dat is voltooid verleden tijd – behalve als een krant als NRC Handelsblad tot twee keer toe zijn eigen beweringen rectificeert en beweert dat er eigenlijk nooit iets is bewezen en u zich nergens aan schuldig heeft gemaakt.»
Bernhard knikt.
«Wij schrijven natuurlijk regelmatig kritisch over het koningshuis...»
Bernhard knikt.
«…maar het artikel waarop u doelt, was niet op u gericht, maar ging over de pluimstrijkers om u heen die bezig zijn de geschiedenis te herschrijven.»
Zei ik. Heb ik dat werkelijk allemaal tegen Bernhard, Prins der Nederlanden gezegd?
Ik ben bang van wel.
Bernhard maakt een wegwuivend hand gebaar. «Allright. De zaak is afgedaan», zegt hij. «Ik ken het verschijnsel. Weet u hoe ik die mensen altijd noem? Hermelijnvlooien.»
Maar wie bedenkt nu zo’n rare, intimiderende actie, met het doel te ontkennen wat onmogelijk te ontkennen viel? Hijzelf?
«Nee», zegt Bernhard, «ik wist van niets. Het is de Rijksvoorlichtingsdienst geweest. Die heeft de landsadvocaat op die krant afgestuurd.»
Dan gaat hij verzitten en zegt, niet zonder strijdlust: «Maar u bent nog niet van me af, meneertje. Vertel me eens, waar was het voor nodig om er weer de Hitler-tijd bij te halen?»
Hij vergist zich, zeg ik. In het betreffende artikel is met geen woord gewag gemaakt van Bernhards nazi-verleden, van zijn lidmaatschap van de Reiter-SS noch zijn lidmaatschap van de NSDAP. «Allemaal voer voor historici. U was een jongen van midden twintig, van lage Duitse landadel, zodat het een wonder was geweest als u geen lid van die club was geworden. En erg fanatiek, anders dan uw broer, bent u volgens de bronnen niet geweest.»
Bernhard, vertederd: «Aschwin. Ja, dat was een echte nazi. Al op zijn vijftiende. Die heeft trouwens een vreemde politieke ontwikkeling doorgemaakt. Hij was eerst nazi, totdat hij in de oorlog communist werd om uiteindelijk na de oorlog liberaal te worden.»
«Beter zo dan andersom», zeg ik.
Bernhard schenkt een tweede kopje thee in. Hij vervolgt: «Ik ben a-politiek. Altijd al geweest. Stemmen doe ik allang niet meer. Ja, vroeger wel. Dat moest van m’n vrouw. Dan gingen wij samen naar de lagere school in Baarn en stemde ik op Piet Lieftinck. Altijd op personen, nooit op partijen. Ik heb altijd boven de partijen gestaan. Ik heb vrienden en kennissen in alle milieus, tot de communisten toe. Met een man als Harry Verheij heb ik altijd goed kunnen opschieten en samen met Joop Wolff heb ik weten te bereiken dat de vijfde mei een nationale feestdag is geworden.»
Heeft hij met hen wel eens over hun spectaculaire politieke miscalculaties gesproken?
«Ja, met Joop Wolff», zegt Bernhard. «Na de val van de Muur. Ik vroeg hem: ‹Waarom is dat communisme van jullie eigenlijk mislukt?› Hij antwoordde: ‹Omdat het communisme in feite tegen de menselijke natuur is.› Dat lijkt mij juist. Het klinkt op papier allemaal zo mooi, zowel het communisme als het nationaal- socialisme, maar al die ideologieën worden in de praktijk onmiddellijk verpest door de bonzen, die zich door de macht laten corrumperen en in grote auto’s rond gaan rijden.»
Wil ik misschien even zijn olifanten zien? Bernhard leidt mij langs zijn zeker duizend specimina van de soort omvattende collectie. Dan gaan wij weer zitten. «Weet u dat goede vrienden me ernstig voor dit gesprek hebben gewaarschuwd?» zegt hij. «Gelukkig ben ik inmiddels op een leeftijd gekomen dat ik mij van niets of niemand meer iets aan hoef te trekken. Ik doe wat ik wil en ik zeg wat ik wil. Laat ik u, als u er geen bezwaar tegen heeft, nog iets vertellen over die Lockheed-zaak.»
«Ga alstublieft uw gang», zeg ik genadiglijk.
«Het is een grote stommiteit geweest. Dat heb ik trouwens met dezelfde woorden tegen de Commissie van Drie gezegd, die de zaak heeft onderzocht. Donner, Peschar en Holtrop. Donner en Peschar zijn altijd aardig tegen me geweest. In tegenstelling tot Holtrop. Die heeft me uitgescholden. Die zei: ‹Het is onbegrijpelijk dat een man in uw positie niet voorzichtiger is geweest.› Vervolgens heb ik hem een persoonlijke brief gestuurd waarin ik schreef: ‹Meneer Holtrop, u hebt me op m’n donder gegeven en dat was volkomen terecht. Ik wou alleen dat iemand mij eerder op m’n donder had gegeven. Dan was het misschien niet gebeurd. Ik verkeer nu eenmaal in een positie waarin je nooit en te nimmer wordt tegen gesproken, waardoor je het besef kwijtraakt wat kan en wat niet kan.› Die brief heeft Holtrop per kerende post geretourneerd. Hij wilde er niets van weten en suggereerde dat het een soort poging van beïnvloeding mijnerzijds zou zijn. Geloof me, ik heb in die dagen van de Lockheed-zaak geen uur minder geslapen, maar over die behandeling van mijn brief heb ik me ontzettend kwaad gemaakt.»
Het ging – ter opfrissing van het geheugen – om een bedrag van ruim een miljoen gulden aan steekpenningen in ruil voor het uitzicht op de levering van een aantal gevechtsvliegtuigen.
«Legt u eens uit», zeg ik. «Wat moest een man als u, die toch nooit droog brood heeft hoeven eten, met een belachelijk bedrag van een miljoen?»
«Ik weet ook niet meer wat mij bezielde», zegt Bernhard. «Ik heb inderdaad geld plenty. Mijn geld is verdeeld over drie landen: Nederland, Amerika en Zwitserland. Alleen in Zwitserland heb ik al ruim zes miljoen op de bank staan. Ik heb altijd veel geld verdiend, dus dat miljoen van Lockheed had ik niet nodig. Hoe heb ik zo stom kunnen zijn? Van dat miljoen heb ik trouwens het grootste deel al mijn leven niet gezien en de rest heb ik weggegeven. Maar dat maakt voor de geschiedenis allemaal niet meer uit. Ik heb mij verzoend met het feit dat straks het woord Lockheed op m’n grafsteen gebeiteld zal staan.»

