De Groene Amsterdammer

Exclusief

De Groene Amsterdammer jaargang 2014 nummer 16

Iedereen

HET GEVAAR VAN MONUMENTALE GESCHIEDENIS 

De vergeten twintigste eeuw

We dwepen met het verleden, maar kennen onze recente geschiedenis niet. Triomfantelijk hebben we de twintigste eeuw achter ons gelaten. Ten onrechte, volgens historicus Tony Judt.

door CASPER THOMAS

In het Engelse stadje Wigan, beroemd door George Orwells boek The Road to Wigan Pier (1937), kan een bezoek worden gebracht aan de Wigan-pier. Er is ook een ‘the way we were Museum’ en een George Orwell-pub. Het lijkt een fijn staaltje Engelse nostalgie, maar het Wigan van George Orwell hád helemaal geen pier. Er was een kolensteiger die zo heette, en die werd in 1929 afgebroken om het metaal ervan te verkopen. Juist die anekdote illustreerde voor Orwell de treurigheid in het industriële noorden van Engeland. De bijbehorende pub is ook nooit door Orwell bezocht. Deze werd gebouwd in de jaren tachtig van de vorige eeuw. De verhaspeling van de geschiedenis in Wigan laat zien hoezeer de twintigste eeuw, nog maar amper voorbij, nu al wegzinkt in de vergetelheid. Dit is de centrale stelling van de Britse historicus Tony Judt in zijn nieuwe boek, Reappraisals: Reflections on the Forgotten Twentieth Century, een verzameling van eerder verschenen essays over voornamelijk de tweede helft van de voorgaande eeuw. Met verbazing constateert Judt dat bij de grote kwesties die nu spelen – de oorlog in Irak, het conflict in het Midden-Oosten, de veranderende verhouding tussen Europa en Amerika – de wortels van deze gebeurtenissen er niet toe lijken te doen. Er wordt geen les geleerd uit de recente geschiedenis. Evenmin wordt begrepen dat actuele kwesties wel eens wortels in de twintigste eeuw zouden kunnen hebben.

De geschiedenis van de Koude Oorlog is een treffend voorbeeld van een episode uit die recente geschiedenis die ten onrechte wordt beschouwd als ‘voltooid verleden tijd’. Vanaf 1989 konden wij de ellende van oorlog, kamp en goelag achter ons laten; triomfantelijk ving een nieuwe era aan van vrijheid en democratie, geschraagd door een bloeiende westerse economie en Amerikaanse militaire suprematie. Maar het overgrote deel van de grote en minder grote conflicten van vandaag is een directe nasleep van de Koude Oorlog. De oorlog in Afghanistan is een gevolg van de bewapening van de bevolking door de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie. Het conflict tussen Rusland en Georgië over Zuid-Ossetië en Abchazië is een directe voortzetting van twintigste-eeuwse geopolitieke strijd. Toch worden deze conflicten nauwelijks historisch geduid. De twintigste eeuw is geschiedenis en dat wil zeggen: voorbij, behorend tot een ander tijdperk dan het onze.

 

Om misverstanden te voorkomen: de twintigste eeuw is alom aanwezig. Herdenking van oorlog, viering van de bevrijding en de aanwezigheid van monumenten voor alle groepen slachtoffers van het geweld van de twintigste eeuw vormen een constante herinnering aan het verleden. Politici vergelijken geschriften van tegenstanders gemakkelijk met Mein Kampf en een onfrisse ideologie heet al snel ‘fascistisch’. President van Venezuela Hugo Chávez maakte onlangs nog Angela Merkel uit voor ‘het type mens dat Hitler en het fascisme ondersteund zou hebben’.

