De Groene Amsterdammer

Exclusief

De Groene Amsterdammer jaargang 2014 nummer 17

Pamflet: Minder hippe onzinstudies, graag

Leuke studies met een & erin

door Ewald Engelen

beeld Milo

Mbo, hbo en wo moeten iets minder horig zijn aan de arbeidsmarkt. En iets meer algemene vorming zou zo gek nog niet zijn. door Ewald Engelen beeld Milo Leuke studies met een & erinMbo, hbo en wo bieden tezamen maar liefst vijfhonderd studies aan, waaronder talloze die toegang bieden tot slechts één gespecialiseerd beroep. Iets minder horigheid aan de arbeidsmarkt en iets meer algemene vorming zou zo gek nog niet zijn.

Lezen

Iedereen

Manifest voor een nieuwe politiek (4) Piet Hein Donner

'We zullen ons brood moeten verdienen'

Volgens Piet Hein Donner hoeven we niet toe naar een nieuwe politieke orde. 'Eigenlijk moeten we terug naar de oud-katholieke, economische leer die zegt dat we alle eigendom in bruikleen hebben.'

door AUKJE VAN ROESSEL

Op de vraag of de wereld als gevolg van de economische crisis toe is aan een nieuwe economische orde, zoals de Amerikaanse hoogleraar Europese geschiedenis Tony Judt in zijn nieuwste boek bepleit, antwoordt Piet Hein Donner vlot: 'Die roep om een nieuwe economische orde komt elke keer weer. Ze berust op de marxistische gedachte dat je de mens kunt veranderen door de economische orde te veranderen.' Dat de mens zich op die manier laat veranderen, daar gelooft de cda-minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid echter niet in.
Hij vraagt zich ook af wat mensen die pleiten voor een nieuwe economische orde precies bedoelen: 'Twintig jaar geleden bij de val van de Muur was er ook sprake van een nieuwe economische orde. Toen daar weer voor het rapport van de club van Rome uitkwam, praatte men ook over een nieuwe orde. Maar in welke orde dan ook: je hebt met mensen te maken.'
Donner ziet ook niet goed hoe Nederland in z'n eentje een nieuwe economische orde zou kunnen implementeren: 'In welke orde dan ook: we zullen ons brood moeten verdienen. In Nederland verdienen we dat voor een groot deel in het buitenland. De vraag is dan niet: welke orde kiezen wij hier? We zijn met z'n allen toegegroeid naar een globale economie, dat reguleert zich niet meer zomaar vanzelf.'
De oplossing van het conflict bij de reinigingsdiensten wekt bij hem ook niet de indruk dat de idee dat er een nieuwe economische orde moet komen breed leeft: 'Dat arbeidsconflict is toch weer opgelost met een loonsverhoging. Dat is de verantwoordelijkheid van iedereen die daarbij betrokken is. Ik noem het om aan te geven dat we in systemen zitten en van daaruit op elkaar reageren. We zijn zoals we zijn.'
Toch begrijpt de minister de achtergrond van de beginvraag wel: 'We hebben nu de ervaring opgedaan dat we niet zonder meer Gods water over Gods akker kunnen laten stromen. Dat leidt op den duur tot scheefgroei in de economie én in de samenleving.'
Hij vindt het echter niet juist om nu alleen maar af te geven op de neoliberale orde: 'Dankzij de marktwerking hebben we wel ongekende groei en welvaart gekend, waardoor wij hier in Nederland nationale problemen konden oplossen. Dankzij die marktwerking hebben ook landen als China en India kans gezien om bij te trekken. We lopen nu tegen nieuwe vraagstukken aan, die moeten we oplossen.'
Er zijn volgens Donner drie hoofdvragen die om beslissingen vragen: 'Hoe kunnen we de staatsfinanciën op orde brengen, onze welvaart behouden en toch duurzaam zijn? Hoe kunnen we een samenleving blijven houden die berust op samenwerking en solidariteit? Hoe brengen we tot uitdrukking dat er meer is dan alleen maar economie?'
