De Groene Amsterdammer

Exclusief

De Groene Amsterdammer jaargang 2014 nummer 16

Iedereen

John Mieremet, 10 mei 1960, en vele anderen

De mythe van de onschuldige penoze vermoord

door Rutger van der Hoeven

Dit jaar stierf Pistolen Paultje, de knuffelbeer van de Nederlandse onderwereld. Het viel hem in de loop der jaren zwaarder om op te vallen. Aan gebrek aan inzet of gebrekkige spreiding van middelen lag het niet. Hij werd tachtig, maar verscheen nog in de media, had een homepage op internet, en hij hield natuurlijk de borden op zijn deur schoon die uitschreeuwden dat achter de open gordijnen een man woonde met wie niet te spotten viel. Het waren borden met een onweerstaanbare aantrekkingskracht op de kinderen uit de Van Breestraat – om te gluren, weliswaar, want bij zo iemand trok je niet aan de bel. De plaatjes van pistolen, grimmige waarschuwingen en stoere uitdagingen lieten nogal wat ruimte voor verbeelding, net als de naam van die gevaarlijke man: «Paultje», een verkleinwoordje – een misdadiger, maar niet zo’n erge.
Paul Wilking, zoals zijn werkelijke naam luidde, cultiveerde dat imago van aaibare boef zorgvuldig, en niet alleen voor kinderen. Tussen de stoere, smeuïge verhalen over zijn criminele verleden vraagt Wilkings geautoriseerde versie van het verleden zich af: «Wie is Pistolen Paultje? Superboef of superster, zachtaardige wapenboer of keiharde engel der wrake, hitsige kruisridder of kille sjacheraar, penose proleet of paradijsvogel? Waarschijnlijk is hij het allemaal.» De hitsige kruisridder, die zijn faam bouwde op wapensmokkel, liet zich graag zien in dure restaurants en in dure auto’s, gaf graag grote fooien of «klokkies» weg, en pochte smakelijk over de vele «sappige» minnaressen waar hij geen nee tegen had kunnen zeggen – hij was toch zeker geen «dief van zijn eigen piemel»?
Wilking cultiveerde ook de romantiek van de Wallen, een plaats waar – als je de adepten mag geloven – in de decennia rond de oorlog een grote saamhorigheid hing, waar ijzeren fatsoensregels en mores eendrachtig werden gehandhaafd, waar de beste grappen en de beste drank van de wereld werden getapt en «meningsverschillen» enkel met de vuist werden beslecht. En waar achter grote bekken en ego’s altijd een klein hartje school – dat wist iedereen, de politie het best. De criminelen van die mythische Wallen lagen goed in de mond: Pistolen Paultje, Haring Arie, Frits van de Wereld, Blonde Dolly of Schuine Pietje – ze waren zo kwaad nog niet. Deze criminelen hoorden bij het saamhorige, overzichtelijke Nederland van de wederopbouw. En net als de buurtslager en de melkboer zouden ze het in het nieuwe Nederland afleggen tegen efficiëntere, grotere, hardere en beter georganiseerde concurrentie.