Hij is blij dat zijn in 1973 overleden moeder, prinses Armgard, die vernederende Lockheed-zaak niet meer heeft hoeven meemaken. Anders dan haar huisgenoot, kolonel A.E. Pantchoulidzew, die – het geldt als een onomstotelijk bewezen feit – als koerier tussen beide paleizen heeft dienstgedaan. Nu is Bernhard wel over zijn affaire uitgepraat. «Mijn geheugen is nooit mijn sterkste kant geweest», zegt hij, inmiddels wat onwillig. «Ik weet alleen dat ook over Pantchoulidzew in die dagen veel onzin is beweerd. Hij zou oorspronkelijk een stalknecht zijn geweest. Terwijl hij in 1915 nota bene in Wenen nog een ruiter concours heeft gewonnen. Keizer Franz-Josef heeft hem toen geweigerd de medaille uit te reiken omdat hij immers een Rus was.»
Wat was trouwens de rol van Pantchoulidzew in de prinselijke familie?
«Hij was van oudsher onze vaderlijke vriend. Wij, Aschwin en ik, konden altijd voor goede raad bij hem terecht, ook als het om vrouwengeschiedenissen ging.»

À propos, hoe staat het trouwens met zijn, Bernhards, memoires?
«Die zijn allang geschreven», zegt Bernhard. «Dat weet u toch wel? Door Alden Hatch, zij het tamelijk lang geleden. Weet u trouwens dat ik dat boek helemaal vergeten was? Pas in de dagen van Lockheed heb ik het – vraag me niet waarom – weer uit de kast gehaald. Ik ben er toen behoorlijk van geschrokken. Die man heeft mijn leven allemaal veel mooier gemaakt dan het in werkelijkheid is geweest.»
«Ik bedoel eigenlijk de memoires die een paar jaar geleden door de uitgever Robbert Am merlaan zijn geschreven en waar ongelooflijk geheimzinnig over wordt gedaan», zeg ik. Bestaan die memoires nu wel of bestaan ze niet?
«Ik kan u daarover niet zoveel zeggen», zegt Bernhard. «Kijk, eerst had je dat rare boek van die communist, hoe heet hij ook weer, Klinkenberg. Het is een boek van zeshonderd pagina’s dat ik dus nooit heb gelezen maar dat ongetwijfeld vol onzin zal staan. Toch wilde ik daar mijnerzijds wat tegen doen. Dus toen Ammerlaan mij voorstelde om… Daar is toen flink aan gewerkt. Totdat de Koningin… wat ik mij van haar kant ook best kan voorstellen. Dus nu schrijf ik mijn memoires zelf; half gedicteerd, voor de andere helft op de band ingesproken. Steeds als mij iets invalt, probeer ik het vast te leggen en dat is tamelijk veel, dankzij het feit dat ik waarachtig wel het een en ander heb meegemaakt.»
Dat kun je wel zeggen. De oorlog. De bevrijding. De Greet Hofmans-affaire rond de gebedsgenezeres die uiteindelijk bijna tot de val van de monarchie heeft geleid.
Praat hij met zijn vrouw nog wel eens over de dramatische dagen van weleer?
«Ik heb het een tijd geleden nog geprobeerd», zegt Bernhard. «Zonder succes. Zij weet niet meer wie die vrouw is geweest. Een vreselijke zaak. Als mijn kinderen niet in het geding waren geweest, was ik bij haar weggegaan. Over mijn rol in die zaak wordt trouwens ook alle mogelijke nonsens beweerd. Ik zou mijn vrouw in de Ursulakliniek willen opsluiten… Laat me niet lachen! Zoiets is toch geen zaak van een particulier als ik? Zoiets is een zaak van de regering.»
