De Groene Amsterdammer

Exclusief

De Groene Amsterdammer jaargang 2014 nummer 34

Iedereen

Opheffer  

Kabouters

door Opheffer

Nadat Theo van Gogh was vermoord, wilden de media weten wat de grenzen van de vrijheid van meningsuiting waren. Het antwoord luidde: ‘De grens trek ik bij geweld.’ Verder mocht men alles zeggen. Zo’n vier jaar heb ik dit standpunt verdedigd, en ik raak er steeds verder van weg.
Al na de eerste keer dat ik dit standpunt had verdedigd – op de televisie bij Barend & Van Dorp – vond ik iets vreemds aan deze regel zitten. Waarom mocht je eigenlijk niet oproepen tot geweld? Als dat geweld nou nodig was? Bijvoorbeeld als je vindt dat onze democratisch tot stand gekomen spelregels door anderen met geweld worden overtreden. We doen het wel voor minder. In Irak en in Afghanistan riep – de bewoordingen doen hier niet ter zake – de regering al op tot geweld.
Waarom was ik er niet domweg voor om elke opinie vrij de wereld in te sturen? Ook een opinie die oproept tot geweld? Ik probeerde dat standpunt uit op vrienden en ik merkte dat ik soms moest slikken. Mocht iemand dus domweg discrimineren en de opinie hebben dat joden niet deugen, negers te dom zijn en dat gaskamers een heil voor de mensheid zijn? ‘Ja’, zei ik dan. Maar niet zonder een ‘slecht gevoel’.
Ik moest dat ‘slechte gevoel’ eens analyseren.
Ondertussen bleef ik maar veilig roepen dat de grens van de vrijheid van meningsuiting lag bij het oproepen tot geweld. Maar... daar had ik dus ook een slecht gevoel over.
Een ‘slecht gevoel’ dat is – bij ethische kwesties – bijna altijd schuldgevoel. Ons empathisch vermogen zorgt ervoor dat we ons kunnen inleven in de ander en daarom menen we met enig recht over die ander te kunnen oordelen; we weten wanneer en waarom we hem pijn doen – we kunnen het navoelen. Maar dat navoelen is schijn.
‘Weet u wel hoeveel pijn u mij doet als u de islam beledigt’, hoorde ik iedere keer weer als ik debatteerde.
‘Eigenlijk niet’, zei ik.
‘Dat bedoel ik’, zei mijn opponent dan, ‘u kunt het zich niet voorstellen, hoe kunt u dan oordelen?’
‘Ik kan me wel voorstellen dat u pijn hebt, maar ik weet niet waarom en waardoor. Als er mensen zijn die zeggen dat ik ze pijn doe omdat ik hun geloof in kabouters bespot, dan begrijp ik dat ook niet echt. U wel?’
‘U vergelijkt de islam nu met het geloof in kabouters?’
‘Ja... voor mij is dat gelijk.’
‘Dat is zeer beledigend. Ik zou bijna willen vragen of mijnheer Opheffer de zaal wil verlaten.’ Dit is ECHT GEBEURD!
En – het zal ongetwijfeld mijn vooroordeel zijn – het waren altijd linkse moralisten die mij vroegen mijn toon te matigen. Het waren linksen die zeiden dat ik fascistoïde uitspraken over de islam deed. (Ik vond dat zeer frustrerend, omdat ik juist betoogde dat de islam het nieuwe fascisme was.)
Hoe dan ook: ik merkte dat (komt mijn vooroordeel weer, het spijt me) juist linkse denkers helemaal niet voor een totale vrijheid van mening waren. ‘Het kan niet zo zijn’, zo begon de zin vaak, ‘dat de vrijheid van mening bedoeld is om mensen te beledigen.’ Dat is nog maar de vraag, aangezien het heel moeilijk is vast te stellen wie door wat wordt beledigd.
Als ik ergens heb gemerkt, als voormalig linksist, dat er een linkse kerk is, dan is het bij die debatten die ik heb gevoerd. Ik merkte dat ik zelfs niet durfde te zeggen wat ik werkelijk dacht, namelijk dat je alles moest kunnen debiteren. En toch ging ik daar steeds meer naartoe.
Wat was er eigenlijk erg aan het oproepen tot geweld? En, hoe zat het dan als ik riep: ‘Ik ben van mening dat Van Gogh gedood moet worden.’ Moest dat ook maar gezegd kunnen worden?
Volgende week: waarom mijn antwoord ja is en ik mij schuldig voelde tegenover een vermoorde vriend.

Wachtwoord toesturen Problemen met inloggen?