De Groene Amsterdammer

Exclusief

De Groene Amsterdammer jaargang 2014 nummer 17

Pamflet: Minder hippe onzinstudies, graag

Leuke studies met een & erin

door Ewald Engelen

beeld Milo

Mbo, hbo en wo moeten iets minder horig zijn aan de arbeidsmarkt. En iets meer algemene vorming zou zo gek nog niet zijn. door Ewald Engelen beeld Milo Leuke studies met een & erinMbo, hbo en wo bieden tezamen maar liefst vijfhonderd studies aan, waaronder talloze die toegang bieden tot slechts één gespecialiseerd beroep. Iets minder horigheid aan de arbeidsmarkt en iets meer algemene vorming zou zo gek nog niet zijn.

Lezen

Iedereen

Interview met Igor Corenlissen

Een transparant bestaan

Igor Cornelissen is alweer vier jaar weg bij Vrij Nederland. Hij is allang niet meer links, maar doet geen moeite om dat beeld te corrigeren. In ‘pisstad’ Zwolle werkt hij aan deel IV van zijn memoires.

door Joris van Casteren

IN HOOFDSTEDELIJKE KRINGEN is het genoegzaam bekend. Wie niet ter plekke in letters omgezet wil worden, dient zich onmiddellijk uit de voeten te maken als de gestalte van Igor Cornelissen opdoemt. Dat de werkelijkheid haast regelrecht zijn roemruchte memoires binnenstroomt is in Zwolle — waar de bijkans pensioengerechtigde journalist alweer decennialang het voormalige ouderlijk huis bewoont — nog altijd niet doorgedrongen. Igor Cornelissen: ‘Ik kwam in een kroeg hier in Zwolle een oude vriend tegen. Ik vertelde hem dat ik om het volgende deel van mijn memoires te kunnen laten verschijnen flink wat geld had moeten investeren. Ik wil wel over jou schrijven, zei ik, maar dat kost je wel honderdvijftig gulden. Hij trok zijn beurs te voorschijn en riep: "Ik doe mee."’


In zijn woonplaats is het zijns inziens stompzinnigheid troef. ‘Als de Zwolse Courant weer een stuk heeft over Cornelissen die signeert bij Waanders, onze plaatselijke boekhandel, zeggen de mensen: "Je stond weer in de krant, hè?" Er is nobody die dat nieuwste boek van mij dan ook daadwerkelijk gaat kopen. Ik vertel ze ook niet dat ze in het boek genoemd worden. Ze weten van niks. Er was één belangstellende. Die zei: "Het gaat toch over Zwolle, waar kan ik dat krijgen dan?" "Niet bij de melkboer", zei ik. Dan heb je me echt pissig.’


Zwolle, de Vondelkade. Achter het raam op de eerste verdieping is de glimmende schedel van Igor Cornelissen waarneembaar. Iedere ochtend vanaf half acht zit hij er. Net overhemd, stropdas en een spencertje. Gebogen over een krant, een boek of een archiefstuk. Zo tegen de middag trekt hij erop uit om bij Stroomberg op de Brink een uitsmijter te eten.


Vier jaar alweer is Igor Cornelissen (64) Vrij Nederland-redacteur-af. Ook zijn column in Het Parool is hij kwijt. Momenteel ligt Terug naar Zwolle: Dwarsliggers en ander volk, het derde deel van zijn memoires, in de schappen. Hij is van plan ‘de Russen’ te gaan lezen, het komt er echter nauwelijks van. ‘Dan zet ik een plaatje op en dan hoor ik een bassist die ik beslist moet opzoeken. Zodoende verzeil ik weer in dit en zo weer in dat. Aan het eind van de dag heb ik ongelooflijk veel gedaan, maar weer totaal ongericht.’ Ook het bijeengaren van het volledige oeuvre van Jaap Meijer en George Orwell, zijn literaire helden, houdt hem van het lezen af.


