De Groene Amsterdammer

Sluiten

Het decennium Aflevering 3 Willem Aantjes

'Ik ben niemand iets verschuldigd'

Een 'weinig zelfkritisch' onderzoek van oorlogshistoricus Loe de Jong kostte Willem Aantjes in 1978 de kop. Maar de voormalige CDA-politicus snapt De Jong wel. En er waren belangrijker dingen in zijn leven dan dat aftreden. 'Praten is riskant. Ik ben op mijn hoede.'

door DAAN HEERMA VAN VOSS EN DANIËL VAN DER MEER

beeld JOOST VAN DEN BROEK

WILLEM AANTJES (Bleskensgraaf, 1923) ziet toe hoe wij onze jassen ophangen en dirigeert ons zijn huiskamer in. We zien een borstbeeld van Aantjes, boeken, fruit. Zijn vrouw, ruim dertig jaar jonger, staat op het punt van vertrek. 'Veel plezier', zegt ze, tegen hem. Tegen ons: 'Laat hem maar praten, er komt van alles uit.' Aantjes zelf lijkt niet overtuigd. Zijn ogen staan afwachtend.
Het is moeilijk voor te stellen dat we tegenover de voormalige 'machtigste man in de Nederlandse politiek' zitten. Niet dat hij niet scherp is, verre van: hij formuleert en denkt helderder dan menig actief politicus van nu. Maar na zijn vertrek is hij van de ene op de andere dag vrijwel geheel uit het politieke leven en het publieke debat verdwenen. Zijn afscheid in 1978 was geen afscheid, maar een verbanning. Historicus Loe de Jong (1914-2005), personificatie van de moreel geladen geschiedschrijving over het vaderlandse oorlogsverleden, belegde op 7 november van dat jaar een persconferentie waarin hij op verbeten toon het politieke lot van Aantjes bezegelde. De letters van het vonnis, die altijd aan Aantjes zouden blijven kleven: 'SS'. Een dag later legde Aantjes al zijn politieke functies neer.
Hoewel twee expertcommissies weinig heel lieten van De Jongs beschuldigingen bleek officiële rehabilitatie iets anders dan rehabilitatie in de praktijk. De voormalige ARP- en CDA-fractievoorzitter - van laatstgenoemde partij was Aantjes tevens medeoprichter - wendde zich af van de nationale politiek, na bijna twintig jaar in de Tweede Kamer te hebben gezeten. Sindsdien zat hij in verschillende besturen en commissies. Zijn stem duikt zo af en toe nog op, in de krant, op televisie of in biografieën over andere (ex-)politici: Aantjes blijkt een fervent brievenschrijver te zijn geweest. Op onze vraag of dat nog altijd geldt, antwoordt hij, net hard genoeg dat zijn vrouw het nog hoort, met een zuinige glimlach: 'Waarom zou ik, ik ben al weer hertrouwd.'
U schrijft toch niet alleen naar vrouwen? Toch ook wel naar de partij?
'Ik probeer het te beperken. Kom nou, ik ben een mastodont. Een enkele keer stuur ik een brief naar de krant. Liever laat ik mijn grieven eerst aan de partij horen.'
Hoe wordt er doorgaans op gereageerd?
'Keurig. Meestal zeer formeel. "De regels zijn zo en zo." Ja, dat weet ik ook wel. Natuurlijk heb ik soms moeite met de gang van zaken in de partij, maar voor je het weet krijg je het verwijt, en niet helemaal ten onrechte, dat je je tijd gehad hebt. Als een oudgediende iets zegt wat de partijtop bevalt, heet hij een coryfee. Als hij iets verkeerds zegt, een mastodont.
En bij mij komt daar, vanuit het publiek bezien, het ongemak bij dat mijn aftocht nog altijd oproept. Mij doet het weinig meer, als ik eerlijk ben. Mensen komen wel eens op me af: "Sjonge jonge, wat is het toch naar, hoe het allemaal gelopen is." Ik heb dan weinig tekst.'
Houdt u meer van schrijven dan van spreken?
'Dat weet ik niet. Ik houd van goed formuleren, van welsprekendheid. Ja, misschien eigenlijk wel. Praten is riskant. Ik ben op mijn hoede.'
U twittert tegenwoordig.
'Ja, geen idee waarom. Mijn vrouw zei dat mensen dat interessant vonden, dus dan doe ik dat maar. Maar ik kan dat helemaal niet. 140 tekens! Ik wil dingen uitleggen, toelichten, me verantwoorden. Alleen maar poneren is niets voor mij. Een enkele keer is er iets wat ik in 140 tekens kan vatten. Dat voorspelt meestal weinig goeds. Zo zei Cees Veerman recentelijk in een interview dat het CDA zo bleek wordt. Dan twitter ik: "Mild uitgedrukt. Het wordt bleker en Bleker."'
Twittert u uitsluitend over politiek?
'Kijk, politiek was mijn publieke leven, het deel dat voor anderen zichtbaar was, maar mijn privé-leven is mij vele malen belangrijker. Geloof het of niet, mijn aftreden is niet de belangrijkste gebeurtenis in mijn leven geweest. Ik ben gescheiden, dat was vreselijk. Ik heb twee zoons waarvan de ene de andere een nier heeft gedoneerd. Ik heb een kleindochter van achttien verloren. Was op mijn verjaardag geboren, had ik een heel bijzondere band mee. Koolmonoxidevergiftiging in de studentenflat. Daar kan ik nog zo woedend over worden. Maar ik heb er geen adres voor hè? Over de belangrijkste zaken twitter ik niet.'

