De Groene Amsterdammer

Sluiten

Bij Oleg Pavlov is het zelfs in vredestijd oorlog

De troost van wodka

Oleg Pavlov schreef – op zijn 24ste – een autobiografische roman over zijn leven als soldaat. De aardappels en de staat wekt de indruk van ontzagwekkende treurnis. Maar de subversieve kracht van het boek schuilt in de weigering alle ellende serieus te nemen. 

door Cyrille Offermans

Athaneum Boekhandel

De aardappels en de staat

Oleg Pavlov
Athenaeum Boekhandel

Dat Oleg Pavlov kan schrijven is van meet af aan duidelijk. De zinnen lijken hem zonder moeite in soepele stijl en ijzersterke beelden uit de pen te vloeien, een vertragende omweg via het tobbende hoofd lijken ze niet te maken. Vaak kort en bondig, maar niet per se, zijn het nooit ingewikkelde bedenksels. Pavlov is geschoold door de straat, heeft daar goed om zich heen gekeken en geleerd snel en alert te reageren. Op straat is het altijd oorlog, zelfs in vredestijd. Of liever: juist in vredestijd. Want dan moeten de strategische messen geslepen worden. Pavlov kent die oorlogsstrategieën tot in de puntjes. Hij weet hoe het werkt: het imponeren van de tegenstander, hoe je van je moet afbijten, hoe je moet slijmen of hoe je iemand moet inpalmen.

Zomaar een voorbeeld: het fragment betreft een spichtige kolonel – het boek speelt in kringen van louter lamlendige militairen – die eruitzag ‘alsof hij niet uit liefde op de wereld was gezet, maar uit angst’ en die daar in zijn reacties direct, zonder vertellersuitleg, blijk van geeft: ‘De kolonel, die zich tussen de stille, huiselijke muren van zijn werkkamer voor iedereen schuilhield als een kikker in het slijk van zijn moeras, had de gewoonte de mensen te overvallen; als hij te voorschijn sprong was dat altijd zo plotseling dat hij de indruk wekte alom tegenwoordig te zijn.’

Nog een voorbeeld, uit een heel andere ­context, ditmaal gericht op de angst van de ondergeschikten voor hun nieuwe leider, een generaal. De man moet uiteraard gunstig worden gestemd. Dus trok men voor het feestelijke diner op de eerste dag ‘alle kasten open’, niettemin verliep het diner ‘als een begrafenismaal’. Op de tweede dag moest de generaal in het regiment ‘de actue­le partijlijn’ afkondigen. Nervositeit alom, de officiersmess verkeerde in ‘vreugdevolle’ afwachting, de mannen stonden er op hun zondags op en ‘veegden omstandig hun voeten bij het binnengaan’. De climax nadert: ‘Iedereen zat de generaal aan te gapen. In de doodstille mess vormden al die glimmende koppen het plaveisel van een levende paradeplaats, waarover nu de toespraken hun mars begonnen.’

Problemen met inloggen?