De Groene Amsterdammer

Sluiten

Fijn dat wij niet zo zijn

ELVIS PEETERS
WIJ
Podium, 171 blz., € 16,50

door KEES ‘T HART

De roman Wij van Elvis Peeters sluit naadloos aan bij een steeds aanzwellende stroom literatuur (en beeldende kunst) waarin de slechtheid, voosheid en kwaadaardigheid van ‘de’ mens centraal staat. Het is allemaal niks met de mens. Zie recente romans van Arnon Grunberg, Herman Koch, Saskia Noort en de met de Librisprijs bekroonde roman Godverdomse dagen op een godverdomse bol van Dimitri Verhulst. Kenmerkend voor deze literatuur is de geruststellende, eendimensionale moraal. De wereld en de mensen zijn slecht, en iemand moet daar zo snel mogelijk iets aan doen. Gelukkig zijn wij natuurlijk niet zo als al die nare antihelden uit de romans. Wij weten beter. Gaat u rustig slapen, beste mensen. Dat is de verstikkende moraal van deze boeken: de anderen zijn slecht en wij schrijvers doorzien hun slechtheid. Wij schrijvers weten nu eenmaal alles beter, wij leggen de vinger op de zere plek, wij zijn van iedere ideologie bevrijd, wij wrijven ons van een afstandje in de handen en wij zorgen ervoor dat u, lieve lezer, lekker kunt slapen. Want wij zijn de moreel uitverkorenen, wij zijn uw spreekbuis, wij weten van de hoed en de rand, wij doorzien alles, wij wijzen u de weg, wij zijn de goeden, al dromen wij er soms wel van dat wij de macht hebben maar we laten dat niet te erg merken, wij hebben liever schone handen. Dit is een volstrekt gratuite, rancuneuze, gemakzuchtige en kleinburgerlijke literatuursoort die zich onder een masker van ‘geëngageerdheid’ en zelfs ‘bezorgdheid’ presenteert. Zij zijn slecht en wij zijn goed. Gadverdamme, wat heb ik er een hekel aan.
Peeters promoveert acht nihilistische pubers van een jaar of zeventien, achttien van een middelbare school tot antihelden van zijn roman. Ze veroorzaken in het begin een ongeluk op een snelweg. De vier meisjes ontbloten zich op een viaduct, een stel passerende chauffeurs laat zich zo afleiden dat ze op elkaar knallen. ‘Vier jonge kutten. Wie wil dat niet zien? ’s Ochtends om halfelf. De zon brandde al.’ Er vallen doden en gewonden, ze maken er opnamen van. ‘Het mooiste op de beelden van Jens zijn de vlammen en het verzengen van de brem. Femke legde alleen de smerige zwarte rookwalm vast.’ Dit zijn indringende beelden van een amoreel ritueel uit het begin van deze kleine roman en toegegeven, ze bevielen me wel. Geen al te opzichtig commentaar, geen bespiegelingen over het waarom, doodgewone losgeslagen jongeren op een viaduct. Kijken wat ze kunnen, zoeken naar grenzen, verlangen te ontsnappen. Maar zo indringend blijft het helaas niet. Langzamerhand onttrekken deze jongens en meisjes zich steeds meer aan de gewone gang van zaken binnen hun families en hun school. Ze hangen wat rond, neuken er met elkaar op los, geven zich steeds meer over aan ‘perverse’, meestal seksuele rituelen en het kan ze allemaal geen bal schelen. Betaalde seks, georganiseerde misdaad, zelfverminking, dierenmartelingen, het gaat van kwaad tot erger. Het geheel wordt overigens verteld door een van de jongeren, die net even anders is dan de anderen, hij leest veel, de anderen lezen niks. Gaat het in het begin steeds over ‘wij’, ‘wij’ doen dit, ‘wij’ doen dat, langzamerhand wordt de verteller een ik. Peeters wil met deze veranderende vertelwijze laten zien dat de groepsideologie uiteen begint te vallen, en aan het einde snap je dat het zo niet door kan gaan, al komen ze niet tot inkeer. De echte wereld wacht, in de laatste zin formuleert Peeters het als volgt: ‘De wereld ligt aan onze voeten.’
Peeters is er niet in geslaagd zijn roman een geloofwaardige en daarmee ook indringende en indrukwekkende lading mee te geven. Wanneer hij systematisch had vastgehouden aan de onderkoelde documentaire stijl uit het begin van de roman, dan had hij iets schitterends voor elkaar gekregen, daar ben ik van overtuigd. Dan waren de verschrikkingen op mij overgeslagen. Maar nu stond ik erbij en keek ik ernaar. Tjonge jonge, wat een narigheid allemaal, ja ja, de jeugd is slecht hoor. Gelukkig valt het met mij wel mee, dat scheelt dan weer. Het zit ’m erin dat de schrijver zijn helden te veel laat reflecteren op wat ze ondernemen. ‘Wij leefden alsof de dood een vergissing was’, staat er bijvoorbeeld. Peeters stouwt zijn roman steeds meer vol met dit soort beschouwende tussenstukjes die de wandaden van de pubers in een of ander sociologisch licht willen zetten. ‘We vervelen ons’, staat er ergens, ‘maar het was geen verveling uit lusteloosheid (…). Het was een verveling die om ideeën vroeg, die een leegte was waaruit een volheid kon groeien.’ ‘Wij waren jong’, staat even iets eerder, ‘wij dachten niet aan de toekomst, wij dachten niet aan de tijd, wij dachten aan dat wat de tijd van ons maakt, het volledige opgaan in het genieten. Wij genoten ervan te zijn wie we waren, onervaren en onverantwoord.’ Het zal allemaal wel, maar met dit soort moreel gekleurde reflecties die de hele roman doordesemen doodt Peeters de opzet van zijn verhaal. Hij wil unverfroren laten zien hoe het is onder jongeren, maar tegelijkertijd geeft hij er een morele uitleg bij die zijn opzet ondergraaft. Peeters laat zijn verteller er zelfs letterlijk allerlei filosofen bij halen: Heidegger, Zizek, Nussbaum, Jean-Luc Nancy. Ik vond dat potsierlijk. Hij vertrouwt er niet op dat zijn lezers hem snappen, hij heeft blijkbaar geen vertrouwen in zijn romanopzet. Nu is zijn roman een in de grond braaf en vrijblijvend verslag geworden over een paar gefantaseerde kwaadaardige jongeren. Fijn dat wij, Elvis Peeters en ik, niet zo zijn.

Wachtwoord toesturen Problemen met inloggen?