In het eerste deel van zijn memoires, Van Zwolle tot Brest-Litowsk: Onstuimige herinneringen (Van Gennep, 1983), reconstrueerde Cornelissen nauwgezet zijn leven tot het jaar 1962. Jeugd, joodse wortels, socialistische studentenactiviteiten, trotskistische bezigheden en het prille begin van zijn journalistieke loopbaan — van een regio-editie van Het Vrije Volk via Het Parool bij Vrij Nederland beland — komen meer dan uitgebreid aan bod. Raamgracht 4, mooie jaren bij het weekblad (Nijgh & Van Ditmar, 1998), het kloeke tweede deel, bestreek de periode 1962-1976. Afgewisseld met reconstructies van de talloze alcoholdoordesemde optredens die hij met zijn jazzcombo verzorgde, ontmythologiseerde Cornelissen op bittere toon het beeld van het vrijgevochten journalistieke walhalla zoals dat tot dan toe van Vrij Nederland bestond.


In het nu verschenen derde deel neemt Cornelissen de periode 1976-1986 onder handen. De VN-historie wordt in kleinere, doch niet minder venijnige porties opgediend. Ex-hoofdredacteur Rinus Ferdinandusse wordt, hoewel doorslaggevend bewijs ontbreekt, genoemd als de mysterieuze brievenschrijver die het blad en de buitenwereld tijden in zijn ban hield. Opnieuw krijgen, op enkelingen na, de VN-collega’s er ongehoord van langs. Liefdevol schrijft Cornelissen alleen over het linkse rariteitenkabinet waar hij als verslaggever met spionnenfascinatie voortdurend mee te maken had. Gepassioneerd ook wijdt hij uit over de talloze vrouwen met wie hij het bed gedeeld moet hebben.


Daar verwacht hij overigens nog een hoop moeilijkheden mee te krijgen. ‘Dea Koert, godverdomme, dat was heel vervelend. Daar ben ik vijftien jaar mee geweest, wat ik die aandoe, godverdomme, dat is ernstig. Ik ben zo’n jongen die zich dan gaat verschuilen, zo van, zij krijgt dat toch niet in handen. Maar ik werd gebeld door de uitgeverij. Ze zeiden: er staat een foto in van Dea Koert en zij heeft recht op een exemplaar, heb je het adres? Ik kon niet zeggen: stuur het haar alsjeblieft niet op. Waarschijnlijk krijg ik dus weer een hele aardige brief die de vinger op de juiste plaats legt, zo van, je bent nog vaker je pik achterna gelopen dan ik al vermoedde...’ Zijn bureaustoel kraakt onder een bulderende lach. Ernstig: ‘Dea is een klassieke vrouw. Ik ben niet de schuldige, dat zijn die andere vrouwen. Zo denkt ze. Ze haat ook nog steeds mijn huidige vriendin. Die is de boosdoenster, niet ik. Ik kan er niets aan doen.’



CORNELISSEN IS nog lang niet klaar met zijn memoires. Er komt nog een deel vier, De laatste jaren, dat de periode 1986-1996 behelst. Daarna moet er nog een epiloog verschijnen. Cornelissen zal het transparante leven tot aan zijn dood voortzetten. De eigen levenswandel dient dan ook permanent bewaakt te worden. ‘Je moet de mythe die je opgebouwd hebt zorgvuldig in stand houden’, zegt hij. ‘Anders komt er niks van terecht.’


Igor Cornelissen als levende legende. Maar het was toch niet louter omwille van de legende dat hij voorzitter was van de socialistische Amsterdamse studentenvereniging Politeia? En zijn lidmaatschap van de Nederlandse tak van Trotski’s Vierde Internationale, was dat eveneens ongemeend? Het lijkt erop: ‘Ik werd ook bij de Trotskisten eerst niet geaccepteerd. Men vond mij te bohémien. Ik kwam in cafés en bezat vriendinnen. Dat was not done.’ Te meer daar hij (‘met m’n jazzorkest, met m’n pakkie, m’n vlinderdassie’) zich er zo gretig op liet voorstaan.


Maar gaandeweg, benadrukt hij, zag hij toch wel dat het niks was. ‘Een tijd lang heb ik die Trotski een interessante historische figuur gevonden. Maar ik wist op zeker moment ook wel dat het niet beter zou zijn gegaan als hij de macht had gehad in plaats van Stalin.’ Dat Trotski intellectueler was dan Stalin blijft wel buiten kijf staan. ‘Met de burgeroorlog zat hij in een gepantserde trein, maar toch liet hij de nieuwste Franse romans aanrukken. Stalin kende nauwelijks Russisch, hij sprak met een zwaar Georgisch accent.’


