De Groene Amsterdammer

Sluiten

Janja Bec-Neumann over de ‘racisten en lafaards’ van Dutchbat

‘Nederland heeft in Srebrenica gecollaboreerd’

Maandag begint het proces tegen Radovan Karadzic. Maar ook Karremans en Voorhoeve moeten voor de rechter, vindt hoogleraar genocidestudies dr. Janja Bec-Neumann. ‘De Nederlandse samenleving is ziek. Maar de vrouwen van Srebrenica staan klaar om te vergeven.’

door ROBERT DULMERS

‘Heeft u veel scholen bezocht’, vraagt Nefa me.
‘Ja, vele.’
‘Waarom heeft niemand ons gewaarschuwd?’
‘Ik weet het niet. Het staat niet in de boeken.’
‘Denkt u dat ze spijt hebben, medelijden met ons?’ (Janja Bec-Neumann, The Shattering of the Soul)
 
ZE WOONT TUSSEN de vluchtelingen van Srebrenica, boerenvrouwen als Nefa. Ze tekende hun verhalen op en het boek The Shattering of the Soul leverde haar een nominatie voor de Nobelprijs voor de vrede op. Een paar maanden per jaar doceert ze genocidestudies in Sarajevo, Hamburg en Bologna. Samen met VN-rapporteur Richard Goldstone en Luis Moreno Ocampo, de hoofdaanklager van het Internationaal Strafhof, organiseert ze seminars en congressen voor de nieuwe generatie aanklagers en strafpleiters van de tribunalen in Den Haag en zet zo volkerenmoord mondiaal op de kaart. Nu heeft Janja Bec-Neumann voor het eerst sinds jaren een week vakantie en zitten we aan de Adriatische kust in de zon. Ik heb tulpen meegebracht.
‘Nu het proces tegen Radovan Karadzic begint, komt het trauma van Srebrenica in alle hevigheid weer boven. De slachtoffers moeten ermee in het reine komen. De daders, het leger van de Republika Srpska, moeten ermee in het reine komen. De medeplichtigen – de Nederlanders – moeten ermee in het reine komen. De Nederlanders zijn medeplichtig aan de massamoord in Srebrenica: Dutchbat en de minister van Defensie, Joris Voorhoeve. De duizenden vluchtelingen op de Dutch Compound in Potocari geloofden in de bescherming van de Verenigde Naties, de Nederlandse troepen. Zij leverden door de afzettingen zesduizend mensen aan de Serviërs over. En daarna, toen ze de fabrieksloods ontruimden, scheidden ze de mannen van de vrouwen. Moet ik geloven dat ze dachten dat de mannen geëvacueerd werden en niet gedood? Dat is de bottom line. In tweede instantie zijn ook zij slachtoffers. Het is een Nederlands trauma, niet alleen het probleem van de nabestaanden. Dutchbatters stonden erbij en keken ernaar, hulpeloos en sommigen volkomen verlamd, niet in staat om ook maar iets te doen.
De Nederlandse regering publiceerde het Niod-rapport, resultaat van zeven jaren onderzoek en het is een openbaar rapport, niet geheim, een stap die ik diep respecteer. Een stap overigens niet zonder druk van onderaf, van mensenrechtengroepen, het IKV, individuele personen, die hele ontwikkelde civil society die Holland is. Het betekent dat jullie de eerste stap hebben gezet in de verwerking van dit trauma.
De massamoord in Srebrenica is volgens het internationale recht genocide. Dat betekent dat we, met alle verschillen, Srebrenica kunnen vergelijken met de holocaust. Wij als holocaustwetenschappers zijn het er niet honderd procent over eens, maar de meerderheid vindt van wel. Iedere volkerenmoord is uniek, maar sommige zaken stemmen overeen. Veel Nederlanders collaboreerden met het naziregime tijdens de Tweede Wereldoorlog, en op microniveau, een paar dagen in juli 1995, collaboreerde Dutchbat met het Bosnisch-Servische leger. Ik kan het vergelijken en daarom gebruik ik dit woord.’

