De Groene Amsterdammer

Sluiten

Koude kunst

CLAUDIUS CLAUDIANUS
VERZAMELDE GEDICHTEN
Vertaald door M. d’Hane-Scheltema.
Athenaeum–Polak & Van Gennep, 340 blz., € 39,95

door PIET GERBRANDY

Voor wie zich bezighoudt met literatuur uit lang vervlogen tijden is het soms onverteerbaar dat er niets anders is dan de kale, zwijgzame tekst. De woorden verwijzen weliswaar naar een werkelijkheid die tot op zekere hoogte herkenbaar is, maar ze ademen niet. Van literaire teksten uit de klassieke Oudheid valt vaak moeilijk te bepalen wat precies hun toon is, zelfs als we enigszins zijn ingelicht over het sociale netwerk van de schrijver. Dat geldt bij uitstek voor literatuur met een conventioneel en retorisch karakter, zoals de lofdichten die Claudius Claudianus rond het jaar 400 schreef aan het hof van de West-Romeinse keizer Honorius.
Van huis uit een Griekstalige Egyptenaar, schmierde Claudianus in krap tien jaar een indrukwekkend oeuvre van Latijnse gedichten bij elkaar, veelal gewijd aan Stilicho, de generaal die het wankelende Rijk overeind trachtte te houden. Zelden zal een machthebber meer stroop om de mond gesmeerd zijn dan deze energieke Vandaal, die geen weerwoord had op de slopende invallen van de Visigoten. Als we Claudianus mogen geloven verenigde Stilicho de kwaliteiten van alle vroegere Romeinse veldheren in zijn persoon, terwijl zijn vijanden voorgesteld worden als rabiate barbaren of verwijfde Oosterlingen. Stilicho is de held die Rome in haar oude luister herstelt.
Doordat Claudianus in zijn lof altijd een paar stappen te ver gaat en in het belachelijk maken van Stilicho’s tegenstrevers niet terugdeinst voor vuile, maar ook voorspelbare satire, heeft zijn werk een artificieel karakter, waardoor je als lezer geen greep krijgt op wat de dichter werkelijk meent. De poëzie fonkelt en bruist, schatert en buldert, orakelt en roddelt, maar meer dan knapperig gebakken lucht lijkt het meestal niet te behelzen. Claudianus’ publiek moet dat beseft hebben, maar iedereen speelde het spel mee. De dichter kreeg een standbeeld op het Forum van Traianus, waarvan het voetstuk bewaard is gebleven. Ook de inscriptie daarop getuigt van de zelfoverschatting die dat tijdperk kennelijk eigen was, want de dichter wordt gehuldigd als de nieuwe Homeros én Vergilius.
Hella Haasse heeft in Een nieuwer testament (1966) geprobeerd de man achter de woorden terug te vinden, maar hoewel de dichter onder haar handen een overtuigende persoonlijkheid is geworden, blijft het natuurlijk speculatie. Ik vermoed dat Claudianus zelf ook geworsteld heeft met de ongenaakbaarheid van zijn talige constructies, die de kloppende aderen van hun maker aan het zicht onttrekken. We kennen maar liefst negen epigrammen van hem (twee ervan in het Grieks) waarin een stuk kristal wordt beschreven dat vloeibaar water bevat. De tekst maakt niet duidelijk of het gaat om een kunstvoorwerp, dan wel een geologische rariteit, maar dat Claudianus het een symbolische betekenis toekent is zonneklaar. ‘Jij water, dat jezelf bewaakt in eigen kerker,/ het water dat je was en dat je nu nog bent,/ welk inzicht bracht je samen? Welke koude kunst/ deed wonderlijke steen verstarren en vervloeien?’ (mijn vertaling – pg) De woorden ‘inzicht’ (ingenium) en ‘kunst’ (ars) zijn standaardbegrippen uit de antieke kunsttheorie. Het ligt voor de hand dat het raadselachtig object een symbool voor poëzie is: van buiten hard, koud en glanzend, van binnen warm en vloeiend.
Marietje d’Hane-Scheltema heeft nu een groot deel van Claudianus’ werk vertaald, en dat is een daad van rechtvaardigheid voor een dichter die tot in de achttiende eeuw nog als een van de groten gold. Zoals ze eerder deed bij Ovidius en Vergilius heeft de vertaalster de Latijnse hexameters omgezet in zevenvoetige jamben, wat het verhalende aspect van Claudianus’ zinnen alle ruimte geeft, maar afbreuk doet aan zijn compacte versificatie. Daar komt bij dat er bij het selecteren van gedichten vreemde keuzes zijn gemaakt. Zo ontbreken de inleidende, en voor de interpretatie vaak onontbeerlijke, drempelgedichten die voorafgaan aan de epische werken, evenals acht van de negen kristalgedichten, waarvan de poëticale betekenis de vertaalster is ontgaan. Merkwaardig is ook dat ze het onvoltooide epos over de schaking van Proserpina als niet meer dan een exercitie in intertekstuele virtuositeit beschouwt, waar modern onderzoek aannemelijk heeft gemaakt dat dit juist een van de meest ambitieuze projecten uit de Late Oudheid is. De strijd tussen de Hel en de Hemel, met als inzet de seksualiteit van een weerloos meisje, krijgt in De raptu Proserpinae kosmische proporties, waaraan de politieke en levensbeschouwelijke chaos van het tijdsgewricht zeker niet vreemd is.
Dat neemt niet weg dat de vertaling het een nieuwe generatie lezers mogelijk maakt in contact te komen met een fascinerend oeuvre uit een al even fascinerende periode. Een van de hoogtepunten is het hilarische gedicht over de eunuch Eutropius, die in Constantinopel tot consul werd benoemd: ‘Al zijn passie/ is goudzucht: die alleen bevestigt zijn verminkte lust./ Is ’t erg dat zijn orgaan is weggesneden? Ruwe hebzucht/ laat zich niet echt castreren.’ Het ligt er dik bovenop, maar het werkt wel.

Wachtwoord toesturen Problemen met inloggen?