De Groene Amsterdammer

Exclusief

De Groene Amsterdammer jaargang 2014 nummer 44

Iedereen

Plausibele puber

Florian Zeller
De ontsnapping van Julien Parme
Uit het Frans vertaald door Edu Borger
De Arbeiderspers, 244 blz., € 18,95

door Joost de Vries

Natuurlijk heeft J.D. Salinger het bij voorbaat al verpest voor iedere auteur die ooit nog eens van plan was een roman te schrijven vanuit het perspectief van een recalcitrante tiener die wil ontsnappen aan het keurslijf dat volwassenen hem opleggen. The Catcher in the Rye is de maat der dingen geworden aan de hand waarvan elke soortgelijke roman wordt gewogen en te licht bevonden. Sterker nog: alleen het noemen van Salinger in een recensie van een dergelijk boek is al ont-zet-tend voorspelbaar.

Fijn dus dat Florian Zeller (1979), waarschijnlijk de beste jonge ster in de Franse letteren, een roman over een opstandige tiener heeft geschreven die volledig autonoom is, en waarvoor geen vergelijking gezocht hoeft te worden. De ontsnapping van Julien Parme is een swingend, geestig boek, dat uit de losse pols geschreven lijkt maar nergens aan kracht of originaliteit inboet.

Het eerste dat opvalt is de stijl. Aan het woord is de titelfiguur, een veertienjarige in de chiquere arrondissementen van Parijs: ‘Ik vroeg me af of hij me zat te belazeren. Marco, dat was nou echt het soort gozer dat zoiets zei om je te belazeren. Geen enkel raffinement, die gozer. Ik klakte met mijn tong. Ik weet niet waarom. Soms doe ik dingen zonder te weten waarom. Zeker om te laten merken dat ik nog steeds stabiel ben. Pech voor hem als hij mijn verhaal over Charlotte niet wilde geloven. Ik stond op uit de fauteuil. Het leek of mijn benen van pap waren.’

Zo gaat het het hele boek door. Het is spreektaal, vol stopwoordjes, kleine zijsprongen en gedachtekronkels. Zeller trekt een heel register trucjes open dat in de handen van een mindere schrijver ronduit irritant zou zijn, maar in dit geval geeft het een zekere charme. Meer nog, het maakt van Julien een uiterst plausibele puber; de lezer kijkt moeiteloos door zijn pompeuze borstklopperij heen, waardoor tussen de regels door een beeld ontstaat van een jongeman die om al de verkeerde redenen boos en onzeker is.

Julien Parme praat tegen de lezer zoals Ferris Bueller – in de filmhit van de jaren tachtig Ferris Bueller’s Day Off – tegen de camera. Zijn probleem is echter dat hij zijn omgeving aanzienlijk minder naar zijn hand kan zetten dan Bueller; vanwege tegenvallende prestaties op school wil zijn moeder hem naar een kostschool sturen en zijn stiefvader en -zusje zijn eikels die pompeus schermen met hun adellijke titel. Dat ze allemaal het beste met hem voor hebben is voor de lezer evident, maar het ontgaat Julien finaal. Hij zit vast in zijn eigen wereldbeeld, waarin hij zelf een groot literair talent is, miskend door familie en omgeving.

Toch is dit niet helemaal het boek waarop gehoopt was. In een interview met De Groene Amsterdammer in 2006 merkte Zeller op dat stijl of ‘mooischrijverij’ hem totaal niet interesseren. Hij zag de roman liever in de traditie van de Duitse Romantiek: een roman als podium voor een idee, waar alle plot en stijl onderdanig aan moeten zijn, en waar de schrijver alles wat de revue passeert – essays, gedachten, observaties – omzet in literair materiaal om dat idee te ondersteunen.

Deze uitspraak heeft een licht pretentieuze smaak, maar Zeller had zonder twijfel de papieren om deze te doen. Zijn vorige roman, Gefascineerd door het ergste, was een vlijmscherpe aanklacht aan het adres van alle krachten, religieus of politiek correct, die censuur uitoefenen op kunst. Het boek had een akelig geloofwaardig verhaal over een schrijver die fulmineert tegen de islam en prompt door een extremist wordt vermoord. Zeller werd genomineerd voor de Prix Goncourt en won de Prix Interallié.

Geldt deze hoogdravende opvatting van literatuur nog steeds? In De ontsnapping van Julien Parme wordt namelijk nooit duidelijk wat het achterliggende idee van de auteur is. Dit kan een tekortkoming zijn van deze recensent, die de verborgen boodschap niet uit de tekst wist te distilleren. Het kan ook de tekortkoming van de schrijver zijn, die zijn boodschap niet helder genoeg wist te formuleren. Of, de laatste optie, kan het zo zijn dat de schrijver deze keer helemaal geen boodschap had? Dat dit boek zuiver bedoeld is als vlot lezende, grappige schelmenroman over een grootstedelijke puber, die door ambitie en hormonen wordt voortgedreven?

Die laatste optie is natuurlijk Zellers goed recht, maar het doet enigszins afbreuk aan zijn imago als jonge Houellebecq (door Zeller onverbloemd bewonderd). Enfin, misschien is dat bovenstaande water onder de brug en is een nieuwe, lichter verteerbare Zeller opgestaan. Misschien moeten we deze roman beoordelen op zijn eigen kracht en concluderen dat Zeller net zo goed uit de voeten kan met lichtzinnig materiaal als met politieke epistels.

Wachtwoord toesturen Problemen met inloggen?