De Groene Amsterdammer

Sluiten

Hans van der Meer en het menselijk tekort

De wereld vanaf een keukentrapje

Fotografeert Hans van der Meer de mensen, of de ruimte tussen de mensen in? Het Hollandse landschap en de hoofdrolspelers horen bij elkaar.

door PETER DELPEUT

EEN PAAR JAAR GELEDEN kwam ik fotograaf Hans van der Meer tegen bij de opening van een expositie. Hij zuchtte en steunde. Zijn ribben waren gekneusd, vertelde hij, een Italiaanse voetballer had hem omvergelopen, hij was met keukentrapje en al achterovergetuimeld en het trapje had zich in zijn borst geboord. Ik vermoedde even dat de blessure niet louter zijn ribbenkast betrof. Wie ging er nou met een keukentrapje voetballen? In Italië!
Pas toen Van der Meer op mijn aandringen het verhaal minutieus uit de doeken deed, begreep ik dat hij stond te fotograferen op een Italiaans voetbalveld, net buiten de kalklijnen, en dat een voetballer, een amateur, hem met een onbesuisd ingezette actie niet meer kon ontwijken. ‘En je stond op een keukentrapje?’ vroeg ik ongelovig. ‘Ja natuurlijk’, was zijn laconieke antwoord, ‘dat is het eerste wat ik aanschaf als ik ergens ga fotograferen: een keukentrapje.’
Wie zich de foto’s van Hans van der Meer voor de geest haalt, zijn Hollandse velden-serie die het Nederlandse amateurvoetbal portretteert, ziet wedstrijden uit de onderste regionen van de KNVB-afdelingen, waarin veelal dikbuikige liefhebbers met afgezakte kousen op winderige velden zich iedere zaterdag Maradona wanen. Had hij zich ook daarvoor op een wankel keukentrapje gewaagd? Als dat zo was, dan was het een godswonder dat hij niet eerder omver was gekegeld. Je kon veel zeggen van de voetbalamateurs in zijn foto’s, maar dat ze wonderen van atletisch vermogen waren, nee.
Ik begreep dat ik hierna nooit meer naar een foto van Van der Meer zou kunnen kijken zonder me de fotograaf drie, vier of vijf treden hoog op een keukentrapje voor te stellen.
Hollandse velden was Van der Meers grote doorbraak. Hij begon aan het project in 1995, het boek met die titel verscheen in 1998. Net als voor vele anderen was het mijn eerste kennismaking met zijn werk. Ik vond het intrigerende foto’s, die bijna achteloos gemaakt leken: nergens de aanwijsstok die zoveel fotografie sentimenteel en kitscherig maakt. De foto’s hadden iets ouderwets, ze behielden afstand tot het onderwerp, deden geen enkele poging een lekker plaatje te maken. Terwijl bij het onderwerp, de voetballende amateurs, de human interest-clichés voor het oprapen lagen.
Meer dan de voetballers leek Van der Meer de ruimte tussen de spelers te portretteren, alsof zijn interesse eerder het achterliggende Hollandse landschap gold dan de verrichtingen van de spelers en hun schaarse publiek. Al klopte dat niet helemaal, want juist door al die omringende ruimte bleek je beter en intenser naar die stuntelende voetballers te kijken, eiste ieder detail haarscherp zijn individuele aandacht op.
Hollandse velden bestond uit foto’s om met je blik overheen te dwalen, op zoek naar de bal in de lucht, waar al die bezwete koppies naar tuurden, of een shirt dat uit een te kleine sportbroek vlagde, de voetbalschoenen van een corpulente grensrechter. Om met eenzelfde gemak te verglijden naar de weidse graslanden van de polders, een paard dat naar de wedstrijd meekijkt, een glimp van een Vinexwijk in de mist.
Als een zekere ongrijpbaarheid het geheim van een goede foto is, of in ieder geval van foto’s die de aandacht vasthouden, dan waren dit verdomd goeie. Verbazingwekkend, vond ik, voor foto’s die zich met zoveel terughoudendheid presenteren. Hoe deed Van der Meer dat?
Terugfietsend van de vernissage met de geblesseerde Van der Meer daagde een vermoeden: het keukentrapje.

