De Groene Amsterdammer

Exclusief

De Groene Amsterdammer jaargang 2014 nummer 16

Iedereen

McSweeney’s Mammoth Treasury of Thrilling Tales

De kunst van het moment


Michael Chabon (red.)
McSweeney’s Mammoth Treasury of Thrilling Tales
Uitg. Vintage, 479 blz., € 15,95

door Gawie Keyser

Nadine Gordimer stelt in een essay uit 1968 deze vraag: «Hoe komt het dat, terwijl de roman tenminste een keer per jaar ten grave wordt gedragen, het korte verhaal onaangetast voortleeft?» Een antwoord zoekt de auteur in de geestelijke conditie van de moderne mens. Door de oppervlakkigheid van het leven zijn menselijke contacten verworden tot een «flits van vuurvliegen, aan en uit, nu eens hier, dan daar, in het donker». De schrijvers van korte fictie gebruiken het flitsende licht om te kunnen zien. Want hun kunst betreft de kunst van het enige waar de mens zeker van kan zijn: het huidige moment.
In Gordimers land van herkomst, Zuid-Afrika, was het korte verhaal tijdens de jaren van de apartheid een perfect medium om literair en politiek complexe verhalen te vertellen. Meer nog dan romanauteurs slaagden schrijvers van korte verhalen erin de gefragmenteerde Zuid-Afrikaanse werkelijkheid te verbeelden. Het ging om «het moment». Een volledig verhaal, een toekomst, konden de inwoners van het land zich niet voorstellen.
Gordimers analyse van het korte verhaal is behalve boeiend ook problematisch. Door haar accent op «het huidige moment» lijkt het belang van de elementen plot en genre bij het korte verhaal af te nemen terwijl «karakter» in waarde toeneemt. Uitkomst biedt Brander Matthews, de Amerikaanse auteur en literatuurwetenschapper die aan het begin van de twintigste eeuw het standaardwerk The Philosophy of the Short Story publiceerde. Daarin stelt hij dat de schrijver van het korte verhaal onmogelijk evenveel aandacht kan schenken aan plot, personage en setting. De auteur moet kiezen, zoals Edgar Allan Poe, die in Murders in the Rue Morgue focust op de plot en derhalve geen gelegenheid krijgt de setting en de personages uit te diepen. Heeft hij eenmaal een keuze gemaakt, zo stelt Matthews, dan mag de schrijver daar niet van afwijken.

«Plot» lijkt te overheersen in een nieuwe bundel korte verhalen van hoofdzakelijk Amerikaanse schrijvers, McSweeney’s Mammoth Treasury of Thrilling Tales. Volgens samensteller Michael Chabon zijn genre en plot de allesoverheersende elementen van het korte verhaal. Om dit standpunt kracht bij te zetten, refereert hij in zijn inleiding naar het door plot gedreven werk van grote schrijvers van het korte verhaal: Poe, Henry James, Joseph Conrad, William Faulkner, Mark Twain en William Somerset Maugham. Maar hij wijst ook op de schrijvers van de zogenoemde pulps: Dashiell Hammett, Raymond Chandler en H.P. Lovecraft. Niet zonder ironie stelt Chabon dat deze schrijvers min of meer zijn opgenomen in de canon, net als de laatste meester van het korte verhaal, Stephen King, die onlangs in The New Yorker «mocht» publiceren.
Deze inleiding dient als motivering voor de selectie korte verhalen die in de bundel zijn opgenomen. Het betreft vrijwel zonder uitzondering auteurs van populaire fictie: King, Elmore Leonard, Nick Hornby, Michael Crichton, Dave Eggers, Glen David Gold, Michael Chabon, Michael Moorcock en Jim Shepard. De bedoeling lijkt duidelijk: een eigenzinnige bundel waarin door plot en genre gedreven korte verhalen centraal staan. Maar de vraag is dan: hoe diepgravend zijn dergelijke korte teksten? Kunnen ze even psychologisch complexe verhalen vertellen als het soort korte verhaal dat Nadine Gordimer voor ogen heeft? Waarin het gaat om de «kunst van het huidige moment»? In elk geval lijkt alleen al de radicale vormgeving — een hommage aan de pulplectuur waarin Hammett en Chandler publiceerden — de mogelijkheid van inhoudelijke complexiteit in de weg te staan. Op het omslag prijkt een man met een masker die een soort sciencefictionmonster te lijf gaat met een zweep. Korte inleidende zinnen als «The fate of a bank- robbing murderer resided in two scoops of peach ice-cream on top of a sugar cone» lijken eerder te passen bij een aflevering van The Twilight Zone dan bij literaire korte fictie. Bovendien beginnen alle verhalen met een illustratie, wat de bundel het aanzien van een grafische roman geeft.
Schijn bedriegt. Neem het mooiste verhaal in de bundel, How Carlos Webster Changed His Name to Carl and Became a Famous Oklahoma Lawman van Elmore Leonard. In dit moderne westernverhaal staan plot én karakterontwikkeling centraal. In het plattelandse Amerika van vlak voor de Depressie is de half- Cubaanse tiener Carlos getuige van een overval op een restaurant door de gevreesde Frank Miller en zijn boevenbende. Nadat Frank een indiaanse jongen in koelen bloede heeft neergeschoten, merkt hij Carlos op en neemt, sardonisch kijkend, een lik van het ijsje dat de jongen in zijn hand heeft. Het incident laat zijn merk achter op Carlos, die zich op latere leeftijd bekwaamt als cowboy en schutter.
Wanneer hij sheriff is, komt Carlos oog in oog te staan met Frank Miller, na een gevangenisstraf van jaren nu weer vrij man. De aanloop naar de confrontatie voert via een reeks incidenten die Carlos moeten leiden op de weg naar volwassenheid. Hij is een typisch Leonard-personage: recht door zee, sterk en getekend door een vreemd gevoel van moralisme. Dat past bij het verhaal dat in wezen een allegorie van racisme in het multiculturele Amerika is. Frank Miller krijgt straf vermindering, omdat zijn slachtoffer een lid van de Cherokee-stam was. De onvermijdelijke confrontatie tussen Frank en Carlos is niet alleen de climax van een Bildungs- verhaal; de botsing symboliseert ook de strijd tussen verschillende etnische groepen in een land dat voortdurend bezig is zichzelf opnieuw uit te vinden, net als Carlos, nu «Carl».