Hij zegt bepaald niet gedesillusioneerd te zijn. Maar van z’n linkse imago kwam hij niet meer af. ‘Ik ben allang niet meer links maar dat stempel raak ik toch niet meer kwijt. Op een gegeven moment dacht ik: so what, dan hou ik het erin ook.’



HIJ ZET ZIJN geruite alpinopet op en stapt de deur uit. In de tuin ernaast keuvelen twee vrouwen met elkaar. Cornelissen luistert even, zegt dan: ‘Nee dat heeft helemaal niets met die steentjes te maken. Weet u, buurvrouw, hoe akonietjes verplaatst worden? Door hommels, die zuigen het zaad op.’ De vrouwen giechelen als Cornelissen sierlijk afscheid neemt.


Het gaat de Nieuwe Vecht over, richting centrum. ‘Ik ben wel een gretige verteller. Dat hoort ook bij de mythe. Iemand hoeft maar wat te zeggen en ze zijn het eerste uur niet van me af. Maar ik moet niet het gevoel hebben dat ik tegen een muur sta te kletsen, dan pak ik liever een borreltje.’ Als een in zijn ogen aantrekkelijke vrouw passeert zegt hij: ‘Daar gaat er weer eentje voor in deel vier. Als de mannen er honderdvijftig gulden voor over hebben, willen de vrouwen toch best een nachtje met mij doorhalen, niet?’


Hij biecht op dat hij in het derde deel niet voor de volle honderd procent transparant is geweest. ‘Er zijn grenzen. Ik ben erg ingetogen geweest over mijn enige huwelijk met Herma, van wie ik twee zoons heb. Daar wil ik niet over uitweiden. Gesteld dat mijn zoons het zouden gaan lezen, het staat dan toch zwart op wit.’ Om de haverklap groeten passanten hem. Hij mag hier in Zwolle bekendheid genieten, in Amsterdam is het er ondertussen niet minder om. ‘Als ik in Amsterdam aankom en ik loop naar het Spui, dan ontmoet ik zo twee, drie mensen waar ik het koffiehuis mee in kan. Als ik op de boekenmarkt loop kom ik gegarandeerd mensen tegen. Of een antiquair die roept: "Mijnheer Cornelissen, u zoekt toch Hongarije, de radenrepubliek van 1919? Ik heb hier een brochure."’



BIJ BRUNA, in de drukke Diezerstraat, schaft hij het Algemeen Dagblad aan, waar de eerste recensie in staat. We passeren de openbare bibliotheek. ‘Het behoort zo te zijn dat je als auteur een vergoeding krijgt voor ieder geleend boek. Elk jaar kreeg ik een bescheiden bedrag, de laatste keer ƒ68,40 om precies te zijn. Ik dacht: verdomme, ik heb al zestien boeken geschreven, die klootzakken tellen niet goed. Ik belde naar de bibliotheek en gaf twee van mijn boeken op. Die over Jaap Meijer en Paul de Groot. "Die hebben wij hier niet", zeiden ze. Ik zei: "Mevrouw, u spreekt met een Zwols auteur, hoe komt het dat u dat niet heeft?"’ Even valt hij stil. ‘Begrijp je nu waarom ik zo op deze pisstad afgeef?’


We gaan bij boekhandel Waanders binnen, waar hij een week eerder nog gesigneerd heeft. ‘Het was niet slecht, 35 boeken verkocht.’ In de etalage ligt Terug naar Zwolle prominent uitgestald. Binnen ligt het zowaar op zeven in de non-fictie toptien. ‘Wie bepaalt dat?’ vraagt hij ongelovig aan de baliemedewerker. ‘Wij leggen dat er zelf neer, m’neer Cornelissen.’ In café De Tweede Ronde slaat hij twee borrels achterover. Hij is, zegt hij, al met al een tevreden mens. ‘Ik hoef niet te vluchten, geen ellende. Dat ik willekeurig in zo’n toptien lig is een luxeprobleem.’ Als de glazen geleegd zijn stappen we in bus 90, die zich vol met scholieren naar Hattem begeeft.