HET IS LASTIG om over fotografie te schrijven. Je komt zelden voorbij het onderwerp.
Natuurlijk huist er in de Hollandse velden-foto’s een zoete melancholie. Een bal in een sloot, net buiten bereik van de turende voetballer. De eenzame keeper, gevangen in zijn strafschopgebied, terwijl zijn kameraden ver weg, buiten beeld de wedstrijd spelen. De nog eenzamere speler die de corner mag nemen, met als enig houvast een oranje hoekvlagje op een schonkig stokje. De geblesseerde voetballer die naar zijn schenen grijpt, verkrampt van pijn, maar de rug toegekeerd door 21 andere spelers die hem toeroepen: ‘Aansteller!’ Vertwijfeling en vreugde na een goal. De verwaaide kapsels, verbleekte shirts, de kleumende vriendin van de keeper, enzovoort, et cetera – het menselijk streven op een voetbalveld ontluisterd, de voetballers zijn stuk voor stuk dromers zonder oog voor het werkelijke leven waarin ze vertoeven.
Maar er is iets in die foto’s wat ze boven de zoete melancholie doen uitstijgen, ze zijn meer dan een zoveelste variant op de enscenering van ‘het menselijk tekort’. Dat is wat ze zo ongrijpbaar maakt.
Hoe dat komt? Van der Meer staat zo ver weg van zijn protagonisten dat je ze niet zonder de ruimte om hen heen kunt begrijpen. Ze komen niet naar ons toe (zoals zoveel fotografen nastreven), maar ze zijn deel van een groter geheel. Ze lijken niet gevangen in de foto, maar in het landschap, alsof de foto zichzelf heeft weggecijferd. Misschien moest Van der Meer daarvoor op een keukentrapje klimmen, om de ruimte los te weken van zijn personages, om de speling tussen de spelers een eigen, autonome plaats in de foto te geven. Denk die voetballers eens weg, wat hou je dan over? Landschapsfoto’s. Mooie landschapsfoto’s die het pandemonium van de voetballende mens in het geheel niet nodig hebben.
Dat is zo lastig aan onderwerpen en foto’s. Wat zich aan je opdringt blijkt bij nader inzien helemaal niet de essentie van de foto, de reden van zijn intrigerende aanwezigheid. Pas als je met de fotograaf het keukentrapje op klimt, zie je dat die voetballers passanten zijn, onderwerp, maar niet de foto.
Is dat vanzelfsprekend? Als je naar de Hollandse velden kijkt, is het moeilijk om er anders over te denken. Maar nu er in het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam een overzicht van het fotowerk van Van der Meer is te zien, wordt duidelijk dat het voor de fotograaf een zoektocht is geweest. Wat nu zo vanzelfsprekend lijkt, liet zich niet zomaar veroveren.
Het interessante is dat dit pas in retrospectief herkenbaar is. Neem de foto’s die Van der Meer midden jaren tachtig in Hongarije maakte, in 1987 gepubliceerd als Quirk of Fate. Alledaagse straattaferelen in een Oostblokland, de kleine momenten waarin het menselijk onvermogen met een zachtmoedige ironie in beeld wordt gebracht. Het leven gevangen in dat ene absurde, geheimzinnige, liefderijke moment: de spotzucht van het (nood)lot gefotografeerd op straat in Boedapest. Stel dat Van der Meer daarna was gestopt als fotograaf, dan zouden we hem ons herinneren als een fotograaf op zoek naar ‘het beslissende moment’. Maar nu, met die ruimtelijke voetbalfoto’s in het achterhoofd, valt op hoe Van der Meer zijn passanten steeds in de straat plaatste, hoe die kale, stenige stad een belangrijke medespeler binnen het tafereel was. Een of twee stapjes achteruit, een paar treden omhoog op een keukentrapje, en je hebt de Van der Meer-foto zoals we die nu uit duizenden herkennen.
Hetzelfde geldt voor de serie Werk (1990-1992), waarin we steeds eenzame werkers in hun werkomgeving te zien krijgen. Hierin zijn ruimte en personage perfect in evenwicht. Alleen dermate in evenwicht dat de geportretteerde arbeiders een illustratie van de ruimte zijn. De feitelijkheid van de afbeelding krijgt een existentieel tintje: de mens die in het arbeidsproces een machine is geworden. Mooie foto’s, maar in het licht van de latere Van der Meer met een teveel aan betekenis en een tekort aan raadselachtigheid.
En dan komt de laatste stap die nodig was om tot de perfecte Van der Meer te komen: Amsterdams verkeer (gefotografeerd in 1993-94, maar pas gepubliceerd in 2000). Briljante panoramafoto’s (6x17-negatieven, zoals een Cinemascopefilm) waarin het gevecht tussen fiets en auto en tram en voetganger in de Amsterdamse binnenstad over de volle breedte van de straten als een klucht van circusacrobaten wordt opgevoerd. Het zijn ensemblestukken, waarin iedereen zijn rol opeist: de half vallende fietser, de onverstoorbare verhuizer en de geschrokken voetganger. En dat in veelvoud, gezamenlijk de publieke ruimte van de Amsterdamse straten bevolkend. Dit zijn foto’s zonder hoofdpersoon, overlopend van wat Henri Cartier-Bresson het ‘moment decisif’ noemde, het ‘beslissende moment’, maar niet langer gecentreerd zoals in de Hongaarse foto’s, waardoor ze niet exclusief de aandacht op zichzelf vestigen. Foto’s zo vol van dat soort momenten dat die straat niet echt zichtbaar wordt, weinig anders dan een decor is.
Bij elkaar opgeteld een drietrapsraket die Van der Meer bij de Hollandse velden heeft gebracht. Veel van die voetbalfoto’s zijn ensemblestukken vol ‘beslissende momenten’, maar met zoveel afstand (of égards) gefotografeerd dat ook het landschap zijn eigen rol opeist. Niet als illustratie van de voetballers, niet als commentaar, maar als in een raadselachtig tweegesprek: landschap en voetballers lijken met elkaar te converseren als in een dialoog van Harold Pinter. De voetballers met beide benen op de grond, het landschap een paar treetjes hoger, vanaf een keukentrapje.
Van der Meer heeft in deze foto’s definitief zijn vorm gevonden door twee fotografische genres over elkaar heen te schuiven: dat van de landschapsfotografie over dat van ‘het beslissende moment’. En ergens in de pendelbeweging tussen die genres mag de toeschouwer zelf op zoek naar betekenis. Die is niet gegeven, ligt niet voor het oprapen zoals in de Werk-serie. En het landschap raakt niet zoek zoals in Amsterdams verkeer. Alles is in een ongrijpbaar evenwicht en het woord en de verbeelding zijn aan de toeschouwer.