Op zijn eigen eerste vraag verwijst hij eerst naar de staatsfinanciën: 'We moeten ons financiële handelingsvermogen hervinden. Als de begroting van de staat niet op orde is, wordt er voor je gekozen en hebben we zelf niets meer te kiezen. Als we zoals nu maatregelen treffen voor Griekenland doen we dat ook omdat geen enkel land in Europa meer alleen staat, of ze nu deelnemen aan de euro of niet. We doen dat om te voorkomen dat we hier ons brood niet meer kunnen verdienen, onze voorzieningen niet op peil kunnen houden en onze ouderen niet meer kunnen verzorgen.'
Zij die de vraag formuleren als 'hoe moeten onze kinderen in de toekomst hun brood verdienen' moeten niet doen 'alsof Nederland een tabula rasa is': 'We moeten kijken naar wat nu al onze sterke punten zijn. Dat is onze positie als toegangspoort tot continentaal Europa, niet alleen over water, maar ook in de lucht, de hele logistieke sector. We zijn ook voor veel Aziatische bedrijven de toegangspoort voor Europa, vanuit hun hoofdvestigingen hier bewerken ze Europa. We zijn deskundig op het gebied van water. En een sterk punt is ook onze landbouw, agrarische technieken. De vraag moet zijn hoe we die punten kunnen versterken. Van daaruit moet gedacht worden, anders gaan de discussies alleen maar over bezuinigingen.'
Hij vindt niet dat we ons niet meer zo op groei moeten fixeren: 'Mensen associëren groei onmiddellijk met materiële groei. Ze denken: groei is belasting voor het milieu en dat is verkeerd. Maar de groei van de afgelopen tien jaar zat voor een groot deel in diensten.' Volgens hem wordt ook over het hoofd gezien hoe ingewikkeld mensen het nu al vinden om hun uitgavenpatroon bij te stellen, terwijl Nederland volgens hem dankzij de euro tot dusver vrij behoorlijk door de crisis is gekomen. 'Als ik zie hoeveel moeite het mensen kost om hun uitgaven aan te passen, dan krijg ik daarvan niet het idee dat we economische groei gaan afzweren. Bovendien hebben we die groei nodig om de samenleving duurzamer te maken.'
Voor hemzelf roept de vraag hoe de Nederlandse economie weer kan gaan groeien primair andere vragen op: 'Hoe schakel ik mensen in? Daar valt de winst te behalen. Hoe breid ik de participatie uit, anders lopen we vast. Waarom lukt het ze in China om snel uit de recessie te komen? Omdat ze daar nog veel arbeidspotentieel hebben. Wij hier minder, maar toch ook nog steeds. Met een beetje moeite moet het ons lukken dat potentieel erbij te betrekken.'
Voor Donner draait het allemaal niet om de nieuwe economische orde, maar om de vraag: welke maatschappelijke orde willen wij? 'Dat is een fundamentele keuze. Wil je dat mensen zelf verantwoordelijk zijn of dat de overheid verantwoordelijk is? Als je het hebt over de kwaliteit van de samenleving, dan moet je kijken naar wat mensen zelf kunnen bijdragen aan die samenleving. Dan moet je mensen daar zo veel mogelijk zelf de verantwoordelijkheid voor geven. Niet in de klassiek-liberale visie dat ze zichzelf maar moeten zien te redden, maar door mensen primair elkaar te laten steunen.'
Zo komt hij op de vroegere arbeidsongeschiktheidsregeling, de wao, en de opvolger de wia. De eerste staat voor hoe het niet moet, de tweede voor hoe het wél moet: 'Als we arbeidsongeschikten alleen maar prikkelen en denken dat het probleem van de grote aantallen zich vanzelf oplost, zoals we vroeger dachten, komt het niet goed. Maar het faalde ook toen de overheid die arbeidsongeschikten aan het werk probeerde te krijgen. Het probleem loste zich pas op toen de werkgevers medeverantwoordelijk werden. Met de Wajong-regeling voor jonggehandicapten proberen we dat nu ook. We zeggen: u heeft recht om geholpen te worden een baan te vinden. Dat is de essentie.'

