De Groene Amsterdammer

Sluiten

Bezuinigingen op de kunst

Op zoek naar filantropen

Glen-lowry-en-axel-ruger-_-02

De Verenigde Staten gelden als voorbeeld voor de omslag in het Nederlandse cultuurbeleid. Maar het Amerikaanse model werkt niet overal.

door SANNE BLOEMINK

beeld Chantal Heijnen

'HET KABINET STAAT voor een omslag in het cultuurbeleid', schreef staatssecretaris Halbe Zijlstra afgelopen week in zijn brief aan de Tweede Kamer. 'De overheid treedt te veel op als financier en bij de verlening van subsidies is nu te weinig aandacht voor publiek en ondernemerschap.' Daarmee vat hij het officiële argument samen voor de voorgenomen ingrijpende bezuinigingen van tweehonderd miljoen euro in de kunstsector die in januari 2013 in werking zullen treden. De culturele top wordt gespaard, maar instellingen die niet ten minste 17,5 procent aan eigen inkomsten kunnen genereren (21,5 procent voor de podiumkunsten) hoeven niet langer op subsidie van de overheid te rekenen. Het zijn 'duidelijke keuzes'.
In discussies over deze beoogde omslag in het cultuurbeleid wordt al snel direct of indirect naar de Verenigde Staten verwezen, het land waar kunst en cultuur maar op zeer beperkte schaal worden gefinancierd door de overheid. En tegelijkertijd het land waar 'New York het Mekka van de kunst is, zonder overheidsingrijpen', zoals VVD-fractievoorzitter Stef Blok in 2004 in een ingezonden brief in de Volkskrant schreef. Maar hoe geweldig is de situatie in Amerika? Jorrit Dijkstra, een Nederlandse saxofonist en componist die al negen jaar in Amerika woont, schreef in een open brief aan de staatssecretaris: 'Uw Amerikaanse systeem bestaat niet.'
Vrijdag 10 juni hield de New Yorkse afdeling van de PVDA de conferentie Who serves the art best, over de financiering van kunst en cultuur. De conferentie werd georganiseerd in samenwerking met de School of Art van de Cooper Union en vond plaats in het nieuwe, futuristische gebouw van de Cooper Union in de East Village.
Na binnenkomst loop ik een trap af naar het auditorium waar de gasten en panelleden zich verzamelen en zie ik een lange lijst namen in opvallend gedrukte letters: de personen en instellingen die het functioneren van de Cooper Union mogelijk maken. De School of Art is de enige kunstacademie in Amerika die volledig gratis onderwijs biedt, en dat kost uiteraard geld. In de Verenigde Staten is het heel gebruikelijk om de namen van de financiers prominent in beeld te brengen. Soms staat de overheid op het lijstje, maar meestal speelt deze maar een zeer marginale rol.
Zo krijgt het New Yorkse MoMA slechts één procent van zijn inkomsten van de stad New York. De rest komt uit kaartverkoop, lidmaatschappen, retail en voor dertig procent van een endowment, een fonds van private investeringen in het museum. Dergelijke endowments werken in de praktijk vaak als subsidies in publiek gefinancierde systemen, legt Glenn Lowry, directeur van het MoMA, uit: 'Instellingen met substantiële endowments verkeren in een stabiele positie; degene zonder zijn veel kwetsbaarder.' Hij beaamt dat wat in New York werkt niet per definitie overal hoeft te werken: 'In deze stad hebben we toegang tot een niveau van private financiering dat simpelweg niet bestaat in de rest van Amerika.'