HET IS een druilerige meidag als ik met Hans van der Meer door de hoofdstraat van Den Helder loop. Ik draag zijn keukentrapje. Ik zie allerlei grappigs en ontroerends passeren, maar de fotograaf speurt naar iets anders. Als ik de trap voor hem neerzet, dan altijd omdat hij eerst een stuk van de straat in beeld wil brengen. Heeft hij een stenen landschap in zijn kader dat hem bevalt, dan pas wacht hij op de dame bij de pinautomaat, of de vrouw die van haar fiets stapt, een auto die rond een verkeersobstakel manoeuvreert.
Het raadsel Nederland heet zijn nieuwe project. Als we een paar van zijn foto’s terugkijken, speurt hij ze allereerst af op scherpte, van voor naar achter in het beeld. Dan bekijkt hij zijn landschap, het architectuur- en straatbeeld dat ondubbelzinnig als een uitwisselbaar Holland kan worden herkend. Pas daarna kijkt hij naar de mensen die dit landschap bevolken, naar de toevalligheden, het menselijk handelen dat dat landschap tegenspreekt, eraan voorbij gaat, het naast zich neerlegt. Het is alsof hij die lagen als de sheets van een animatiefilmer over elkaar heen legt. Ergens tussen die doorzichtige lagen huist het raadsel waar hij naar op zoek is, begrijp ik. Niet een antwoord, maar een onoplosbaar probleem: even helder als ongrijpbaar – als zijn fotografie iets vermag, dan dat.
We rijden in de regen terug naar Amsterdam. De goede foto zit er niet bij vandaag. In de achterbak rammelt het keukentrapje.

Hans van der Meer, Work & Play, Nederlands Fotomuseum, Rotterdam, 13 juni t/m 23 augustus. www.nederlandsfotomuseum.nl

Wachtwoord toesturen Problemen met inloggen?