Het aaibare-boef-imago overleefde de generatie van Wilking. Het kleefde ook de generatie aan die het stokje overnam en die haar eerste stappen zette met de oude garde nog aan het roer. De start van deze nieuwe lichting leende zich ook voor de criminele versie van het krantenjongen-tot-miljonair-verhaal. Ze kwamen soms van buiten de stad, maar vaak uit volkswijken als Jordaan, Staatsliedenbuurt of Noord. Ze begonnen in de loop van de jaren zeventig met klompjes hasj voor hun klasgenoten of toeristen in de bars van de Wallen of het Leidseplein, rolden in de drugssmokkel via de bloemenhandel of scheepvaart, krikten hun taxichauffeursloon op met handel uit de kofferbak, verhandelden steeds grotere pakketjes via het magazijn van oer-Amsterdamse zaken en zetten coffeeshops of jeugdhonken op voor de gestaag groeiende distributie van hasj. Want de smokkel en handel in hasj bleef maar groeien toen Amsterdam een magneet werd voor de drugsminnende mens en daarna een centraal distributiepunt voor heel Europa.
De jongens die zich vroeg naar de kop van de meute hadden gewerkt, groeiden in even hard tempo mee. De partijen die werden verhandeld en gesmokkeld namen steeds toe – kilo’s, tientallen kilo’s, honderden en uiteindelijk megatransporten van tonnen tegelijk.
Klaas Bruinsma zou de grootste baas worden, maar ook enkele leden van zijn bende en andere criminelen werden bekende namen. En niet alleen hun namen mengden zich in de bovenwereld, ook hun geld kwam daar in de jaren tachtig en negentig steeds meer terecht. Zijzelf ook, wonend tussen de chique patsers in Amsterdam-Zuid of Amstelveen, beleggend via makelaars en zakenmannen, met villa’s in België of ander buitenland. De bovenwereld kwam naar hen, zoals Mabel naar de Neeltje Jacoba, aangetrokken tot de spannende geur van Hollandse maffia.
Maar de romantiek en olijkheid die erin werden gezien – klompenmaffia met een Hollandse Godfather – waren vanaf het begin misplaatst. In de jaren tachtig was de antiautoritaire bevlieging van de jaren zeventig nog lang niet gaan liggen, juist niet in Amsterdam. De plaatselijke penoze werd als een soort vanzelfsprekende luis in de pels gezien die misschien niet voor progressieve idealen vocht maar wel de arrogantie van de macht uitdaagde. Of die van het grootkapitaal, zoals bij de ontvoering van biermagnaat Heineken.
Dat die visie een geromantiseerde versie van de werkelijkheid was, is een understatement. In werkelijkheid waren de mannen die in de jaren tachtig hun vleugels uitsloegen in de Amsterdamse onderwereld keiharde criminelen met maling aan iedereen.

Drie bendes zouden met name hun stempel op het milieu drukken. Ten eerste de Heineken-ontvoerders die elkaar kenden uit de Staatsliedenbuurt, met Cor van Hout (begonnen als kraakpandleegmepper) en Willem Holleeder (zoon van een aan de drank geraakte en daardoor werkloos geworden werknemer van Heineken) als bekendste namen. Ze zaten voor de ontvoering vast maar vervolgden daarna hun carrière met extra glans en geloofwaardigheid, met een eerlijke spreiding over vele takken van de criminaliteit.
Ten tweede de Kinkerbuurtbende van John Mieremet, Sam Klepper, diens neef George van Kleef en Cees Houtman, die van de politie de bijnaam «De Denkers» meekregen vanwege hun bijzonder listige en gedurfde overvallen op banken en geldtransporten, zoals de ramkraak van het Groningse hoofdpostkantoor met een shovel en een verijdelde overval op de Nederlandsche Bank met een hoogwerker. Ze vergaarden miljoenen met onopgeloste of wegens gebrek aan bewijs niet te vervolgen overvallen.
En ten derde de groep van Bruinsma. De latere grote drugsbaas werd aanvankelijk door de Amsterdamse onderwereld gezien als verwend kakkindje. Zijn vader was een rijke frisdrankfabrikant uit het Gooi. Bruinsma besloot tot criminele public relations om dit beeld recht te zetten. Het ergste voorbeeld daarvan was de huiveringwekkende dood van kickbokser André Brilleman. Bruinsma koesterde zijn lijfwacht drie jaar lang binnen zijn organisatie, tot hij hem kon straffen voor een poging zijn baas op te lichten. Brilleman werd in 1985 op een afgrijselijke manier afgetuigd, gemarteld, in stukken gezaagd en in een vat beton in de Waal gedumpt. Als les voor anderen.
«Wij kunnen niet naar de politie lopen als we worden gepikt», legde Thea Moear, mede-oprichter van Bruinsma’s organisatie, in 2000 uit in het boek The Godmother van misdaadjournalist Bart Middelburg. «Als je het erbij laat zitten, dan walst binnen de kortste keren de hele stad over je heen. Dan ben je zo weg, want bij jou is wat te halen zonder dat het consequenties heeft. In sommige gevallen moest je dus zeggen: dit kunnen we niet over onze kant laten gaan.»
Met die aanpak werd Bruinsma’s groep in de jaren tachtig dominant in de Amsterdamse onderwereld. De clan begon over grote hoeveelheden geld te beschikken en liet dat steeds meer via schimmige constructies investeren in vastgoed. Maar eind jaren tachtig nam Bruinsma een besluit dat misschien nog steeds gevolgen heeft. De overvallers Sam Klepper en John Mieremet werden door Bruinsma binnengehaald en aan het hoofd gezet van de «divisie speelautomaten». Het waren geen bange jongens. En ze werden niet voorzichtiger toen ze onder de vleugels van Bruinsma kwamen. Zo drukten de twee waarschijnlijk een lading hasj achterover (een ripdeal) van de in Nederland actieve Joegoslavische maffia.
In de jaren zeventig en tachtig was een Joegoslavische emigratie naar Nederland op gang gekomen en met die immigranten liftte de Joegoslavische misdaad mee. De Joego’s hadden geen eigen exportmiddel – zoals de Turkse misdaad (heroïne) of de Marokkaanse (hasj) – maar wel ambitie en een lage geweldsdrempel. Zo werkten ze zich tussen de Nederlandse misdaad in. Dat ging niet zonder problemen. Ruzie over de gestolen hasj van Mieremet en Klepper zette de Joego’s tegenover Bruinsma’s organisatie. De Joego’s legden een boete van een miljoen gulden aan Bruinsma op. Die pikte dat niet. Al snel werd de leider van de Joego’s in Nederland, Duja Becirovic, door zijn hoofd geschoten in een Jordaans café. Een jaar later, in 1991, was het de beurt aan Bruinsma.