Het zijn zware vergelijkingen, maar ze worden licht gemaakt. Dat komt, volgens Judt, omdat een handvol gebeurtenissen van de twintigste eeuw is uitgegroeid tot historische ijkpunten, vastgelegd in ritueel en monument, vaak letterlijk in steen gebeiteld. Het gevaar van deze lapidaire geschiedbeleving is volgens de schrijver een vals historisch bewustzijn. Het probleem is niet dát we de twintigste eeuw vastleggen, maar de boodschap die hiermee wordt afgegeven: dat de twintigste eeuw nu voorbij is, dat de betekenis ervan duidelijk is en dat we met een gerust hart verder kunnen gaan. Door te herdenken raken wij dus juist vervreemd van de geschiedenis die aan vandaag vooraf ging. Eigenlijk her-denken we dus ook niet, de geschiedenis wordt niet opnieuw gedacht. Door eens per jaar dezelfde les te belijden lijkt het alsof we in dynamisch contact staan met het verleden, maar in feite staan we stil.

Het einde van de Koude Oorlog luidde het begin van dit ahistorisch tijdperk in. De geschiedenis van de Koude Oorlog strekte zich uit naar de hele geschiedenis van de tweede helft van de twintigste eeuw, versimpeld tot een strijd tussen het vrije Westen en de communistische dictatuur van Oost-Europa. Voor de kleine geschiedenissen, die zich ver van het front tussen Rusland en de Verenigde Staten afspelen, is weinig ruimte. Waar in het werk van vooraanstaande historici van de Koude Oorlog is er ruimte voor de Amerikaanse militaire interventie in Guatemala in 1954, het beginpunt van decennia van gewapend conflict?

Dit versimpelde beeld is de uitdrukking van big history: internationale geschiedschrijving op het niveau van staten en leiders, en dan voornamelijk de grote spelers in dit verhaal, de twee supermachten, met bijrollen voor Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Het is een geschiedenis van diplomatie, hoge politiek, staatskunde en militaire strategie. Er is nauwelijks ruimte voor, bijvoorbeeld, de ecologische, economische of culturele geschiedenis van het Koude Oorlog-tijdperk, laat staan voor de geschiedenis van Roemenië, België of het Balticum.

 

Hoe vreemd dat historisch bewustzijn werkt laat Judt zien in twee essays over Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Hij constateert dat beide landen druk doende zijn met een amalgaam van herdenkingen, nostalgie en Heritage Industry, die een verleden levend houden. Frankrijk flankeert zijn snelwegen met borden die aangeven langs welk cultureel erfgoed de automobilisten met 130 kilometer per uur zoeven. Versailles, de slagvelden rond de Somme, de Mont-Saint-Victoire: het Franse snelwegnetwerk als een groot openluchtmuseum. De berg memorabilia bij het veertigjarig jubileum van Mei ’68 is ongeëvenaard.

In het Engelse stadje Orgreave werd in 1984 tijdens de mijnwerkersstaking fel slag geleverd tussen stakers en oproerpolitie. Die veldslag werd onlangs als ‘The Battle of Orgreave’ nagespeeld – als kunstproject, voor een documentaire, als ware het een re-enactment van Britse heritage, net als de slag bij Agincourt of Stamford Bridge. Ook de geschiedenis van twintig jaar geleden is al voer voor nostalgie.

De historische industrie draait ook in Nederland op volle toeren. De lijst van boeken, tv-evenementen en tentoonstellingen die terugblikken op het verleden is eindeloos. De nieuwe canon, de verkiezing van ‘grootste Nederlander aller tijden’, een scala aan historische biografieën, tentoonstellingen over het knusse leven in de jaren vijftig. Ook wij zwelgen, net als Frankrijk en Engeland, in ons verleden. Maar het is een bepaald soort verleden. In dat verleden van bordjes, heropvoeringen en monumenten openbaart zich een paradox: we zijn bezwangerd met het verleden van de twintigste eeuw maar begrijpen niet hoe het verleden doorwerkt naar vandaag. Volgens Judt omdat we ons historisch bewustzijn in slaap hebben laten sussen door het obsessief staren naar een paar punten in het verleden.

