De Groene Amsterdammer

Exclusief

De Groene Amsterdammer jaargang 2014 nummer 51_52

Iedereen

Highsmith en het schrijven

Hoe schrijf je een Patricia Highsmith?

PATRICIA HIGHSMITH
PLOTTING AND WRITING SUSPENSE FICTION
St. Martin’s Press (oorspr. 1966)
In het Nederlands verschenen als Hoe schrijf ik een spannend boek (De Arbeiderspers, 1985), vertaald door Anneke Brassinga

door Kees 't Hart

Het begin van dit boek is vooral ontmoedigend, de tweede zin gaat als volgt: ‘Het is immers onmogelijk aan te geven hoe een geslaagd – dat wil zeggen, leesbaar – boek moet worden geschreven.’
Schrijven is geen kunstje, ook niet van thrillers, vindt Patricia Highsmith, daar laat ze geen enkele twijfel over bestaan in haar vermakelijke en instructieve Plotting and Writing Suspense Fiction (1966, later herzien en uitgebreid) dat in 1985 in een fraaie vertaling van Anneke Brassinga onder de titel Hoe schrijf ik een spannend boek in de Synopsis-reeks van De Arbeiderspers verscheen. Ze vindt dat schrijven vooral een spannend en avontuurlijk beroep is, omdat er altijd een kans bestaat op mislukking. Ware woorden natuurlijk, maar wel van iemand bij wie de mislukkingen in ieder geval niet door mij zijn opgemerkt. Ze schrijft er overigens uitvoerig over in dit boek, dat vind je niet vaak in instructieboeken over schrijven, daar heeft men het liever over succes, want van mislukkingen krijgt de lezer nu eenmaal geen mooie dromen over een fijne schrijfcarrière. Ze bespreekt op het einde bijvoorbeeld indringend de zwakke kanten van haar roman A Game for the Living (1958). Ze bekent dat ze eens iets anders wilde, maar daardoor bepaalde elementen liet vervallen die anders voor haar onmisbaar zijn: ‘verrassingseffecten, een hoog tempo in de handeling, het tarten van ’s lezers geloof, en vooral inleven in de zieleroerselen van de moordenaar’. En verderop vertelt ze ongegeneerd dat ze tegen buitenlandse uitgevers die over een herdruk van dit boek beginnen altijd zegt dat ze wel moeten bedenken dat het haar slechtste boek is.
Onder meer deze unverfroren oprechte toon maakt dit boekje tot prima literatuur waarvan je uiteraard niet ineens een goede thriller leert schrijven, maar die wel een glashelder inzicht geeft in achtergronden, rationalisaties, blokkades en uitgangspunten van de niet geringe schrijfkunst van deze mensenhaatster. Tussen neus en lippen door strooit ze met opmerkingen over en interpretaties van haar eigen werk. Bijvoorbeeld in het citaat van hierboven over ‘het tarten van ’s lezers geloof’ en het inleven in de moordenaar, typische en ijzersterke kenmerken van haar werk. Ze constateert ook dat het in veel van haar werk gaat om de verhouding tussen twee mannen ‘die vaak heel verschillend van aard zijn en soms een duidelijk contrast in goed en kwaad belichamen, soms alleen maar slecht bij elkaar passende vrienden zijn’. Ze bekent dat ze dit thema pas later in haar eigen werk herkende, terwijl het toch bijvoorbeeld in haar eerste roman Strangers on a Train (1950) al prominent zichtbaar was.
Highsmith theoretiseert nauwelijks over klassieke kwesties uit de verteltheorie, over bijvoorbeeld het ‘gezichtspunt’ van de verteller. Waarom zou je je daar druk over maken? ‘Tenslotte kun je ook een kwispedoor in een hoek van de kamer aan het woord laten.’ Maar ondertussen geeft ze veel treffende voorbeelden uit haar eigen werk over de verschillen in werking van ik- en hij-verhalen. Ze geeft er zelf de voorkeur aan te werken met hij-verhalen, daarmee kan ze de nodige afstand bewaren, bovendien stelt ze dat het steeds terugkerende woordje ik, ik, ik, haar altijd danig op de zenuwen werkt. Het onderscheid tussen thrillers en ‘echte’ literatuur vindt ze maar relatief. Wanneer Dostojevski nu Schuld en boete had uitgegeven, een boek dat ze zeer bewondert, was het volgens haar ongetwijfeld onder het kopje ‘literaire thriller’ uitgegeven. Waarbij ze er malicieus aan toevoegt dat er dan wel heel wat uit weggestreept was, ‘vanwege de gestegen productiekosten’. Ook maakt ze zich niet al te druk over het onderscheid tussen goede en slechte thrillerschrijvers: de laatste soort gooit er gewoon met de pet naar, en daarmee uit.
Patricia Highsmith heeft een hekel aan detectives of thrillers waarbij de plot neerkomt op een of ander foefje, een wetenswaardigheid uit een of ander wetenschapsgebied. Een ontsnappingstruc, noemt ze dat. Dit soort schrijverstrucs kunnen alleen werken wanneer ze door personages tot leven worden gewekt, maar meestal is het gewoon niks, al is ze wel zo reëel om toe te geven dat ze er ook wel eens mee gewerkt heeft, ‘als ik op een grappig idee stuitte’.
Dit kleine, in het Engels nog steeds verkrijgbare, boekje van Patricia Highsmith is vooral te lezen als een vrolijke inleiding op haar eigen werk en als een ode aan haar rotsvaste geloof in het schrijversvak en het schrijversbestaan. Ze heeft er altijd van genoten, dat is duidelijk, ze laat op iedere bladzijde doorschemeren hoe geweldig leuk schrijven is, ook al gaat het wel eens mis. Niet treuren, gewoon iets anders gaan doen en dan komt het goed. Verlekkerd neemt ze je mee langs haar personages, Tom Ripley bijvoorbeeld, een van haar mooiste figuren. Ze vertelt uitvoerig hoe ze met de inkleuring van dit personage allerlei valkuilen probeerde te vermijden.
Over de losse moraal van haar helden schrijft ze maar weinig, ze voelt er niets voor het daar altijd maar weer over te moeten hebben. Moordenaars en andere griezels vindt ze net echte mensen, dus schrijft ze vol compassie hoe ze die toch altijd sympathiek probeerde te krijgen. Net genoeg om erin te kunnen geloven.

Wachtwoord toesturen Problemen met inloggen?