BEHOORT DE OORLOG tot die zaken? U was zeventien toen hij uitbrak. Het moet de eerste grote gebeurtenis in uw leven zijn geweest.
'De eerste grote gebeurtenis in mijn leven was dat ik naar het gymnasium ging. Het Marnix Gymnasium in Rotterdam was elitair, iedereen had familie die eerder op een gymnasium had gezeten. Ik kwam uit een gezin waar niemand had doorgeleerd en moest het helemaal zelf uitvinden. De oorlog heeft wel een grote invloed gehad op mijn leven, maar ik denk dat dat geldt voor iedereen van mijn generatie.'
Voor de een meer dan voor de ander.
'Dat is zo.'
U bent lang voorzitter geweest van de raad van toezicht van een psychiatrische zorginstelling. Vanwaar die interesse?
'Dat werk heb ik altijd met zeer veel aandacht en liefde gedaan. Het is ontzagwekkend om te zien hoe er naar mensen met psychische problemen gekeken wordt. Ze tellen niet mee in de maatschappij. Het zijn kneusjes, outcasts. Ik heb me vaak ingezet voor het stemrecht van psychiatrische patiënten. Het werd patiënten in praktische zin nagenoeg onmogelijk gemaakt te stemmen. Dus heb ik erop toegezien dat de burgemeester van de desbetreffende plaats een stembureau in de inrichting plaatste. Niet toerekeningsvatbaar, kom nou toch. Je moest ze de kost geven, de mensen die buiten die inrichting mogen stemmen! Het opnemen voor zwakkeren, dat is toch de taak van iedere politicus, of zou het moeten zijn.'
Wanneer wist u dat u politicus wilde worden?
'Het is natuurlijk onzin te zeggen dat het me is overkomen. Ik ambieerde het wel degelijk. Mijn vader was schoenmaker, op zijn elfde overleed zijn vader, mijn grootvader, en moest hij voor het geld zorgen. Hij was zeer ontwikkeld, allemaal zelfstudie, las tot in de avonduren, bij kaarslicht. Ook zeer geïnteresseerd in politiek. Op een dag in '37 kwam Colijn naar Dordt. Nou, dat wilde ik meemaken. Mocht ik mee met mijn vader. (Aantjes buigt zich naar ons toe) Colijn, om die man te zien opkomen, dat hij echt bestond. We kenden zijn stem van de radio, zijn foto van in de krant. Maar in het echt. En hij zei iets wat me altijd is bijgebleven: "Als ik van rechts de kritiek krijg dat ik te links zit, en van links dat ik te rechts koers, dan denk ik dat ik wel aardig goed in het rechtvaardige midden zal zitten." Toen we terugfietsten en mijn vader me vroeg wat ik ervan vond, zei ik: "Pa, ik vond het indrukwekkend, maar wat Colijn daar zei, is dat nou christelijke politiek?" Het nadenken over politiek en idealen zat er al vroeg in.'
In uw beroemde Bergrede uit 1975 ziet u in Mattheüs 25 de kerndoelen van de christenpolitiek beschreven: 'hongerigen voeden, dorstigen te drinken geven, vreemdelingen huisvesten, naakten kleden, zieken en gevangenen bezoeken.'
'Dat is nou 36 jaar geleden en mensen herinneren het zich nog. Dat is niet goed. Het betekent dat hoe het is nog altijd niet in overeenstemming is met hoe het zou moeten zijn. Dat ideaal kunnen we niet bereiken, dat weet ik ook wel. Maar het streven! Het evangelie is het richtsnoer van de partij, dan mag je er toch naar streven dat het duidelijk is wat je motieven zijn, en waar die vandaan komen? Dat is toch niet te veel gevraagd?'
Het ideaal van vreemdelingen huisvesten is wel wrang, gezien de gedoogconstructie met de PVV.
'Ik wil best mild zijn. Maar het minste wat ik wil horen is dat er binnen de partij onvrede is, dat je meer zou willen doen, honger naar verbetering. Elk streven naar een betere samenleving lijkt te zijn vervangen door juridische regels. Regels zijn natuurlijk nodig, maar je moet je bij iedere regel afvragen wat de gevolgen zijn voor de direct betrokkenen. Democratie houdt toch niet in dat wanneer de meerderheid iets heeft besloten, de minderheid maar moet zwijgen! De meerderheid moet proberen de minderheid erbij te houden, te overtuigen. Dat is het onderscheid tussen formele en morele democratie. Morele democratie houdt in dat de meerderheid bereid is zich in te spannen voor de minderheid. Dat besef is er gewoonweg niet. Heel kwetsend.'
In een interview in 1975 stelde u dat de bijbel u leerde pessimistischer over de mens te denken.
'Dat pessimisme wordt ook iedere dag bevestigd. Geneigd tot alle kwaad gaat me te ver, maar wel tot weinig goeds, en veel kwaads. Ik blijf toch een orthodoxe jongen. Wat kan men in zo'n cultuur, waarin het volgen van de leider traditioneel de uitkomst is van iedere vraag? Wat kun je als die vanzelfsprekendheid wegvalt, en de leiders niet geschikt blijken voor de taak? Dan heb je alleen jezelf nog. Je eigen normen en waarden, je eigen criteria, die moeten ervoor zorgen dat je bent opgewassen tegen de machinaties van alledag. (na een adempauze:) Begrijpen jullie?'