fnv-voorzitter Agnes Jongerius vroeg zich vorige week in dit blad af waarom Nederland niet trotser is op zijn sociale-zekerheidsstelsel, maar vond dat je het vervolgens best kunt hebben over de enorme groei van het aantal Wajongers. Zijn Donner en zij het dan toch eens?
'Nee, Jongerius kijkt naar het systeem van de sociale zekerheid zelf, ik naar wat het met mensen doet. Zo'n voorziening als de Wajong tot voor kort was, lijkt prachtig, maar ik kreeg hier de ene na de andere Wajonger aan tafel die zich beklaagde omdat hij in een systeem werd gezogen dat zei: hier heb je een uitkering, wees blij, want je kunt nu eenmaal minder. En wie zegt: je kunt minder, zegt al gauw: je bent minder.
Ik zie een samenleving niet primair als een verzorgingsstaat met een sociaal zekerheidssysteem. Ik zie een samenleving van zestien miljoen mensen die allemaal zo goed mogelijk tot hun recht moeten komen. Een sociaal stelsel kan dat bevorderen. Ik ben trots op de wijzigingen van de afgelopen jaren, waardoor er nu mensen uit de bijstand kunnen komen, waardoor er nu geen honderdduizend nieuwe arbeidsongeschikten per jaar bij komen, maar dertigduizend.
Als je alleen het systeem bekijkt, dan kun je zeggen: het is van mooi naar minder gegaan. Maar als je kijkt naar wat het voor mensen doet, dan is het mooier geworden. Mensen van hun achttiende tot hun 65ste opsluiten in een uitkering? Dan zeg ik: schande.'
Ook als het om ouderen gaat, moet volgens Donner meedoen de inzet zijn: 'Hoe schep ik de voorwaarden dat mensen duurzaam mee kunnen. Dat is de essentie, niet de vraag of de grens bij 65 of 67 jaar moeten liggen, want ook een nieuwe grens brengt het risico met zich mee dat mensen die nog door willen werken dat niet is gegund.'
Het doorwerken van ouderen is voor Donner onderdeel van de oplossing voor een probleem dat op Nederland afkomt: het tekort op de arbeidsmarkt - hoe vreemd dat nu ook klinkt in een tijd van hogere werkloosheid. Het tekort is een gevolg van de vergrijzing van de bevolking. Daarom focust de minister op ouderen: 'Kunnen we een arbeidssfeer creëren waarin ouderen die nog wel mee kunnen doen, niet meer hoeven te werken volgens het ritme van vijf dagen in de week, acht uur per dag? Hoe zorgen we er daarnaast voor dat ze bij blijven als het gaat om kennis en techniek?
In Finland maken ze grote stappen, maar hier is het onmiddellijk: minder werken mag geen gevolgen hebben voor het salaris. Maar door die bescherming wordt de arbeidspositie van ouderen alleen maar slechter, want ze zijn duurder dan jongeren. Werkgevers zeggen vervolgens onmiddellijk: waarom zou ik een opleiding betalen als die werknemer daarna een baan neemt bij een andere werkgever?' Volgens Donner is het antwoord simpel: 'Als iedereen meedoet, ligt het profijt ook bij iedereen.'

Aan het begin van het gesprek zei Donner zelf dat er gekeken moet worden hoe de samenleving kan blijven berusten op solidariteit. Ziet hij die solidariteit afnemen? 'Ik constateer dat we in Nederland door de wijze waarop we over solidariteit praten zelf het klimaat scheppen waardoor die solidariteit een probleem kan worden. Binnen Europa zijn we echter een land met een van de geringste inkomensverschillen, de geringste armoede en de geringste kans op armoede. Als ik zie welke bedragen wij hier dagelijks overhevelen tussen inkomensgroepen, dan is de solidariteit enorm.
We hebben hier in Nederland de vaardigheid om alles wat we hebben af te doen als onvoldoende. Wij letten vooral op tegenstellingen, op wat niet goed gaat, op wat er mist. Als we zouden letten op wat we wél presteren, dan zouden we er veel meer op vertrouwen dat we de huidige problemen kunnen oplossen. Dat lukt niet als we kijken: wat heeft hij en wat heb ik.
De discussie moet niet gaan over de hoogte van de inkomens. Er is niks mis mee als mensen die iets kunnen realiseren goed verdienen. Vraag is wel: wat doe je met dat geld, is het alleen voor je eigen welzijn of voor dat van de hele samenleving?
In Nederland willen we dan meteen in een wet vastleggen: hoe pakken we dat geld af, hoe beslist de overheid over de besteding daarvan? Maar dan heeft het geen waarde. Dat heiligt de wet niet en de persoon die het geld afdraagt ook niet. Eigenlijk moeten we terug naar de oud-katholieke, economische leer die zegt dat we alle eigendom in bruikleen hebben. De discussie moet gaan over: hoe lever ik een bijdrage aan de samenleving? Dat gaat dan niet alleen over inkomen, óók over de omgang met elkaar.'

Wachtwoord toesturen Problemen met inloggen?