Wanneer kunnen wij trouwens de publicatie van zijn memoires verwachten?
«Dat weet ik niet. Het enige wat ik weet is dat ík het niet meer zal beleven. Al die bandjes gaan straks de kluis in om er pas over honderd jaar te worden uitgehaald. Nee, aan een publicatie bij mijn leven en welzijn valt niet te denken. Mijn dochter zou er ten minste de helft uit wegstrepen.»

Na zijn gedwongen, vroegtijdige pensionering heeft hij niet met zijn handen over elkaar gezeten.
«De Erasmusprijs vind ik nog steeds leuk. En de Zilveren Anjers. En natuurlijk het Wereld Natuurfonds. Daarvoor schrijf ik de bedel brieven. Gek, hoe rijker de mensen zijn, des te moeilijker het is er een cent van los te krijgen. Ik maak bijvoorbeeld een afspraak met Paul Getty. Schathemelrijk, meervoudig miljardair. Dus dat miljoen dat ik hem vroeg, was voor hem maar een schijntje. Niets, helemaal niets, hij heeft mij zelfs voor de lunch laten opdraaien.»
Is hij, Bernhard, als jongeman eigenlijk nog bij Wilhelm II, keizerlijk balling te Doorn, over de vloer geweest?
«Jazeker», zegt Bernhard. «Dat was, als ik mij goed herinner, in mijn verlovingstijd. Mijn vader was net gestorven. Er zijn overigens altijd moeilijkheden tussen de huizen Lippe-Biesterfeld en Hohenzollern geweest, waarbij de keizer tot woede van mijn vader een paar keer heeft laten merken dat wij hem eigenlijk te min waren. Ik zei tegen Juliana: ‹Juliana, één ding, als er ruzie van komt ben ik onmiddellijk vertrokken.› Maar de keizer bleek inmiddels een oude, vriendelijke man te zijn geworden. Terwijl er, toen hij nog iets voorstelde, geen land mee te bezeilen was. Tragisch, ook zo’n typisch voorbeeld van iemand die totaal door zijn omgeving is bedorven.»
De sjah van Perzië heeft Bernhard natuurlijk goed gekend. «Die heb ik nog op zijn sterfbed gesproken. De man heeft er tot op het laatst geen weet van gehad wat er onder de mensen leefde. Hij wist niet eens dat er in zijn land een revolutie stond aan te komen. Is dat niet ongelooflijk? Totdat hij wat geruchten hoorde en het hoofd van zijn geheime dienst op verkenning stuurde. En die zei: ‹Ik zou maar oppassen, er gaan rare dingen gebeuren.› Ik herinner me nog dat de sjah me zei: ‹Ik was de enige in Perzië die niet wist wat er in mijn land aan de hand was. Ik ben bedonderd waar ik bij stond.› Een maand later werd datzelfde hoofd van de geheime dienst in dezelfde functie bij Khomeini benoemd. Het was het puurste verraad.»
Bernhard was, zei hij, net naar Indonesië en de Verenigde Staten geweest toen hij door de ziekte werd getroffen waarvan iedereen, de artsen incluis, veronderstelde dat hij het dit keer niet zou overleven. En ziet, hij herrees, na de zoveelste operatie. «Zo’n overlevingsproces scherpt je zintuigen, heb ik gemerkt. Als je vroeger naar bloemen keek, dacht je hoogstens: kijk, bloemen, is dat niet aardig? Nu, na uit de dood te zijn herrezen, schep je in zoiets aanmerkelijk meer behagen.»
Abrupt staat hij op en zegt: «Nou, vadertje, zullen we er voor vanmiddag maar een eind aan maken?»