DE TWEEDE AFSPRAAK. Zijn vrouw is vandaag niet thuis, Aantjes biedt ons zelf koffie aan. Hij heeft een wat mechanische tred. Zijn voeten lijken zichzelf omhoog te tillen en weer naar beneden te duwen, alsof zijn nieuwe heupen de rest van zijn lichaam aansturen. De boekenkasten staan vol met boeken over politiek, biografieën, autobiografieën, tientallen jaren aan politieke jaarboeken: het huis van een politicus in exil. Op de salontafel ligt een opinieweekblad dat wij hebben meegenomen. Aantjes staat erin, en een artikel over W.F. Hermans en diens aanmelding bij de Kultuurkamer. Aantjes haalt de schouders op: 'Dat was toch allemaal al bekend?' Hij zet de koffie voor ons neer. We vragen niets. 'De oorlog, ik kan er niet over uit hoezeer die mijn generatie heeft beïnvloed. En dan heb ik het niet over feiten of gebeurtenissen, na verloop van jaren worden die diffuus, ze vervagen, maar je perspectief op de samenleving, de wereld misschien wel. Aan de andere kant: misschien verandert je wereldbeeld sowieso sterk al naar gelang je ouder wordt.'
Hoe bedoelt u?
'Neem het idee van "principes". Waar ik vandaan kom werd uit alle macht vastgehouden aan dogma's en principes. Wat voor onze vaders principieel juist was, moest dat voor ons ook zijn. De christelijke logica. Dat is de grote verleiding van de christelijke politiek, nu nog te vinden bij de SGP, maar vroeger bij de AR was het niet anders.
Alleen, zo werkt politiek niet. Situaties en omstandigheden veranderen, iedere dag moet je als politicus opnieuw uitvinden tot welke conclusies je principes leiden. Op het ene moment van de dag staat de zon zo dat de schaduw op een bepaalde manier valt, maar op het andere moment valt hij compleet anders. Dat is geen verloochening van je verleden, maar een andere projectie van je beginsel.
Compromis is een eerbare zaak, en staat tegenwoordig volledig ten onrechte in een slechte reuk. Het compromis verdient politiek eerherstel: het is de enige manier waarop je in de praktijk iets kunt uitrichten. Maar er wordt zo op neergekeken hè, zeker waar ik vandaan kom. Alsof het het tegenovergestelde van "geweten" is, een schoon geweten is voor de christen het hoogst haalbare. Ik heb ze wel eens gehad in mijn fractie, toen we spraken over de abortuswetgeving, mensen die zeiden: "Dat verbiedt mijn geweten." Ja, dan werd ik goed kwaad. Politieke beslissingen moet je kunnen verantwoorden. Een ander moet ze kunnen narekenen. Het geweten is geen excuus voor een gebrek aan argumenten. Een geweten dient wel ergens voor, zeker, maar dan 's avonds, als je in de spiegel kijkt, en je afweegt wat de goede en verkeerde beslissingen van de dag zijn geweest - in de slaapkamer, niet in de politiek.'

