De Groene Amsterdammer

Sluiten

Ik wil niet getroost worden

Jeroen Mettes, Nagelaten werk, € 29,90 Jeroen Mettes ergerde zich intens aan het niveau van de Nederlandstalige poëzie en het gebrek aan debat daarover. Het gedicht als consumptieartikel, daar gruwde hij van. Een man met een poëzieverlangen van de bovenste plank.

door KEES 'T HART

Op maandagmiddag 15 juni verzamelde zich in de lunchroom van de Hema in Den Haag een kleine groep Nederlandstalige dichters, plus familie en vrienden van Jeroen Mettes (1978- 2006). Uitgeverij De Wereldbibliotheek presenteerde hier het tweedelige Nagelaten werk van deze veel te jong gestorven essayist, dichter en schrijver van de weblog Poëzienotities. Mettes schudde vanaf 2005 tot een paar dagen voor zijn dood met zijn weblog de kleine Nederlandstalige poëziescene van avant-gardedichters ( ja, ze bestaan echt) danig door elkaar met messcherpe analyses, vrolijke bespiegelingen en wetenschappelijke verhandelingen van en over poëzie. Zijn stem begon langzamerhand door te dringen tot een wat grotere groep poëzieliefhebbers. Hij woonde in Den Haag, zat vaak in de Hema te lezen en aantekeningen te maken, werkte aan een proefschrift over de poëtica van de Duitse schrijver en literatuurgeleerde Friedrich Schlegel (1792-1822), was medewerker van het literatuurblad Parmentier, trad eind 2005 toe tot de redactie van het Vlaamse blad yang (het heet nu nY) en publiceerde nog tijdens zijn leven een paar intense essays over de stand van zaken in de Nederlandstalige poëzie. Op 21 september 2006 koos hij voor de dood. En nu is er dit Nagelaten werk. Een mijlpaal. Verplichte stof voor dichters en lezers.
Jeroen Mettes probeerde het in zijn ogen lage niveau van het debat over poëzie in Nederland te ontstijgen. Hij speelde meestal niet op de man, hij analyseerde, betoogde, argumenteerde, kraakte en stak de loftrompet. Hij was trots op zijn grote belezenheid, zijn academische vorming, trots op zijn kennis van de Franse en Duitse filosofie, waar hij rond voor uitkwam, en hij was kwaad als men hem 'moeilijk' noemde. Hij vooronderstelde bij zijn lezers kennis van het internationale academische debat over poëzie en nam geen genoegen met wat in Nederland volgens hem meestal voor een poëziedebat doorgaat: ironisch geschmier verpakt in journalistieke luiheid, die iedere academische arbeid aanziet voor 'hol geklets in de ruimte' en meningen verwart met argumentatie.
Mettes ergerde zich intens aan het niveau van de Nederlandstalige poëzie en het daarmee samenhangende gebrek aan een poëticaal debat erover. Gelezen wordt ze volgens hem niet meer en dat heeft vooral met de inzet ervan te maken, het geloof erin. 'Ik durf te wedden', schreef hij op zijn weblog, 'dat de Sonnetten van Shakespeare nu meer lezers hebben dan in de Renaissance'. Poëzie laat zich volgens hem langzamerhand, door luiheid en onbenul van veel makers en de laat-maar-waaien-mentaliteit van de kritiek, terugdringen tot de allerkleinste marges van de literatuur. Ze zoekt haar bestaansrecht meer en meer in de vertolking van prettige en troostrijke gevoelens. Poëzie is verworden tot amusement en levensbegeleiding, hij noemt het 'kleinkunstpoëzie'. Hij pleitte voor een heroverweging van het begrip Schoonheid dat tegenwoordig alleen nog functioneert als schaamlap voor een mening over smaak. 'Alles is goed, als het maar mooi is. En "mooi" is een ander woord voor dat je geen smaak hebt.' Voor hem moet Schoonheid geen vrijblijvend woord zijn voor een prettig gevoel dat je van een gedicht kunt krijgen, maar een begrip in een poëticale strijd. 'In de premoderniteit verwees een dergelijk oordeel (over iets wat 'mooi' is - kth) naar een idee over schoonheid, naar een poëtica. Nu verwijst het vooral naar affect en effect; eigenlijk staat er: "Dit is een prettig gedicht. Het raakt me. Het is lekker. Ik ben er blij mee." Het gedicht als consumptieartikel.'