Hij zegt daarom bewonderend tegen zijn collega Axel Rüger, directeur van het Van Gogh Museum in Amsterdam: 'Axel heeft laten zien hoe je een instelling goed kunt laten functioneren in een situatie van afnemende inkomstenbronnen.'
Rick van der Ploeg, hoogleraar economie aan Oxford en voormalig staatssecretaris van Cultuur, zegt in een latere discussie over dit gevlei: 'Tja, het Van Gogh is makkelijk. Als je dán geen geld krijgt, dan is er iets mis met je.' Van der Ploeg is verontwaardigd over de voorgestelde bezuinigingen: 'Nederland is altijd open geweest. Dat is aan het veranderen. Populistisch, ik noem het fascistisch, al mag je dat niet zeggen in Nederland.' Hij maakt zich zorgen over de teruggang in het aantal visa dat wordt afgegeven aan kunstenaars en wetenschappers: 'Kunst, wetenschap: het is allemaal verdacht. Terwijl de wereld zich steeds verder aan het openen is, is een aantal landen zich juist aan het sluiten.' Hij betwijfelt of het Amerikaans model Nederland goed kan doen. Rijke Russische en Arabische oligarchen die sportteams opkopen, zoals hij dat in Groot-Brittannië ziet, is dat wat we willen? Van der Ploeg: 'Volgt de visie het geld of volgt het geld de visie?'
Later op de middag presenteren de private organisaties Creative Time en het New York Public Art Fund kunstprojecten die ze in New York hebben georganiseerd. Van de watervallen onder de Brooklyn Bridge tot de twee lichttorens zes maanden na de aanslag op de Twin Towers: het zijn stuk voor stuk indrukwekkende projecten. Kunst in de publieke ruimte, allemaal gefinancierd zonder publiek geld. Katie Hollander, directeur van Creative Time, vertelt dat fondsenwerving een centrale rol speelt binnen haar organisatie. 'Iedere medewerker in ons team houdt zich ermee bezig.'
Nicholas Baume, directeur van het New York Public Art Fund, geeft aan dat private investeringen binnen zijn organisatie vaak leiden tot meer projectmatig werken: 'Het is veel moeilijker om een donor te vinden die salarissen van de staf betaalt, om geld te genereren voor degene die het licht uitdoet.' En dat is volgens Axel Rüger van het Van Gogh dan ook precies het gevaar: 'We gaan er allemaal op uit om geld binnen te krijgen voor projecten, maar we verliezen de kernactiviteiten.'
Volgens Lowry hebben de Verenigde Staten een cultuurbeleid dat 'de facto geen beleid' is. Hij wil 'geen oordeel vellen over welk systeem beter is', toch zegt hij dat bezuinigingen van de overheid 'niet het einde van de wereld zouden moeten zijn'. Hij noemt zichzelf in die zin een darwinist die meent dat niet alle instellingen moeten of zouden moeten blijven bestaan. Soms is het eindresultaat van bezuinigingen een beter draaiende organisatie.
Clive Gillinson, directeur van Carnegie Hall in New York, is het daarmee eens. Hij ziet hetzelfde nu gebeuren in Groot-Brittannië: er heerst paniek, terwijl men toch tweeënhalf jaar de tijd heeft gehad om zich voor te bereiden op de bezuinigingen: 'Toen de recessie hier in Amerika insloeg, hadden we helemaal geen tijd om ons voor te bereiden. We moesten er gewoon direct mee dealen.' Volgens Gillinson moeten we breder denken: 'Het gaat om de verantwoordelijkheid van de maatschappij voor de kunst in plaats van alleen maar de verantwoordelijkheid van de kunst voor de maatschappij.'