ZE KONDEN NIET veel uitrichten. Als ze zich doodgevochten hadden, hadden de Serviërs de compound in Potocari zonder twijfel platgebombardeerd.
‘Ik weet het niet. Ik spreek hier als iemand die lesgeeft over genocide, die geen ooggetuige was, geen overlevende. Niemand uit mijn familie is vermoord, ik probeer dit als socioloog te benaderen. Gedeeltelijk waren ze slachtoffers: een paar honderd tegenover twintigduizend. Maar anders dan de Britse troepen twee weken later in Knin hebben ze de bevolking niet gered. De Britten hebben tijdens de Kroatische herovering van de Krajina duizend Servische burgers in hun hoofdkwartier opgenomen en simpelweg gevochten. Hebben burgers daadwerkelijk beschermd. Nederlandse levens zijn kostbaarder dan Bosnische.
Het begon al maanden eerder: het kleineren van de groep die ze moesten beschermen. Van meet af aan vertoonde Dutchbat een soort neerbuigend gedrag naar mensen die arm waren en vluchtelingen in eigen land. Die al jaren niet fatsoenlijk te eten hadden. Neerbuigend gedrag dat allengs ontaardde in een soort racisme. De graffiti op de muren van de compound in Potocari: “My ass is like the locals. It’s got the same smell.” Of: “No teeth…? A moustache…? Smell like shit…? Bosnian girl!”
De inwoners van Srebrenica werden niet gezien als slachtoffers, maar als een probleem. Dutchbat had die neerbuigende houding van superieure beschaving en het had verschrikkelijke consequenties. Ze gooiden hompen brood tussen veertienhonderd uitgehongerde mensen, die erom vochten, en ze lachten erom. Dit doet me het meeste pijn: dat ze de bevolking ontmenselijkten. Hoe kun je schoongewassen zijn, niet stinken, als je je jarenlang niet hebt kunnen douchen, geen water had? Hoe kun je welgemanierd zijn in een concentratiekamp?
Ze vertrouwden jullie omdat jullie meer ontwikkeld zijn, rijker, meer democratisch. Ze vertrouwden jullie na jaren van vernederingen en ontbering. “You smell like shit!” Ik heb er geen woorden voor.
Vrij algemeen zien de overlevenden van Srebrenica de Nederlanders als racisten en als lafaards. Als kille bureaucraten die een lijst opstelden van 239 namen van mensen die gered konden worden en daar vervolgens niks mee deden. Die de mannen van de vrouwen scheidden. Wat was de keuze van Dutchbat-tolk Hasan Nuhanovic? Hij mocht kiezen of hij óf zijn broer óf zijn vader op de lijst mocht zetten – hij koos de broer. Niemand in Nederland ligt er nog wakker van. Als je je dit soort dingen niet aantrekt, is dat een dramatisch signaal: het betekent dat de samenleving ziek is. Democratisch, liberaal, tolerant, gewetensvrij: het betekent ineens niets meer. Er is iets grondig mis met jullie samenleving.’
‘IK KOM UIT de Vojvodina. Rijk graanland, volle grond. In de zomer kwamen dagloners uit Oost-Bosnië naar ons toe om het koren binnen te halen in ruil voor een zak meel. “Moedertje Vojvodina” zeiden ze liefkozend. In de Vojvodina zijn we zachter, weker, weldoorvoed. In Servië, Montenegro, Oost-Bosnië is de grond hard en weerbarstig en is er de eeuwige angst voor honger. Ze maken daar grappen over ons: ze noemen ons Lala – dat letterlijk “Tulp” betekent.
