De Groene Amsterdammer

Sluiten

Over Strangers on a Train

'Was hij dit?'

PATRICIA HIGHSMITH
STRANGERS ON A TRAIN
W.W. Norton & Company (oorspr. 1950)
In het Nederlands verschenen als Vreemden in de trein (derde druk 1991), vertaald door Jan en Tineke Donkers

door Arie Storm

Twee mannen ontmoeten elkaar in de trein: Guy Haines en Charles Bruno. Guy wordt vrijwel voortdurend gewoon Guy genoemd, waar Charles hoofdzakelijk wordt opgevoerd onder zijn achternaam: Bruno. Want Guy is goed en Bruno is slecht. Die laatste komt met hét plan voor de perfecte moord aanzetten: ‘We moorden voor elkaar! Begrijp je? Ik vermoord jouw vrouw en jij vermoordt mijn vader! We ontmoeten elkaar in de trein en niemand weet dat we elkaar kennen! Perfecte alibi’s! Snap je?’ Guy wil er, zo lijkt het, niet aan, maar eigenlijk is hij al meteen verloren: ‘Hij wilde bij Bruno vandaan, de coupé uit, maar een nachtmerrie-achtige druk hield hem tegen. Hij trachtte tot zichzelf te komen door te proberen de muur in het vizier te krijgen, door te begrijpen wat Bruno aan het zeggen was, want hij voelde dat er iets van logika in school, als een raadsel of een puzzel die opgelost moest worden.’
Het bovenstaande is de uitgangssituatie van Vreemden in de trein (Strangers on a Train, 1950) van Pa-tricia Highsmith. Highsmith schrijft, en dat is een van haar handelsmerken, geen bijzonder ingewikkelde zinnen. Die zinnen zijn stuk voor stuk heel concreet. Die zinnen schrijft ze voortdurend en achter elkaar door. Dat heeft iets ongelooflijks. Ze weet ermee een bijzonder overzichtelijke en complete wereld op te bouwen. Een heldere wereld. Je snapt die wereld, er komt geen ingewikkelde psychologie bij om de hoek kijken. Alles is zo doorzichtig als glas. Om met Guy te spreken: je voelt dat er logica in die wereld schuilt.
En toch. Tegelijkertijd wordt wat op die manier en met die zinnen wordt opgebouwd voortdurend onder-uitgehaald. Als lezer begin je vroeg of laat aan alles en iedereen in die wereld te twijfelen. Je begrijpt niet goed waar die twijfel vandaan komt. De zaken leken zo helder. Maar je begint langzaam weg te zakken. Je begrijpt niet zo goed waarin, maar daar gá je. Je kunt het boek prompt niet meer wegleggen. Onmogelijk. Misschien is het die combinatie van logica en twijfel die daarvoor zorgt. Al lezend raak je in een roes. Ademloos sla je de bladzijden om. En dat heeft niet zo veel te maken met het feit dat Patricia Highsmith spannende boeken of thrillers schrijft. Ze schrijft literatuur. Prachtige literatuur. Ontroerende literatuur. Literatuur waarin aan het einde van elk boek toch weer alles anders is dan je dacht.
De zaken blijken uiteindelijk ook anders te zijn voor de personages in de romans van Highsmith. Natuur-lijk is Bruno niet uitsluitend de slechterik en Guy door en door goed. Guy pléégt de moord min of meer volgens afspraak echt.
Het is een geweldig hoofdstuk in Vreemden in de trein. Met de aanwijzingen van Bruno in zijn achter-hoofd loopt Guy in het huis van de vader van Bruno rond. Die aanwijzingen hoort hij bijna voortdurend in zijn hoofd. Het zorgt voor een indrukwekkende verdubbeling van alles. Guy loopt in dat voor hem vreemde huis rond en ook Bruno loopt als het ware in dat huis rond. Heel precies beschrijft Highsmith dit lopen, tasten en zoeken. Traag en superspannend. Kleine afwijkingen maken Guy van streek: ‘Hij keek over zijn rechterschouder naar het venster. Het stond maar een centimeter of dertig open en Bruno had gezegd dat het helemaal open zou staan.’ Maar misschien kan hij juist daarom de moord plegen. Door-dat er kleine afwijkingen zijn van wat hij van Bruno heeft gehoord. Door te moorden kan hij misschien alles weer kloppend krijgen.
Maar natuurlijk wordt niet alles kloppend. Door de moord belandt Guy definitief in een wereld die tegen-gesteld is aan de wereld die hij daarvoor kende. De wereld is op z’n kop gezet. Links is rechts geworden en boven onder. Highsmith laat die verandering doorklinken in de beeldspraak die ze gebruikt. Met me-taforisch taalgebruik is ze niet zo scheutig – terecht niet –, maar wanneer ze vergelijkingen of metaforen hanteert, dan doet ze dat verbluffend effectief.
Guy verlaat het huis van die vader. In het bos komt de butler achter hem aan. Die slaat hij knock-out. Guy haalt zichzelf open aan takken. Hij verliest het bewustzijn. ‘Misschien is mijn hoofd gebroken, dacht hij angstig’, schrijft Highsmith geestig. Een stukje later zet ze het verhaal op grandioze wijze even hele-maal stil: ‘Beneden gloeiden de verspreide lichtjes van een stadje als sterren in de schemering. Werktuiglijk haalde Guy een zakdoek tevoorschijn en wond die strak om de onderkant van zijn duim waar zwart-achtig bloed uitgekomen was. Hij bewoog zich naar een boom en leunde ertegen. Zijn ogen zoch-ten het stadje en de weg beneden af. Er bewoog niets. Was hij dit? Tegen een boom geleund met de herinnering aan de explosie van een revolver, de sirenes, het gevecht tegen de struiken?’
Alles hieraan vind ik mooi, hoe eenvoudig het misschien ook lijkt. De lichtjes van dat stadje beneden die gloeien als sterren, sterren die zich normaal gesproken toch boven je hoofd bevinden. Dat zwart-achtige bloed. Die vraag: ‘Was hij dit?’
Guy en Bruno zijn voor elkaar vreemden in de trein. Maar de personages in Strangers on a Train zijn vooral vreemd voor zichzelf.
‘Neem me maar mee’, is de slotzin van het boek. Wanhopiger wordt het dan al lang niet meer.
Er valt nog veel meer over te zeggen, over dit boek, over dit oeuvre en over deze vrouw – maar laten we haar eerst maar weer allemaal gaan lezen en koesteren.

Wachtwoord toesturen Problemen met inloggen?