BENT U WEL eens in gewetensnood gekomen over politieke beslissingen?
'Dat heeft iedere politicus gehad, anders is het een heel slechte.'
En welke rol speelde uw geweten in oorlogstijd?
(aarzeling) 'Of je dat "geweten" moet noemen weet ik niet. Als je alle beslissingen in oorlogstijd gewetensvraagstukken noemt, maak je het zo zwaar. Een zwaarte die onterecht is, omdat hij toentertijd op de achtergrond lag. In een oorlog zijn geen twee situaties gelijk. Er was geen vergelijkingsmateriaal. Wist ik op het gymnasium al niet hoe de dingen werkten, in de oorlog was ik helemaal op mezelf aangewezen. De individuele, dagelijkse beslissingen kon je alleen nemen als je niet te veel nadacht over concepten als "geweten".
Natuurlijk, er zijn dingen... (wederom een aarzeling, nu langer) Kijk, ik verwijt Loe de Jong niet wat hij mij heeft aangedaan... Nou ja, het is ongehoord hoe zijn ijdelheid ermee op de loop is gegaan. Aan de andere kant: ik snap de man wel. Hij dacht ineens over een blauwdruk te beschikken, een model op basis van objectieve criteria waar iemand wel of niet aan voldeed. De Jong miskende de dagelijkse werkelijkheid van de oorlog, waarin je iedere dag weer je weg moest vinden, totaal. Ik heb een heleboel dingen gedaan waarvan ik me toen afvroeg: kan ik dit maken of niet?'
Wat bijvoorbeeld?
'O, toen ik in '43 op het plaatselijke postkantoor moest komen om te horen dat ik zou worden uitgeleend aan de Duitse posterijen bijvoorbeeld. Mijn bovengeschikte legde me de keuze voor: of jij gaat, een vrijgezel, of iemand met een gezin. Ik was niet opgepakt, ik werd niet gedwongen, de keuze was aan mij.
Misschien had ik het, achteraf bezien, niet moeten doen. Maar ik wilde niet dat een ander ervoor opdraaide. Mijn vader was zeer teleurgesteld toen hij hoorde dat ik daadwerkelijk in Duitsland zat. Hij dacht dat ik wel ergens van de trein zou stappen, ertussenuit zou knijpen.'
U was als postbode in Duitsland onder meer belast met het langsbrengen van zogenaamde 'Gefallenenbriefe'.
'Ik zat in Güstrow, een middelgrote stad in de streek Mecklenburg. Ik had vijf dorpjes op mijn route. Tegen die tijd, tussen '43 en '44, was Stalingrad al geweest, in juni '44 vond Normandië plaats, en als postbode merkte ik dat. Steeds meer Duitse soldaten, ook met familie in mijn streek, sneuvelden. Nu had ik daar weinig problemen mee, hoe meer er stierven, hoe eerder wij bevrijd konden worden, ik naar huis kon en al die ellende voorbij was.
Maar tegelijkertijd was ik degene die dit nieuws moest overbrengen aan de familieleden. Dan kwam ik daar langs en verdrongen vrouw, kinderen en moeder zich bij de deur, vragend of ik bericht had van het front. Ik kon het niet over mijn hart verkrijgen om ze te vertellen wat ik al wist: dat degene van wie ze post verwachtten, dood was. Ik stopte die brieven weg, totdat de familie officieel bericht had gekregen. En zo'n weduwe zei dan ook nog, met tranen in haar ogen: "Aber gefallen für Führer, Volk und Vaterland!" Dat is toch verschrikkelijk. Die dubbelheid was me te zwaar. Ik moest daar weg. Ik moest terug naar Nederland.
De Jong zei later: "Hij had toch op de trein terug kunnen stappen?" Nou, dat kon dus niet. Er was veel politie, er waren strenge grenscontroles, nee, de enige manier om snel terug in Nederland te komen was via de weg die ik gekozen heb: aanmelding bij de Germaanse SS. En als ik dan in Nederland was, zo dacht ik, dan bel ik aan bij een of andere gereformeerde pastorie. Maar de Duitsers vertrouwden het voor geen cent en stelden mij voor de keuze: "Of je hebt ons geprobeerd te flessen, of je meent het, die aanmelding van je, en dan moet je er wat voor doen ook: morgen aanmelden bij de Waffen-SS."