Het is inmiddels half zes geworden. Wij praten nog even na op het bordes van het paleis. Nee, hij herinnert zich niets meer van de operatie. «Ik weet alleen dat ik ongewoon hard ben aangepakt. Ze hebben, geloof ik, een halve long weggenomen en hoe het met mijn nieren zit zou ik u niet kunnen vertellen. Terwijl mijn ogen…»
Vliegen is er niet meer bij?
«Nooit meer», zegt Bernhard. «Terwijl ik het altijd zo graag deed. Ik mag niet eens meer autorijden.»
En jagen?
«Ook nooit meer. Ik heb staar aan beide ogen. Daaraan zou ik volgende week worden geholpen, maar het probleem is dat m’n chirurg dan zelf onder het mes moet. Nee, schieten doe ik al mijn leven niet meer, niet met lood en niet met hagel. Als ik ooit nog schiet, schiet ik uit zelfverdediging.»

Daarna kreeg ik hem met enige regelmaat aan de telefoon. Haast altijd op zondagmorgen, stipt kwart over tien. Vaak ging het over onze redacteur royalty, als die weer eens de appeltjes van Oranje had opgewreven. Opgewekt beloofde ik Bernhard de man nog de volgende dag te zullen ontslaan, om hem diezelfde avond weer in zijn functie te herstellen. Maar meesttijds ging het over Bernhards kwalen, die inmiddels een flinke plaats in de codex medicus hadden ingenomen.
«Nu is mijn gezichtsvermogen met een derde verminderd, en dat terwijl ik voor m’n werk tien dagen naar Zuid-Afrika moet. Ik hoop dat ze me nu een ander brillenglas geven zodat ik daar niet met mijn kop tegen de lamp loop…»
«Toen zei ik tegen Claus: ‹Claus, gefeliciteerd met je operatie, maar mijn record aan operaties haal je nooit meer in, hoezeer je ook je best doet…›»
«En ik zei tegen de professor, na m’n prostaatoperatie: ‹Professor, ik heb nu al twaalf jaar geen erectie gehad. Kan ik hem straks, dankzij de baleinen die u hebt aangebracht, eindelijk weer omhoog krijgen?› U had de verpleegstertjes moeten zien die naast m’n bed stonden. Die hadden allemaal een rood hoofd…»
«Ik moet het vandaag kort houden. Ze hebben een buisje in mijn keel gestopt, waardoor ik niet te veel kan praten. Er valt best mee te leven, maar dat ding moet telkens weer worden schoongemaakt en dat is tamelijk onaangenaam moet ik zeggen…»
«Dat was dus de vierde operatie van dit jaar en de 49ste in totaal. En daar komt nu ook de blaas nog bij. Een rottige tijd, hoor. Ik krijg er langzamerhand genoeg van. Maar u wens ik in elk geval een prettig weekend…»
«Het gaat me tamelijk slecht. Ik lig hier maar wat in Nairobi en slik zo veel antibiotica dat de drank geen enkele smaak meer heeft. Maar ik mag nog steeds het vliegtuig niet in. Donderdag misschien. Pech, dat heb ik niet verdiend. Hoe is het met u? Druk de duimen, zou ik willen zeggen. Een prettige dag verder, ik drink een glas appelsap op je gezondheid. Salut!»