Frankrijk herdenkt de twee wereldoorlogen met een monument op ieder dorpsplein, maar de koloniale oorlog in Algerije of de collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft geen plaats in het geconstrueerde landschap van het verleden. Ook Nederland heeft last van deze partiële amnesie. De Tweede Wereldoorlog blijft een onuitputtelijke bron voor historici, schrijvers en filmmakers, maar de politionele acties in Indonesië die daar direct op volgden zijn dat niet. Als die geschiedenis wél wordt beleefd, dan gebeurt dat op statische wijze. Er zijn monumenten – in Leiden bijvoorbeeld – en het geschiedenisonderwijs leert dat Nederlandse soldaten veel slachtoffers maakten. De politionele acties zijn een zwarte bladzijde, maar wel een uit een gesloten boek. Bijna niemand weet, bijvoorbeeld, waarom Nederlandse troepen in Afghanistan twee van hun posten ‘Volendam’ en ‘Poentjak’ hebben genoemd. Dat is omdat alleen binnen de kleine kring van de landmacht de herinnering (en de militaire traditie) van de politionele acties nog enigszins relevant is. De Volendam was een troepentransportschip dat Nederlandse soldaten in 1946 naar Indonesië vervoerde, en Poentjak verwijst naar een bergpas op Java, een beruchte plek voor hinderlagen, die door de Prinses Irene-brigade werd beveiligd. Door deze historische piketpaaltjes te slaan wordt de geschiedenis symbolisch beleden. Dat het conflict in Afghanistan hetzelfde potentieel voor weggestopt collectief oorlogstrauma kan hebben wordt er echter niet mee verduidelijkt.

De inscriptie in ons collectieve geheugen van de politionele acties als gewelddadige koloniale oorlog was kort mogelijk in 1969, toen de excessennota verscheen, naar aanleiding van onderzoek naar Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië. Tevergeefs bepleitte Joop den Uyl als Kamerlid een parlementaire enquête naar aanleiding van de nota. Daarmee werd de politieke geschiedenis van de politionele acties gesloten en kon deze episode slechts een tweederangs plaats innemen in het Nederlandse collectief bewustzijn. Hetzelfde dreigt te gebeuren nu een parlementair onderzoek naar steun aan de oorlog in Irak wordt tegengehouden.

 

Judt richt zijn hagelgeweer niet alleen op de gebrekkige historische beleving als zodanig, maar ook op publieke intellectuelen, zowel uit linkse als uit neoconservatieve kampen, die in het ahistorische tijdperk de oogkleppen op hebben gezet. Hij hekelt de steun die intellectuelen als Paul Berman, Micheal Ignatieff en Christopher Hitchens (Judt noemt ze ‘liberal armchair warriors’) gaven aan de war on terror. Judt ziet ze als vertegenwoordigers van de versimpelde opvatting over de geschiedenis van de twintigste eeuw. De reden dat juist Amerikaanse liberals zich vóór gewapende interventie verklaren voert Judt terug op de Koude Oorlog. Deze intellectuele goegemeente werd volwassen in de Koude Oorlog, en de passie waarmee ze zich inzette voor een strijd van ‘het vrije Westen’ tegen een ‘universele jihad’ ziet Judt als een terugverlangen naar de eenvoudige moraal van de Koude Oorlog. De strijd tegen wereldwijd terrorisme is simpelweg een nieuwe invulling van een oud wereldbeeld. Wij zijn goed, zij zijn slecht; wij zijn vrij, zij de tiran, wij zijn verlicht, zij primitief – even primitief als het fascisme ooit werd gevonden. Continentale denkers als Bernard Henri-Lévy krijgen eenzelfde veeg uit de pan.

Tegenover deze intellectuelen stelt Tony Judt Arthur Koestler, volgens Judt ‘de exemplarische intellectueel’ vanwege zijn dappere non-conformisme. Als jongeman was hij actief bij de Oostenrijkse Joodse Nationalistische Studenten en hij woonde korte tijd in Palestina, maar keerde zich later af van het zionisme. Daarna werd hij lid van de communistische partij, maar verliet deze in 1931. Zijn boek Darkness at Noon (verschenen in 1940) was een belangrijk demasqué van het stalinisme. Opvallend detail: Judt had zelf ook een korte flirt met het zionisme en werkte voor de Israëlische defensie tijdens de Zesdaagse Oorlog. In Reappraisals rekent hij af met Israël. Het is een land dat zich gedraagt als een infantiele puber die denkt te kunnen doen wat hij wil.