Lala is niet stupide maar naïef. Hij is goed en goedgelovig en daarom stom, een watje. Want goed zijn is stupide in de ogen van tough guys. Dus kan ik je misbruiken, tegen je liegen, je doden. Lala is als de Nederlanders. Het is hoe Mladic Karremans zag.
Herinner je je de dialoog tussen Karremans en Mladic in het Fontana-hotel? Ik was er niet bij, een van mijn studenten wél. Als Karremans begrijpt wat er aan de hand is, loopt hij op Mladic af en vraagt: “Wat gaat u nu doen?” En Mladic lacht en antwoordt: “Ik doe wat ik wil. En wie ben jij?”
“Ik ben commandant van de VN-troepen en ik wil graag weten…” begint Karremans. “Jij bent shit en ik ben God”, buldert Mladic. Het is een gedeeltelijke verklaring van het drama: soldiers like powerful soldiers. Ze keken tegen Mladic op en vertrouwden hem. Vertrouwden op alle afspraken die hij getekend had. En hij loog. Het is een pijnlijk verhaal dat mensen niet graag horen. Mensen willen op vakantie, houden van winkelen.’
‘WE WAREN ALLEN broeders: de ideologie van het idealisme. Ik was de jongste adviseur van de laatste premier van Joegoslavië. De haviken grepen de macht, de oorlog brak uit in Kroatië en ik sloot me aan bij de vredesbeweging in Novi Sad. Omdat ik tegen oorlog was; ik wist dat het verschrikkelijk zou worden. Ik ben de kleindochter van iemand die vermoord is in een concentratiekamp, ik ben de dochter van een partizane. Ze sloegen ons op straat in elkaar. “Stop de strijd! We zijn broeders! We weigeren de oorlog in te gaan!” Tweehonderdduizend mannen, waaronder mijn broer, verlieten de Vojvodina als deserteurs. Omdat ze weigerden te vechten. Ik vroeg mijn broer: “Ben je bang om gedood te worden?” Hij zei: “Nee. Ik ben bang dat ik zal beginnen te doden. En dan is er geen weg meer terug.” We liepen in een vredesmars van Belgrado naar Sarajevo. Ik vond bij terugkomst een papier op mijn bureau: “Je werkt hier niet langer.” Ik ging naar Cambridge om les te geven.
We zijn geen helden. We zijn enkel mensen uit de Vojvodina die weggingen. Omdat we niet medeplichtig wilden zijn aan deze moord.
Het was onze keuze om weg te gaan. Je hebt altijd een keuze. Als je het naar het metafysisch niveau van Dutchbat trekt: ze hadden, onder die extreem moeilijke omstandigheden, de keuze om iets te doen en ze deden niets. Het is een staande uitdrukking in het Servo-Kroatisch: zich gedragen als tulpen, angstig niets doen.
Nu, dit jaar, hebben we in Novi Sad het eerste monument voor een anti-oorlogsheld. Een Servische jongen die koffie zat te drinken op een terras in Trebinje, in het uiterste zuiden van Bosnië, toen soldaten van het leger van Karadzic voor zijn ogen een moslim in elkaar sloegen. Hij stormde er op af en ontzette zijn schoolvriend. Ze vermoordden hem, sloegen hem dood. De moslimjongen ontkwam en woont nu in Zweden. Het incident was jarenlang taboe, maar waarschijnlijk omdat we in Novi Sad watjes zijn, is er deze zomer een straat naar hem vernoemd. Een anti-oorlogsheld die een redder was, geen toeschouwer zoals Dutchbat.’
Had je ze graag als dode helden gezien?
‘Ik vertel het verhaal. Ik ben geen rechter, geen aanklager. Maar als je wilt speculeren: als ze gevochten hadden, zou misschien het Nederlandse ministerie van Defensie, voor het leven van Hollandse soldaten vrezend, de VN ertoe hebben kunnen bewegen met luchtbombardementen in te grijpen.’