De laatste keer dat ik prins Bernhard ontmoette was op 7 maart 2002. Hij had de olifantenkamer («Die is me eigenlijk wat te donker») inmiddels verruild voor de kamer waarin hij eet en televisie kijkt. Andermaal véél olifanten, benevens een tijger en een walvis. «Eigenlijk heb ik inmiddels alle verplichtingen afgestoten, behalve m’n werk voor de natuur.»
Hoe is het met prinses Juliana?
«Zij is en blijft een probleem», zegt Bernhard. «Wij wonen weliswaar in hetzelfde huis, maar er is inmiddels een legertje verpleegstertjes beschikbaar om te voorkomen dat zij mij in de gang tegen het lijf loopt. Daar schrikt zij van – en dat mag niet van de dokter. M’n slaapkamerdeur heb ik inmiddels op slot gedaan, zodat zij daar niet ’s nachts plotseling binnen komt dwarrelen. Laatst liet ik mij per ongeluk ontvallen dat zoiets nu eenmaal het kenmerk van de ziekte van Alzheimer is. Dat kwam in de krant terecht. Trix hoog in de klapperboom, zodat ik een interview heb moeten afgeven, waarin ik zei dat het misschien wel een heel andere ziekte dan de ziekte van Alzheimer is.»
En Claus?
«Niet zo slecht, geloof ik. Al heb ik uit de krant moeten lezen dat hij in Hamburg is geopereerd. Er is inmiddels niemand meer die mij iets vertelt.»
En Pieter?
«Pieter is een aardige kerel. Hij doet alleen altijd een beetje eigenaardig over geld. Vroeger, toen mijn vrouw nog enigszins… Dan vierden wij die twee verjaardagen gezamenlijk, hier, op het Paleis. Dat scheelde hem in de consumpties. Zijn chauffeur is iemand van de marechaussee, want die is gratis. Zijn pakken laat hij in Italië maken. Daar zegt hij dan: ‹Ik ben Pieter van Vollenhoven, de echtgenoot van prinses Margriet – ik wil graag korting hebben.› Dan zegt zo’n man: ‹Maar meneer, de prinses is toch rijk?› En dan zegt Pieter: ‹Ja, zij is rijk en ik ben arm, dus ik wil korting, veel korting.› Zo is Pieter. Leuke vent, hij is een van de weinigen die mij af en toe aan het lachen maakt.»
Is met Máxima, de nieuwste loot aan de vorstelijke stam, ook alles in orde?
«Ik heb een theorie», zegt Bernhard. «Die theorie luidt dat een mooie vrouw een grotere kans op een zoon heeft dan een vrouw die, laat ik zeggen, er wat flets uitziet. Ik zei nog tegen mammie, voor den oorlog, toen zij vanwege Trix in het kraambed lag: ‹Mammie, ik wed met jou om vijftig dollar dat het een meisje wordt.› Dat heb ik dus gewonnen. Net als bij Margriet. Daar zette ik tien gulden op in, waarna Claus zei: ‹Tien gulden? Wat is nou tien gulden? Dat moet minimaal duizend gulden zijn.› Dus ik verhoogde mijn bod tot duizend gulden. ‹Maar je kunt Claus toch niet zomaar duizend gulden afpakken›, zeiden mensen in m’n omgeving. ‹Waarom niet?› zei ik. ‹Claus heeft me getergd, dus die duizend gulden zijn van mij.›»
En à propos, hoe is het met hemzelf?
«Ik erger me de laatste tijd meer dan gezond voor me is», zegt Bernhard. «Kent u die Kikkert? Dat is een zogenaamde historicus, die in de loop der jaren een aantal absurde dingen over mij heeft beweerd. Het is een fantast, en misschien is hij zelfs gewoon een leugenaar. Ik heb in Londen, heeft hij laatst beweerd, twee onwettige zonen rondlopen. Toen ik dat hoorde dacht ik: weet je wat? Ik zet een advertentie in De Groene Amsterdammer, waarin ik een miljoen gulden uitloof voor diegene die ook maar één van die twee onwettige zonen boven water weet te krijgen. Maar de mensen in m’n omgeving, Trix voorop, vonden het niet zo’n goed idee.»