De belangrijkste reden waarom Koestler Judt tot voorbeeld strekt is dat hij leerde van het directe verleden, een eigenschap die de meeste hedendaagse intellectuelen missen. Zij verzetten zich hooguit tegen de wijze waarop de oorlog in Irak verloopt. Ze zijn kritisch tegenover Bush, die verantwoordelijk is voor het stuntelige verloop van een militaire interventie waar zij in principe nog steeds het nut van inzien. Koestler, net als Albert Camus en Leszek Kolakowski, twee andere helden van Judt, confronteerde de geschiedenis en trok er de onvermijdelijke les uit dat trouw aan het communisme en marxisme niet langer moreel aanvaardbaar was. Hij gaf daarbij toe simpelweg een foute inschatting gemaakt te hebben. Dit in tegenstelling tot enkele van Judts schietschijven: de marxistische historicus Eric Hobsbawm, die tot op de dag van vandaag verklaart nostalgie te hebben naar de sovjetdroom, en Louis Althusser, die zijn onwetendheid verborg achter ondoorgrondelijk gebrabbel en nog steeds wordt gevierd als grote marxistische intellectueel. Judts polemiek heeft niet tot doel Koude Oorlog-discussies over communisme versus liberale democratie nieuw leven in te blazen. Hij wekt de denker van de voorbije eeuw tot leven om aan te tonen wat de plicht is van de publieke intellectueel: je niet af te wenden van de recente geschiedenis maar deze ten volle te confronteren. Het gebrek daaraan verklaart het huidige enthousiasme voor gewapende interventie, voor manke vergelijkingen tussen de islam en het fascisme en voor de illusie dat terrorisme een nieuw fenomeen is.

Tony Judts relaas is vooral toegesneden op de Verenigde Staten en Groot-Brittannië, met een excursie naar Frankrijk, het land waar zijn vroegere geschiedschrijving zich op richtte. Daarbij heeft hij geen oog voor geschiedbelijdingen waarin wél ruimte is voor het kleinere verhaal en de bepalende rol van de twintigste eeuw voor het leven nu. De televisieserie en het boek In Europa zouden Judt tot voorbeeld kunnen strekken. Toch bevatten Judts essays ook waardevolle lessen voor Nederland. De strijd tegen ‘islamo-fascisme’ kent ook hier pleitbezorgers en de oorlog in Irak kreeg het fiat van de regering-Balkenende. Daarbij dragen ook wij ons steentje bij aan de strijd tegen ‘islamitische dictatuur’, en ook bij ons is – het etiket ‘opbouwmissie’ ten spijt – het geloof in gewapende strijd als nuttig instrument niet minder geworden. ‘Irak’ en ‘Afghanistan’ worden nauwelijks verklaard vanuit een analyse van de geschiedenis van de twintigste eeuw, als waren het conflicten zonder historische wortels. En dat terwijl er directe parallellen zijn met Nederlandse militaire gedragingen in de net voorbije eeuw, toen wij in Indonesië en Korea een vergelijkbare rol als internationale politieagent speelden. Dat verleden is materiaal voor de geschiedenisboekjes, niet voor actueel debat. Alleen het verre verleden wordt doorgetrokken naar vandaag. Nederlandse intellectuelen steggelen graag over de erfenis van de Verlichting en leuren met Spinoza, maar door ver te kijken zien we niet wat er direct onder onze neus ligt.

 

Tony Judt, Reappraisals: Reflections on the Forgotten Twentieth Century. In het Nederlands (De vergeten twintigste eeuw) vertaald door Hanneke Bos en Wybrand Scheffer, Contact, 488 blz., € 49,95

Wachtwoord toesturen Problemen met inloggen?