Mettes ging uitvoerig in op het al jaren heersende idee in de kritiek dat alle soorten poëzie naast elkaar moeten (en mogen) bestaan, dat er geen debat meer hoeft te zijn over poëticale keuzes. Hij pleitte voor principiële bevooroordeeldheid van de kritiek, voor stellingname vooraf. 'Nee, ik geloof niet in "de huidige veelzijdige werkelijkheid" als iets dat gecelebreerd zou moeten worden. Ik geloof niet in de diversiteit van de supermarkt (...) Elk oordeel vooronderstelt een vooroordeel. In de rechtspraak is dit de Wet. Een rechter oordeelt op basis van een Wet. Een rechtvaardig oordeel neemt ook de specificiteit van het geval in overweging (...) maar zonder Wet is het oordeel volkomen arbitrair (...) Natuurlijk is een objectief oordeel over poëzie onmogelijk. Maar elk serieus oordeel beroept zich op een poëzieopvatting waarvan de criticus (bewust of onbewust) gelooft dat zij universeel geldig zou moeten zijn. Jawel. Leve de Wet. Geen tolerantie voor de vijanden van de poëzie.'
Met dit soort betogen - Mettes is altijd inspirerend en vaak geestig - haalde hij me uit mijn poëticale winterslaap. Hij haalt poëzie met kracht van argumenten weg uit het gebied van de troost en de levensbegeleiding. Ergens schrijft hij het in hoofdletters: IK WIL NIET GETROOST WORDEN. En elders staat het als volgt: 'Poëzie is simpelweg dat wat in een gedicht niet te reduceren is tot tekst, vorm of inhoud. Poëzie bestaat bij de gratie van de lezer die zegt: "Ja, dit is poëzie", dat wil zeggen niet zomaar een gedicht over iemands dode moeder, over Bach, "poëzie", hoe dan ook, niet zomaar een gedicht. Ik hoop poëzie in die zin te ontdekken. En misschien een Nederland onder zoveel gedichten zoveel taal, zoveel land, dat uit die hoeveelheid breekt met een kleine zwarte knal: (niet zomaar) een gedicht. (En wellicht daartussen iets daartussen.)'
Mettes schreef tastend over poëzie, je ziet het in bovenstaand citaat, hij verwierp theorievorming die poëzie probeert terug te brengen tot een hanteerbaar schema van elkaar opvolgende tradities die hun eigen logica achteraf rationaliseren. Hij werkte daarom, in navolging van Friedrich Schlegel, vooral met fragmentarische opmerkingen, geen afrondingen, altijd omcirkelingen, die niet op zoek waren naar kernen. Poëzie is in zijn ogen niet reduceerbaar tot een samenvatting, een interpretatie, een geloofsovertuiging, poëzie is ja zeggen tegen poëzie. Meer niet, maar tegelijk is dat meer dan genoeg. Zijn werk bestond eruit dit 'ja zeggen' tegen poëzie van een poëticale grond te voorzien, het te verankeren in de wereld, hoe paradoxaal dat ook moge klinken. Vandaar ook zijn pleidooien voor 'pure poëzie', die hij tot zijn spijt zelden in de Nederlandstalige letteren aantrof. Pure poëzie kan bij hem alleen maar 'politieke poëzie' zijn. 'Politieke poëzie wil zeggen: een poëzie die durft na te denken over zichzelf, over haar taal en over haar wereld en over de problematische verhouding tussen die twee, die deze verhouding als probleem is.' En hij formuleert het ook aldus: 'Politieke poëzie - pure poëzie - moet problematisch zijn, en niet op een maniëristische manier. Ja, haar probleem is op de eerste plaats háár probleem - het bestaan van poëzie in dezelfde wereld als het dagblad - maar tegelijk ook altijd het probleem van iedereen (het probleem van een wereld überhaupt).'
Natuurlijk is het meer dan tragisch dat hij zichzelf geen tijd heeft gegund dit soort ideeën - zijn Nagelaten werk barst van de ideeën - uit te werken. Zijn opmerkingen over het niveau van de poëzie en de poëziekritiek zijn bijvoorbeeld nog te weinig uitgewerkt. Er wordt tegenwoordig op internet en zelfs in de dag- en weekbladpers heel wat over poëzie geschreven, zou het allemaal onzin zijn? Maar hoe dan ook, zijn werk maakte me klaarwakker: poëzie troost dus niet, nooit, poëzie bevrijdt niet, ze bemoeit zich niet, poëzie engageert zich alleen met poëzie, nooit met mij, poëzie verlangt alleen naar poëzie, nooit naar mij of mijn geliefde, poëzie is de geliefde, poëzie is ja zeggen tegen poëzie. Meer niet. Poëzie is dus alles. Je kunt dit pathetisch noemen, of zelfs romantisch of mystiek, maar bij Mettes is het dwingend en vanzelfsprekend. Dit heeft te maken met de toon van zijn werk: het vanzelfsprekend enthousiaste ervan, soms ook het boosaardige en het onredelijke en dan weer het geestige en bezielde. Hij schrijft als een heilige beginneling en bekeerling, altijd ongegeneerd, verlangend, soms doortrapt, soms in raadselen, dan weer zo helder als glas. Dit is poëzieverlangen van de bovenste plank.