In deel twee van zijn memoires valt te lezen hoe Cornelissen in Delft een ‘trotskistische metaalarbeider’ opzocht die hem ‘zeldzame brochures’ van Herman Gorter en Rosa Luxemburg meegaf. Er zaten ook afleveringen van Henk Sneevliets tijdschrift Rode October bij. In een ervan reconstrueert Sneevliet de moord in 1937 op de Pools-joodse geheim agent Ignace Reiss. Uit het artikel bleek dat Reiss beschikte over een aantal Nederlandse helpers. Cornelissen ondernam een fascinerende speurtocht naar deze figuren, waarvan hij in hoofdstuk 7 punctueel verslag doet. Een en ander resulteerde in het in 1989 gepubliceerde De GPOe op de Overtoom. Behalve Hildo Krop, Henriette Roland Holst en Henk Sneevliet zelf, bleek ook Han Pieck, de tweelingbroer van Anton, te spioneren voor de KGB. Bij het Anton Pieck-museum in Hattem sloeg de onthulling destijds in als een bom. ‘Ach, het is ook zo’n pannenkoekenhuis daar’, zegt Cornelissen in de bus. De IJssel staat hoog, tot ver in de uiterwaarden. ‘Een levend geworden Anton Pieck-schilderij. Met in het midden een hofje met een lullige waterput. Toen mijn boekje begin jaren negentig uitkwam en ik een dubbeltentoonstelling suggereerde, waren ze bang dat hun bezoekers een verkeerde indruk zouden krijgen. Mijn idee werd van de hand gewezen. De bezoekers zouden kunnen gaan denken dat Anton ook had gespioneerd.’


Cornelissen kon zijn oren niet geloven toen Karrie Pieck, Hans dochter met wie hij voor De GPOe op de Overtoom intensieve gesprekken voerde, hem opbelde. ‘Ze zijn om in Hattem, zei ze. Ze willen nu toch ook iets doen aan vadertje.’ Zo kwam het dat Igor Cornelissen voor de dubbelexpositie van hedenmiddag een uitnodiging kreeg. ‘Ik vind het prettig dat Han Pieck gerehabiliteerd is. Ik ben benieuwd wat ze voor nieuwe werken hebben liggen.’



OMDAT DE BUS ruim op tijd in Hattem arriveert, rest er tijd voor oude jenever. Hij slaat het Algemeen Dagblad op en schudt enkele malen het hoofd. In de recensie schuilt impliciet het verwijt dat hij een gemankeerde idealist zou zijn. ‘Goed, ik ben socialist geweest, links-socialist, trotskist. Maar de recensent begrijpt niet dat ik toen al zoveel dingen eromheen had. Oog voor gekke mannetjes, oude tenorsaxofonisten die ook nooit een grote aanhang hadden. Dat ging allemaal door en dat vergeet deze man. Ik was geen éénrichtingsmens.’


In het Anton Pieckmuseum is het een drukte van jewelste. Onder de hanenbalken zitten grijsaards met beroosde schouders rij aan rij. Cornelissen schudt wat handen, neemt dan achter in de zaal plaats.


Vice-voorzitter Tiemen Platje neemt het woord: ‘We zijn bijzonder trots dat we een gezamenlijke expositie hebben kunnen maken. Hartelijk welkom, u allen. In het bijzonder heet ik welkom de heer Adams, wethouder Cultuur van de gemeente Hattem.’ Platje geeft de microfoon aan Karrie Pieck, die aan een lange uiteenzetting begint. Hoe gespannen Cornelissen ook wacht, met geen woord rept zij over zijn boek. Over de politieke activiteiten van haar vader is zij nauwelijks mededeelzaam: ‘Hij was vaak op reis voor de regering, en zo meer.’ Cornelissen heeft na afloop van de speeches geen enkel oog voor de bijeenverzamelde werken van Han Pieck. In gezelschap van een lokale kunstenares begeeft hij zich vrijwel direct naar de uitgang. Zij rijdt de auteur terug naar Zwolle. ‘Luister, ik zeg dit helemaal niet verbitterd’, begint Cornelissen. ‘Maar mijn onderzoekingen die hebben geleid tot dit idee... Die worden door de dochter van Han, die het heel goed met mij meent, gereduceerd tot "en zo verder". Waarom zegt ze niet wat meer?’


In Zwolle loodst de kunstenares hem een kroeg binnen waar tot laat in de avond onbekrompen jenever zal worden geschonken.



 

Wachtwoord toesturen Problemen met inloggen?