‘IK BEN SERVISCHE. Tot op de dag van vandaag is Srebrenica in Servië taboe. Regering, staatsmedia, de elite, de kerk, de universiteiten zijn als verlamd. Kleine groepjes, zoals de Vrouwen in Zwart, het Helsinki Committee, enkele advocaten, proberen wat, maar het overgrote deel van de Servische bevolking heeft geen weet van de gebeurtenissen en wil het ook niet weten.
Volkerenmoord heeft systematiek. Allereerst moet je een plan hebben; het speelt zich niet af in twee dagen of op 11 juli. Genocide is geen roomijs dat je maakt in één dag.
De tweede fase is het ontmenselijken van de doelgroep. Oude angsten doen herleven en de groepen scheiden: wij en zij. Je moet mensen hersenspoelen opdat ze zonder schuldgevoel een minderwaardig mens kunnen doden. Dit is een zeer omvangrijk project. Het vereist media, literatuur, theater, opinie. Halverwege de jaren zeventig begon Servië, dat in de Joegoslavische Federatie zijn overwicht begon te verliezen, de oude angsten voor het Ottomaanse rijk van vijfhonderd jaar geleden weer aan te wakkeren; de kerk, de Academie van Wetenschappen, de politieke, culturele en religieuze elite. Sluimerende trauma’s van de Tweede Wereldoorlog en het Ottomaanse rijk die nooit verwerkt waren.
Het voormalige Joegoslavië was een diep getraumatiseerde samenleving, niet alleen vanwege de Tweede Wereldoorlog, maar sinds zeshonderd jaar. Het is niet toevallig dat Mladic toen hij Srebrenica binnentrad, zei: “Nu hebben we ons op de Turken gewroken.” De Serviërs hebben het diepe trauma van de Slag op het Merelveld in 1389 nooit verwerkt. Zeshonderd jaar bezetting staat in schril contrast met machoheldendom. Als je zeshonderd jaar slaaf bent, ben je geen held, niet dapper, geen stoere vent.
We zijn de achtertuin van het Ottomaanse rijk, de achtertuin van het Oostenrijkse keizerrijk. We waren de achtertuin van het fascistische imperium en van het communistische. Nu zijn we de achtertuin van het rijk van de Europese Unie en het zelfbeeld is erg laag. En dan kun je worden gemanipuleerd, rancuneus worden, hebzuchtig, gewelddadig en er zijn maar enkele slimme slechteriken nodig om de helse machinerie in gang te zetten.
Ten slotte moet je voor volkerenmoord mensen organiseren en geld vergaren; íemand moet de oorlog betalen. Oorlog is een dure zaak. Je hebt een financiële structuur nodig en een infrastructuur van leger en politie en groepen die de smerige klussen willen klaren, de beulen.
De laatste fase van genocide is de ontkenning.’
Ontkenning of onwetendheid?
‘Ik werk veel met jonge mensen. En er is iets vreemds aan de hand: de jongste generatie heeft een massa aan informatie, maar niet veel kennis. En nog minder begrip. En nog minder, ben ik bang, gevoeligheid voor zaken. De genocide in Rwanda was de eerste volkerenmoord die live op tv te volgen was, tijdens het avondeten. Daarna Srebrenica, toen Darfur. Mensen worden onverschilliger. Niet omdat ze slecht zijn, maar omdat ze zich hulpeloos voelen.
Dutchbat gedroeg zich zoals het zich gedroeg omdat ze nauwelijks kennis hadden, niet het inzicht, geen empathie met lijden van anderen. Srebrenica was als de Kristallnacht: het Sociaal Contract gebroken. Glas is fragiel, het breekt gemakkelijk, maar het heeft een paar kwaliteiten: het is transparant en we kunnen elkaar zien door glas. Het spiegelt ook en ik zie mezelf. Ik kan mezelf in jou zien. Als de kinderen van een rijke, democratische en tolerante samenleving niet langer de mogelijkheid hebben om zichzelf te zien in de gezichten van kinderen die honger hebben… Tolerantie is een ander woord voor onverschilligheid. Als je écht te maken hebt met diep lijden, dan verandert dat je voorgoed. De ouders van Raviv van Renssen, de Nederlandse soldaat die in Srebrenica sneuvelde, weten dat.
Ik woon deels in Duitsland. Leef in twee werelden die ervaring hebben met de sociale erfenis van genocide. De Duitsers leefden drie generaties in de schaduw van de holocaust en de huidige generatie van twintig, vijfentwintig jaar heeft een helder beeld van wat hun grootouders deden. In het bijzonder de studenten van 1968 hebben daaraan veel bijgedragen, de kring rond Joschka Fischer. Het was pijnlijk, maar ze zagen het verleden onder ogen. Nederland heeft zijn trauma niet verwerkt, zoals de Duitsers. Dat is waarom de Duitsers gevoeliger zijn en meer empathisch, het mededogen hadden om driehonderdduizend vluchtelingen uit ex-Joegoslavië op te nemen. Iemand moet het intellectuele debat aanzwengelen, zoals in 1946 Karl Jaspers deed met Die Schuldfrage. De vraag naar Nederlandse schuld moet geopend worden. Dat vraagt om iemand van het niveau van Karl Jaspers. Ik mis in Nederland het intellectuele debat.’