LOWRY IS VAN MENING dat in Europa een filantropische cultuur moet worden gestimuleerd, een cultuur waar donors worden 'gevierd' om hun giften: 'Als iemand tien miljoen schenkt en zijn naam op het gebouw krijgt, maar je verwijt zo iemand vervolgens dat hij zijn rijkdom te veel etaleert, dan werkt het niet.' Hij geeft toe dat die filantropische cultuur in de Verenigde Staten een lange traditie heeft en dat het bijna een eeuw heeft gekost om tot dit eindresultaat te komen. In 2009 werd in de Verenigde Staten in totaal 303,75 miljard dollar gegeven aan liefdadigheid, 2,1 procent van het bruto nationaal product. Daarvan ging 12,34 miljard naar kunst en cultuur, vier procent van het totale bedrag aan donaties. Hoewel de indruk bestaat dat donaties afkomstig zijn van bedrijven is dat slechts 4,6 procent. Meer dan tachtig procent van de giften in de Verenigde Staten komt van individuen (cijfers: Giving USA).
In Nederland bloeide een dergelijke filantropische cultuur in zekere zin op aan het einde van de negentiende eeuw, toen het de gegoede burgerij economisch voor de wind ging. Deze voorspoed, in combinatie met de behoefte om de rest van de bevolking te beschaven, leidde tot de oprichting van bijvoorbeeld het Rijksmuseum en het Concertgebouw. Al snel echter richtte men zich tot de overheid voor steun, en begin twintigste eeuw begon deze een centrale rol te spelen in het kunst- en cultuurbeleid.
Sindsdien is men in Nederland gewend geraakt aan de financiering van kunst en cultuur via het belastingstelsel. Zoals Melle Daamen, directeur van de Stadsschouwburg Amsterdam zegt: 'Liefdadigheid is in Nederland geld geven aan kinderen met honger, niet aan kunst. Daarvoor is echt een andere houding nodig.' Het lijkt vrijwel onmogelijk om een dergelijke cultuuromslag op zo'n korte termijn af te dwingen. Mensen met uitgebreide ervaring met een privaat systeem, zoals Gillinson, wijzen erop dat de overheid een 'partner' zou moeten zijn in dit proces en 'handvatten moet bieden' voor de overgang naar een ander systeem.
Overigens wordt die filantropische cultuur in Amerika zelf lang niet door iedereen omarmd. Veel Amerikaanse miljardairs schenken enorme bedragen aan musea en concertzalen. Indirect draagt de overheid echter via aftrekbaarheid van dergelijke giften flink bij: voor elke dollar die wordt gegeven, betaalt het publiek een dollar mee. In feite bepalen de superrijken waar een deel van het overheidsgeld naartoe gaat en daar komt steeds meer kritiek op. Want hoe privé zijn die giften dan eigenlijk?
Veel miljardairs legitimeren dit systeem door te stellen dat slimme, ondernemende filantropen een betere waarde krijgen voor hun investeringen dan de overheid. Maar niet iedereen is het hiermee eens. Zo zei miljardair William H. Gross in 2007 in een interview met The New York Times: 'Een gift van dertig miljoen voor een concertzaal is geen filantropie, dat is een napoleontische kroning', verwijzend naar de sociale status die eraan verbonden is.
Bovendien zijn dergelijke giften dikwijls beperkt tot kunstvormen die je hoger op de statusladder brengen, de 'hobby's' van de superrijken. Zo schrijft Jorrit Dijkstra in zijn brief aan de staatssecretaris dat filantropen vooral geïnteresseerd zijn in klassieke orkesten en ensembles, maar dat miljonairs meestal 'helaas geen jazzfans' zijn. Hoewel jazz de enige echt Amerikaanse kunstvorm is, kunnen muzikanten dikwijls onmogelijk rondkomen van hun werk.
New York Times-columnist Michael Kimmelman schreef begin vorig jaar over de rust in de Gemäldegalerie in Berlijn en over zijn dankbaarheid voor het publieke systeem dat nog niet ten onder was gegaan aan de marketingstrategieën die het Musée d'Orsay in Parijs, het MoMA in New York en Tate Modern in Londen 'hebben omgetoverd tot Walmarts op Black Friday'. Het is ook maar de vraag of filantropen altijd de juiste prioriteiten hanteren. Gross zegt hierover: 'Als miljoenen mensen sterven aan aids en malaria in Afrika, dan is het lastig om het zoveelste societygala ten behoeve van een theater of museum te legitimeren.'
Onderzoek van het centrum voor filantropie van Indiana University toont aan dat minder dan tien procent van liefdadigheid gaat naar directe menselijke behoeften, zoals opvang voor daklozen, hongerbestrijding en zorg voor zieken. De superrijken geven zelfs een nog kleiner deel aan deze doelen. Ze geven aan organisaties waar ze zich verbonden mee voelen, zoals de universiteit waar ze hebben gestudeerd, de school van hun kinderen, of inderdaad: het museum of concertgebouw bij hen in de buurt. Op deze manier wordt reeds bestaande sociale ongelijkheid bestendigd en verder verdiept.
Onder elk systeem van financiering van kunst - privaat, publiek of gemengd - bestaat het risico dat culturele organisaties zich naar binnen keren en dat een breed publiek debat over culturele prioriteiten ontbreekt. Feit is dat in elk land een grote groep mensen zich maar nauwelijks interesseert voor kunst en dat een kleine groep mensen niet weet hoe die grote groep mensen te bereiken.
Toch is de Nederlandse situatie bijzonder en veelal bewonderd in internationale kring. Een brede groep kunstenaars, jong en oud, kreeg kansen. Dit zal nu drastisch veranderen. Culturele instellingen moeten eigen inkomsten genereren, maar de donors zijn nergens te vinden. Het ene systeem wordt afgeschaft, maar het andere krijgt geen tijd om te materialiseren, terwijl bij dat andere systeem ook nog eens serieuze vraagtekens kunnen worden geplaatst. Dat is geen overheid als partner, dat is destructief beleid.

Beeld: Nw York, Axel Ruger (links) en Glen Lowry

Wachtwoord toesturen Problemen met inloggen?