Je kunt je gelukkig vaak genoeg ook ergeren aan zijn eigenwijsheid en zijn inconsistenties, maar die horen erbij. Wat hij bij de ene dichter goed vindt, is vaak bij de andere ineens verwerpelijk. Maar hij overtuigt altijd omdat hij weet dat het inconsistente tot het poëtische behoort. Mettes' werk maakte het voor mij mogelijk poëzie en mijn verlangen ernaar opnieuw te overdenken, letterlijk te herdenken. Dit werk, hoe onuitgewerkt en tastend het ook is, schept mogelijkheden en biedt vergezichten. Ik kreeg bij lezing voortdurend het idee dat ik zo snel mogelijk aan de slag moet. Dat het nog niet te laat is, en vooral dat ik me nergens meer voor hoef te schamen of mag schamen wanneer het om poëzie gaat.
'Alles wat afschuwelijk is', schrijft Mettes op zijn weblog dat in deel 1 volledig is afgedrukt, 'ik bedoel hier, of aan dit land, is me altijd voorgekomen als gesublimeerd in deze poëzie. Albert Verwey: "En in deze zwakke volksaard hebben onze dichters gedeeld."' En verderop schrijft hij: 'Een traditie wurg je alleen door op haar naakte, slapende lijf te gaan zitten (want zelfs slapend droomt ze jouw dromen), zodat ze geen kant op kan (...) En ik haat het idee van het "recente", de eeuwige terugkeer van het recente, en in het bijzonder het journalistiek genre dat zich op dit genre baseert. Maar haat kan productief zijn. We moeten bidden op onze knieën voor een waardige vijand, aldus Zarathoestra.'
Mettes liet het niet bij kritiek. De grootste verrassing van dit Nagelaten werk is het gigantische gedicht N30+ waaraan hij vanaf 2000 werkte en dat in deel 2 is opgenomen. Wat een schitterend gedicht! Het ziet eruit als proza, maar is een weergaloos gedicht waarin hij probeerde zijn poëtica van de pure poëzie zichtbaar te maken, ik moet het anders zeggen, voelbaar te maken. Het kreeg als ondertitel mee: 'nieuwe zinnen'. Samuel Vriezen, componist en dichter en belangrijk woordvoerder van de huidige avant-gardepoëzie, vergeleek in zijn toespraak in de Hema dit gedicht terecht met een ander groot gedicht dat ineens onze literatuur binnenkwam. Mei van Gorter. N30+ heeft dezelfde grootse opzet en ongegeneerde toon, dezelfde dwingende aanwezigheid en grote filosofische greep. Het is verbazingwekkend, ontroerend en verbijsterend, het maakt het bekende, net als in Mei, ineens onbekend en ontregeld, het brengt de wereld dichterbij, het geeft er geen betekenis aan, dit gedicht is de wereld. Een litanie en een utopie bij elkaar. Het bestaat volledig uit 'botsende zinnen', zinnen die 'uit de wereld genomen zijn en daarna opnieuw gerangschikt', om het in de woorden van Vriezen te zeggen. Ze zijn gehoord, op straat, in de bus, bij familiefeestjes, ze zijn gelezen, in kranten, boeken, reclamefolders. Mettes zette ze tegen elkaar aan en bracht ze op die manier opnieuw de wereld binnen, gaf ze de wereld als poëzie terug. Waarbij af en toe autobiografische elementen zich onmiskenbaar naar voren werken. Eruit citeren kan en mag niet, dit gedicht verzet zich tegen citeren omdat ieder citaat het terugbrengt tot een samenvatbaar betoog. En de samenvatting is de vijand van de poëzie.
'Waar een zin is, is altijd een wereld', schrijft Mettes in enkele toelichtende stellingen. 'En waar zinnen met elkaar botsen vindt zoiets plaats als een tekstuele burgeroorlog. Het gaat er niet om wat dan ook te "ondermijnen", of om de woedende wereldburgeroorlog te beschrijven, maar sociaal (of zelfs: ontologisch) antagonisme - met al zijn catastrofale en utopische mogelijkheden - te schrijven.'
Dit artikel, ten slotte, is een herdenking. Bij de voorbereiding ervan haalde ik een paar weken geleden uit de Openbare Bibliotheek in Den Haag de tweedelige werken van Friedrich Schlegel. Thuis viel uit een van de boeken een leenbonnetje dat de vorige lener blijkbaar erin had laten zitten. Ik wilde het weggooien maar keek er toch even naar, waarom weet ik niet. En daar stond het. Naam: METTES J.G., datum 30-8-2004, retourdatum 20-09-2004. 'Werke in zwei Bänden.' Ik heb het bewaard.

 

Wachtwoord toesturen Problemen met inloggen?