‘NEDERLAND NEEMT uitdrukkelijk niet de schuld op zich’, verklaarde Wim Kok na het verschijnen van het Srebrenica-rapport en trad af. Wél de verantwoordelijkheid, niet de schuld. ‘De val van de enclave is u ten onrechte aangerekend’, spreekt defensieminister Kamp de Dutchbatters toe bij uitreiking van het Draaginsigne.
‘Ja, ze kregen zelfs een medaille. Je bent kampbewaker in Auschwitz en je krijgt een herinneringsmedaille. Ik denk dat het niet alleen belangrijk is hoe jullie in Holland jezelf zien, maar ook hoe anderen jullie zien. Jullie, als Nederlandse samenleving, mogen jezelf dan niet schuldig achten, jezelf zien als de meest democratische, meest succesvolle, meest tolerante, meest briljante samenleving – wij zien jullie zo niet. Het spijt me, Nederland heeft gecollaboreerd. Verschrikkelijke misdadigers geholpen hun misdaden te plegen. Zonder Dutchbat was dat niet mogelijk geweest. Als ík de hoofdaanklager van het Internationaal Strafhof was, zou ik een weg zoeken om de zaak te openen, zodat het jullie samenleving op zou schudden. Geen vrijheid zonder verantwoordelijkheid.’
Moet Karremans voor de rechter komen?
‘Ja. Hij heeft zijn plicht verzaakt. Zijn plicht was mensen te beschermen. Desnoods tot op de dood; je bent soldaten, geen balletdansers. Hetzelfde voor Voorhoeve: onkundigheid en plichtsverzuim. Het is misschien wel de belangrijkste les uit deze oorlog: je kunt de westerse normen van democratische traditie, publiek debat, economische welvaart, politiek succes niet ongestraft projecteren op een extreem arme en gewelddadige samenleving. Het was jullie vroegere minister van Buitenlandse Zaken, Pieter Kooijmans, die na afloop zei: “Het oude adagium The UN takes no sides is niet langer geldig.” New realities need new categories. Hoe kun je naar Auschwitz komen en zeggen: “We kiezen geen kant. We zijn peace keepers”? “Nooit meer Auschwitz” is een farce gebleken. In plaats daarvan hebben we nu het Tribunaal: het Joegoslavië Tribunaal is het product van niets doen.
En toch: het Tribunaal is een historische overwinning. Het is het eerste internationale criminele strafhof ooit. Neurenberg en Tokio waren militaire, geïmproviseerde rechtbanken. Het ICTY was het eerste internationale tribunaal voor oorlogsmisdaden en genocide. Daarna volgde het ICTR voor Rwanda, en nu het ICC, het internationale permanente strafhof voor genocide, oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid. Tien jaar geleden was zoiets ondenkbaar. Ik ben optimistisch: de wereld beweegt in een bepaalde richting: staatsterreur en politieke misdaden zijn niet langer onbestraft. Ex-staatshoofden als Milosevic, Karadzic en Charles Taylor zijn niet langer immuun, maar persoonlijk ter verantwoording te roepen. Sinds de Dwaze Moeders van de Plaza de Mayo is veel veranderd. Het Internationaal Strafhof beweegt zich richting universele jurisdictie; 108 landen hebben zich al aangesloten en het worden er steeds meer. Het is totaal nieuw en ik denk dat politici en generaals zich voortaan wel drie keer bedenken voor ze beestachtigheden uithalen.
Jammer genoeg mag het Internationaal Strafhof zich nu alleen buigen over zaken na 1 juli 2002, zeven jaar ná Srebrenica. En de VN genieten onschendbaarheid. Maar het Strafhof is geen statisch iets en we zullen proberen dit open te breken. Als Dutchbat-tolk Hasan Nuhanovic en de Moeders van Srebrenica, zoals ze van plan zijn, de VN en de Staat der Nederlanden, Karremans en Voorhoeve voor het ICC dagen, dan heeft het Strafhof, dat niet onder jurisdictie van de VN staat, au fond de vrijheid om daarin een eigen beslissing te nemen.
De ogen van de doden kunnen niet gesloten worden zonder gerechtigheid. Dit jaar, op de herdenking van 11 juli, kwamen zes Dutchbatters terug naar de enclave om hun waardigheid te hervinden bij de Moeders van Srebrenica. Het was belangrijk, die zes Nederlanders, de mensen huilden; ze vergaven hen onmiddellijk. Ze staan klaar om te vergeven.’

Robert Dulmers was oorlogscorrespondent in Bosnië-Herzegovina

Wachtwoord toesturen Problemen met inloggen?