Bruinsma’s liquidatie bij een chique hotel, andere afrekeningen eromheen en de veroordeling van een ex-politieman drongen het besef op dat de poldermaffia toch een naar verschijnsel was. Het maakte duidelijk dat de onderwereld het ritselaarniveau was ontgroeid en dat daar consequenties aan konden zitten – of al zaten – voor de openbare veiligheid en de integriteit van opsporing, rechtspraak en zakenleven. Het beeld van de Amsterdamse onderwereld begon te kantelen: van de joviale patsers van de Wallen naar dat van opvliegende, nietsontziende klootzakken die met hun gemondialiseerde handel te veel geld maakten en daarmee de bovenwereld corrumpeerden. Dat werd nog onderstreept door het parlementair onderzoek naar het Interregionaal Rechercheteam Noord-Holland/Utrecht (IRT), dat blootlegde hoe vlijtig de politie het misdaadspel meespeelde.
De Eerste Hollands-Joegoslavische Oorlog leidde tot grote onrust in de onderwereld en het wegvallen van de bekende structuren. Twee mannen wisten zich in dit onzekere en harde klimaat naar de top van de voedselketen te eten: Sam Klepper en John Mieremet. Na de moord op Bruinsma waren ze op een zeer inventieve plaats ondergedoken om aan de wraak van de Joego’s te ontkomen. Ze laadden simpelweg de juiste hoeveelheid wapens en explosieven in hun achterbak voor anderhalf jaar cel en belden de politie. Eenmaal uit de gevangenis begonnen ze voor zichzelf, terwijl de boedel van Bruinsma werd beheerd door Jan Femer en Mink Kok.
In de jaren negentig veranderden de regels van het spel gaandeweg. De ankers van de criminelen in de bovenwereld – makelaars, advocaten, notarissen – kregen meer invloed en betekenis voor het wereldje, zoals afgelopen jaar ook Willem Endstra en Evert Hingst. Zij belegden het criminele geld via bv’s, holdings en investeringsmaatschappijen in omvangrijke en schimmige zakenconstructies waar met de beste wil geen bewijsmateriaal van te maken was. Het was dezelfde financiële handigheid waarmee ook in de legale economie grote sommen geld werden verdiend en die de basis legden voor de zeepbel van de jaren negentig.
Zo waren er wel meer parallellen te trekken tussen zwarte en witte economie in de jaren negentig: toenemende internationalisering, grotere anonimiteit en onoverzichtelijkheid, ophoping van kapitaal en een groeiende rol voor financiële specialisten die met het daadwerkelijke product niets meer te maken hadden.
Ook een ander veel beklaagd fenomeen van de nieuwe tijd, de verruwing in de omgangsvormen, had zijn tegenhanger in het criminele circuit. Het was in de jaren tachtig al duidelijk dat de tijd van de vuistgevechten voorbij was, maar in de jaren negentig kwam de drempel voor zwaar geweld wel erg laag te liggen. Klepper en Mieremet boerden aanvankelijk prima in die omgeving. Behalve op de drugs en de weelderige constructies van Hingst en Mieremet legden ze zich toe op afpersing, zelfs van andere topcriminelen. Zo zouden zij achter een liquidatiepoging op Heineken-ontvoerder Cor van Hout zitten in 1996, waarna diens kompaan Willem Holleeder eieren voor zijn geld koos en zich bij het duo aansloot. Het waren hoogtijdagen voor de twee vrienden uit de oude Kinkerbuurtbende, met macht in de onderwereld, handige beleggers daarboven, en naar verluidt ook prima contacten bij de politie – zo zouden zij steeds op de hoogte zijn geweest van de laatste stand van zaken in recherche-onderzoek.