Multiculturaliteit is curieus genoeg een thema van veel verhalen in deze bundel. Behalve de tekst van Leonard is er ook het westernhorrorverhaal Ghost Dance van Sherman Alexie, waarin de geesten van de Cheyenne-slachtoffers van de strijd bij Little Big Horn wraak nemen op witte, racistische motoragenten. En Up the Mountain Coming Down Slowly van Dave Eggers, waarin een jonge Amerikaanse vrouw, Rita, de Kilimanjaro in Tanzania beklimt in een poging zichzelf te «vinden». Rita komt oog in oog te staan met de inwoners van het land, die even mysterieus zijn als de berg die de westerlingen beklimmen. Eggers’ hoofdpersoon vervalt vervolgens in typisch westerse clichés over Afrika; de zwarte gidsen zijn nergens in het verhaal meer dan randfiguren. Ondertussen beschrijft de auteur de saaie Europese bijfiguren in detail. Dat maakt zijn verhaal niet interessanter. Daar komt bij dat de tekst — om de een of andere reden de langste in de bundel — teleurstelt vanwege de sentimentaliteit ervan. Misschien is Dave Eggers in de val gelopen waar Brander Matthews voor waarschuwde: door de compacte vorm van het korte verhaal heeft de auteur geen gelegenheid zijn hoofdpersonage naar behoren te schetsen. De lezer komt wel iets te weten over twee geadopteerde kinderen die Rita noodgedwongen verlieten en bij haar ouders gingen wonen, maar de reden hiervoor blijft vaag. Het naturalistische Up the Mountain past eigenlijk helemaal niet in de bundel. Daarvoor is het veel te pretentieus, veel te burgerlijk.
Een ander uiterste is het fantastische circusverhaal The Tears of Squonk, and What Happened Thereafter van Glen David Gold. Het Nash Family Circus is een bonte verzameling artiesten uit verschillende Europese landen die zich aan het begin van de vorige eeuw in Amerika vestigt. Hoofdpersonages: Squonk, een clown die niet is wat hij pretendeert te zijn, en Mary, een olifant die wegens moord wordt opgehangen. Het is een bizar, surrealistisch verhaal dat als geheel méér is dan de som van de delen. Het handelt bij uitstek over Amerika, een land waar de filmcamera ruim honderd jaar geleden een tijdperk inluidde waarin schijn en werkelijkheid door elkaar heen lopen. De verteller: «When facing the past (...) it’s difficult to understand what is marvellous, what is real, what is terrible...» In modernistische stijl zet de auteur vraagtekens bij het waarheidsgehalte van het verhaal dat hij zojuist heeft verteld: bestond er wel een olifant die Mary heette? Die ooit wegens moord werd opgehangen? Klopten de verhalen dat het hele incident op film werd vastgelegd door een man met een van de allereerste filmcamera’s? Misschien, peinst de verteller, ging het alleen maar om een stadslegende. Hoewel men achter het oude treinstation ooit een olifantenskelet vond...
Dit verhaal past nog het best bij de bundel, vanwege het zelfbewuste sensationalistische karakter ervan. Dat geeft het boek iets puur Amerikaans. En iets puur moderns, door de vervreemding die voelbaar is in veel verhalen, bijvoorbeeld bij de man die in Blood Doesn’t Come Out van Michael Crichton zijn moeder vermoordt, of bij Michael Chabons vluchtende, ontheemde kinderen in The Martian Agent, A Planetary Romance.

McSweeney’s Mammoth Treasury of Thrilling Tales verrijkt de toch al rijke traditie van het Amerikaanse korte verhaal. Hoewel deze verhalen geen karaktergedreven teksten zijn — ze zijn vrijwel allemaal afhankelijk van plot — hebben ze toch iets gemeen met de definitie van Nadine Gordimer. Amerika was, net als Zuid-Afrika, altijd een gefragmenteerd land dat zich nauwelijks een toekomst kon voorstellen. Wie in beide landen in de grote steden rondloopt en contact maakt met de bewoners voelt aan dat menselijke relaties zijn verworden tot een «flits van vuurvliegen, aan en uit, nu eens hier, dan daar, in het donker», om met Gordimer te spreken. Dan verbaast het niet dat de grote schrijvers van Amerika de «kunst van het moment», het korte verhaal, toepassen om zin te geven aan hun werkelijkheid. Al is het maar om een verhaal voor zichzelf — een heden, verleden en een toekomst — te verzinnen. Dat verhaal is te lezen in Thrilling Tales.

Wachtwoord toesturen Problemen met inloggen?