Drie weken hebben ze mij onder druk gezet, maar die ene stap, nee, die weigerde ik. Toen ik op een avond werd opgehaald, dacht ik dat het mijn einde was. En ik had er vrede mee, kun je het je indenken? Maar ze reden me naar de detentiefaciliteit in Assen: Port Natal, waar ik tot het einde van de oorlog heb gezeten.
(hij begint zachter te praten. Het afwegen van ieder woord wordt minder) Bij gebrek aan enige blauwdruk hield ik bij dit soort vraagstukken voortdurend vast aan mijn eigen criteria, me afvragend of ik mijn volgende stap ten opzichte van mijzelf en anderen kon verantwoorden. Ten eerste: berokken ik de goede zaak schade? Nou, nee. Ten tweede: bevorder ik de kwade zaak? Ook niet het geval. En als laatste: als er risico's zijn, wie draagt die dan? Zonder twijfel alleen ik, en die risico's zijn niet gering geweest. Maar goed, De Jong dacht dat hij wel over een objectief model beschikte.'
U HEEFT veel begrip voor De Jong. Maar tegelijkertijd zegt u dat De Jong de oorlog, de kern ervan, de dagelijkse kant, fundamenteel niet begreep.
'Ik vind het heel moeilijk om kwaad te zijn op Loe de Jong. Met zijn familiegeschiedenis, maar ook zijn statuur, zijn naam, ik vond hem een geweldige figuur. Die boeken had ik ook allemaal. Wat ik hem wel kwalijk neem is dat hij zo weinig zelfkritisch geweest is. Dan vond hij ergens een getuige, en nog eentje, zonder deze goed te bevragen of hun antwoorden te controleren. Gewoon blindheid was het. Na al zijn boeken, al zijn werk, moest ik de diamant op zijn kroon worden. Ik kan het allemaal begrijpen. (hij wacht even) Het ergste vond ik dat hij bij de uitzending van Het zwarte schaap (televisieprogramma van de Vara, 2001 - red.) zijn assistent Van der Leeuw liet opdraven in zijn plaats. Die droeg geen verantwoordelijkheid, en had dus ook niet het gezag om excuses te maken. En dan ook nog achteraf klagen dat Van der Leeuw het niet goed had gedaan! Ja, dan val je ook karakterologisch door de mand. Dat vond ik heel erg. Ik had graag nog eens een gesprek gehad met die man. Maar goed. Ik zit hier niet bij de psychiater.'
Waarom zou bij de psychiater zitten iets slechts zijn?
(de lach van Aantjes: het ontbloten van zijn tanden) 'Dat is ook zo. Ja, jammer dat ik dat nooit gedaan heb. Als ik het gevoel niet gehad had dat je een defect moest hebben wilde je op zo'n bank plaatsnemen, dan had ik het toentertijd zeker gedaan.'
U zou het toch alsnog kunnen doen?
(hij leunt achterover in zijn stoel) 'Ha, dan zou de behandeling halverwege moeten worden stopgezet omdat ik dood ben neergevallen. Nee, daar is het nu te laat voor. Zoiets haalt je ook helemaal overhoop, dat moet je niet onderschatten. Dat is zwaar voor jezelf, voor je omgeving, nee, dat doe ik nu niet meer.'
Wat zou het bij u overhoop hebben gehaald?
'Dat weet ik niet. Volgens mij ben ik een tamelijk rationeel mens. Het sterven van mijn kleindochter, mijn twee zoons die hun nieren delen, daar verander je niks aan door er met iemand over te praten. Maar mijn onbewuste, daar heb ik weinig inzicht in. Het dwingende godsbeeld waarmee ik ben opgegroeid, de donkere dreiging van Het Oordeel, dat is echt in mijn karakter gaan zitten, dat zit zo diep. Je leven dat langs een meetlat wordt gelegd, de meetlat van iemand die het écht allemaal doorziet, dat ziet er toch niet best uit. En de oorlog. Natuurlijk zou het ook veel over de oorlog gaan. Aan de andere kant: voor sommige dingen zijn nu eenmaal geen woorden voorradig.'