Maar een nieuw evenwicht zou de onderwereld onder het duo Mieremet en Klepper niet bereiken. Het succes steeg Klepper en Mieremet wederom naar het hoofd, en weer gingen ze in de fout door te stelen van de Joego’s. In de meest gehoorde versie vermoordden ze een drugshandelaar die werkte voor de broers Barsoum, die op hun beurt weer tot de Joego’s behoorden. Toen Klepper en Mieremet hen weigerden te betalen, werd in 2000 eerst Kleppers vriend Jan Femer vermoord, als laatste waarschuwing. En een maand later Klepper zelf: de begrafenis met de beierende Westertoren en de colonne Hells Angels door de stad.
Het moorden is sindsdien niet meer opgehouden. Zoals het in een moderne economische branche hoort, werd het vaak uitbesteed aan de partij met de beste prijs-kwaliteitverhouding: huurmoordenaars van de Balkan. Die zijn niet bang, zelfs koel als de kinderen van het slachtoffer voor hun vader sprongen, keren snel terug op het vliegtuig en zijn dan onvindbaar in Albanië, Bosnië of Servië. Met die anonieme moordenaars verloor de gangsteroorlog de overzichtelijkheid van een Joegoslavisch-Hollands treffen. Na elke moord werd het gissen wie hem had laten uitvoeren. En altijd waren er verdachten te over.
Zoals het in onzekere tijden gaat, wilde iedereen zijn geld van de bank en onder het eigen bed. Maar omdat de «bankiers van de onderwereld», als Endstra en Hingst, het geld in allerlei zakelijke constructies hadden gestoken, was dat onmogelijk. Mieremet, die extra om geld zat te springen omdat hij besloten had de Joego’s toch maar te betalen, liet in een absurde manoeuvre zelfs via de rechter beslag leggen op panden van Endstra. Die sloot daarop weer een pact met Holleeder, werd vervolgens door hem afgeperst en afgetuigd, gaf daarna opdracht Holleeder te vermoorden, enzovoort. Criminelen en hun zakenpartners dansten in steeds wisselende coalities om elkaar heen, onder grote druk van voortdurende bedreigingen en angst voor meer moorden om nog meer druk op de uitbetaling te zetten.
De generatie criminelen die was opgekomen in de jaren zeventig begon zichzelf op te eten. Er begonnen geruchten en versies van «dodenlijsten» te circuleren waarop de namen stonden van vijanden van Mieremet en anderen – de opdrachtgever was doorgaans via een aantal tussenmannen goed verborgen. En onvermijdelijk begon het aantal doden gestaag op te lopen, «omgelegd» door moordenaars met weinig terughoudendheid om met publiek erbij te opereren.
Vijf jaar later is er van de generatie van de jaren zeventig en tachtig weinig meer over. Dood zijn onder anderen Heineken-ontvoerder Cor van Hout (derde poging), bijna de hele Kinkerbuurtbende, de broers Barsoum, Bruinsma-moordenaar Martin Hoogland. En nog een hele reeks kleinere vissen die met het oude criminele handwerk begon tussen de penoze van de Wallen. Die kleine vissen zijn soms zelfs heel klein. Er is al een afrekening geweest waarvan de politie niet eens wist om wie het ging.
De berichten over het einde van doorgewinterde criminelen met grote namen, grote wapenfeiten en een lange carrière op het slechte pad zullen schaars worden. De generatie die de onschuld vermoordde in de Amsterdamse onderwereld is nu echt bijna op.=John Mieremet, 2 oktober 2005.

Wachtwoord toesturen Problemen met inloggen?