Hij drukt op een knopje, waarop een bediende verschijnt die geruisloos de wijnglazen bijschenkt.
«Nog één ding voordat ik aan de lunch ga», zegt hij. «Weet u waar ik eigenlijk trots op ben? Ik ben trots op het feit dat ik geestelijk eigenlijk nooit ouder dan een jongen van tien, elf ben geworden. Dat is, denk ik, ook een verklaring van het feit dat ik lichamelijk nog zo fit ben. U zou, voor de grap, eens mijn slaapkamer moeten zien. Daar staan nog steeds de cadeautjes die ik, als jongetje, heb gekregen. Eigenlijk heb ik nooit mijn onschuld verloren – al is mij dat in de Lockheed-zaak natuurlijk lelijk opgebroken.»

In Memoriam Bernhard, Prins der Nederlanden. Hij had zijn eigenaardigheden, maar een kwaaie kerel was het niet.



_______________________


Wie is wie en wat is wat?


Affaire NRC Handelsblad. Medio jaren negentig heeft NRC Handelsblad, na een telefoontje van de RVD, twee keer een bijzin in een artikel gerectificeerd, waarin werd gezegd dat vaststond dat prins Bernhard geld had aangenomen van de vliegtuigfabrikant Lock heed. In deze twee rectificaties werd verwezen naar de letterlijke tekst in het rapport van de Commissie van Drie (zie hier onder). Verantwoordelijk voor de rectificaties was ondergetekende, die toen adjunct-hoofdredacteur was van NRC Handelsblad.

Commissie van Drie. Trojka die in 1976 de Lockheed-affaire onderzocht op verzoek van het kabinet-Den Uyl en was samengesteld uit representanten van de drie politieke hoofdstromen in Nederland. Voorzitter Donner (ARP) was rechter bij het Europese hof van justitie, Holtrop (VVD) was voormalig president van De Nederlandsche Bank, en Peschar (PvdA) was voorzitter van de Rekenkamer. De commissie concludeerde in haar eindrapport onder meer dat een aanbod van een half miljoen dollar «alle trekken vertoont van een poging tot omkoping» die de prins blijkbaar niet «onoorbaar of ongepast» vond. Over een cheque op naam van Victor Baarn was haar dictum: «Z.K.H. heeft ook met betrekking tot deze $100.000 uitdrukkelijk verklaard, dat hij het bedrag niet heeft ontvangen, noch erover beschikt. De Commissie heeft geen bewijzen van het tegendeel gevonden.»

Piet Lieftinck (1902-1989). Minister van Financiën van 1945 tot 1952, doorbraaklid van de PvdA die voor de oorlog lid was van de CHU en in 1971 meeging naar DS’70.

Harry Verheij. Vooraanstaand lid van de CPN, onder meer Amsterdams wethouder van 1966 tot ’78.

Joop Wolff. Prominent communist, lid van de Tweede Kamer voor de CPN van 1967 tot 1982, tevens hoofdredacteur van De Waarheid van 1958 tot 1978.

A.E. Pantchoulidzew. Kolonel uit het Russische leger, huisvriend van prinses Armgard, moeder van prins Bernhard, na de Oktober revolutie uit de Sovjet-Unie gevlucht, olympisch ruiter, deelnemer tijdens de Olympische Spelen van 1948 in Londen.

De sjah van Perzië. Mohammad reza Pahlavi (1919-1980). Sjah van Iran tussen 1951 en 1979, verjaagd door de islamitische revolutie van imam Khomeini, in ballingschap gestorven.

Wim Klinkenberg (1923-1995). Journalist, onder meer bij De Waarheid totdat hij in 1963 in conflict kwam met de partij leiding over de zogeheten «autonome koers» van de CPN, die niet wilde kiezen tussen Moskou of Peking. Auteur van Prins Bernhard: Een politieke biografie.

HUBERT SMEETS

Wachtwoord toesturen Problemen met inloggen?