EEN DEEL van de verontwaardiging in '78 ging niet zozeer om wat u wel had gedaan, maar om wat u niet had gezegd.
'Ik heb me altijd voor ogen gehouden: ook al is het verhaal van De Jong op vrijwel niets gebaseerd, ik heb hem wel de kans gegeven. Ik had het allemaal kunnen voorkomen. Maar ik verwachtte niet, oprecht niet, dat er zo'n grote onthulling van gemaakt zou kunnen worden. Er waren genoeg mensen die wisten wat ik wel had gedaan en wat niet. Als je na de oorlog ambtenaar wilde worden, moest je eerst voor een zuiveringscommissie verschijnen. Dat heb ik gedaan. Die commissie beschikte toen al over alle informatie, ook over de informatie die De Jong later als primeur zou brengen. Ik kreeg eervol ontslag bij het postkantoor, zodat ik kon gaan studeren. Toen was de kous voor mij af.
De fout die ik gemaakt heb is niet dat ik het niet verteld heb, degenen die ermee te maken hebben wisten het, ook binnen de partij. Het hele Nederlandse volk was toch mijn biechtvader niet! Wat ik me toen echter nog niet realiseerde is dat wanneer je verder komt in de politiek, steeds een treetje hoger, met meer verantwoordelijkheid, er steeds meer gewicht komt te liggen op wat je niet hebt verteld. Op vroeger. Dan heet het plots verzwijgen. Ik heb dat gevaar niet tijdig ingezien. Ik denderde gewoon door.
Onbewust wist ik natuurlijk welke associaties die twee letters teweegbrachten. Voor een buitenstaander die geen boodschap had aan het hele verhaal waren de letters "SS" genoeg. Zeker in de tijd van De Jong; de Drie van Breda en de affaire-Menten waren net achter de rug. Als ik toen die letters had laten vallen, dan was het gedaan geweest, dan was ik bij voorbaat veroordeeld. Ook al waren de feiten dat het ging om de Germaanse SS, niet de Waffen-SS en dat ik nooit lid ben geweest.'
Maakt het lidmaatschap echt wat uit? Voor veel mensen gaat het ook, of vooral, om de intentie. Wat als u wel degelijk lid zou zijn geworden?
'Ja, dat vind ik moeilijk om te zeggen. Mijn intentie was in ieder geval: zo snel mogelijk terug naar huis.'
Met Kerst 1945 schreef u aan uw vriend Benus in een brief: 'Velen zijn er geweest die nooit teruggekomen zijn en ik vraag mij af wat ons onderscheidt van diegenen die niet teruggekomen zijn en die zich voor de goede zaak volledig hebben ingezet, terwijl wij vaak zo lafhartig zijn geweest. Zij verstonden hun taak, waar wij hebben gedwaald. Toch werd hun leven afgenomen, en wij leven nog.'
'"Lafhartig" vind ik een wel erg gereformeerd woord. Maar echt iets gedaan, waartoe je als patriot eigenlijk verplicht bent, nee, dat heb ik niet. Af en toe kon dat me wel bij de keel grijpen. Ik heb het beste van mijn situatie gemaakt, daar geloof ik heilig in, maar ik ben wel zelf in die situatie terechtgekomen. Daar is weinig dappers aan. En dat valt des te meer op wanneer het gehele Nederlandse volk ineens dapper geweest blijkt te zijn.'
Heeft u zich wel eens chantabel gevoeld?
'Nee, nooit. Daar zou ik nooit voor gezwicht zijn. Er zijn grenzen, hoor.'
Maar als u die letters aan het begin van uw carrière had laten vallen, had u wellicht geen politicus meer kunnen worden.
'Dat is onjuist. De mensen die erover gingen, de leden van de zuiveringscommissie, zagen het probleem niet. Van die "als"-vragen, die stel ik mijzelf niet, niet meer in ieder geval. Zinloos. Ik ben niemand iets verschuldigd.' Aantjes staat op en kijkt naar buiten, naar de regenlucht. 'Dat laatste oordeel... De grote angst daarover ben ik kwijt. Dat strenge heb ik afgeschud.' Hij praat zacht, meer tegen zichzelf dan tegen ons. Weer die glimlach. 'En toch hè... Je weet nooit.'

 

Het decennium
Tien gesprekken, met tien deelnemers, elk geboren in een ander decennium. Te beginnen bij de jaren nul van de vorige eeuw. Voor De Groene Amsterdammer gaan Daan Heerma van Voss en Daniël van der Meer de komende periode in op belangrijke gebeurtenissen, het afgelopen decennium en het werk van de geïnterviewden.

Wachtwoord toesturen Problemen met inloggen?