De Groene Amsterdammer

Sluiten

Zelfbenoemde elites

LIZET DUYVENDAK & SASKIA PIETERSE (RED.)
VAN SPIEGELS EN VENSTERS
twee delen (Handboek & Fragmenten)
Verloren, 124 en 195 blz., € 29,-

door ROB HARTMANS

Hoewel de epidemie enigszins over haar hoogtepunt heen lijkt, lijdt Nederland nog altijd aan canonitis. Sinds de commissie-Van Oostrom eind 2006 De canon van Nederland presenteerde zijn we overspoeld door allerlei ‘canons’. Plaatsen als Amsterdam en Harderwijk en het bisdom Haarlem kregen hun eigen canon, en ook hebben we inmiddels een bètacanon, een ‘Canon van de Nederlandse film’ en zelfs een canon van de Nederlandse glastuinbouw. Het opstellen van een lijst met zaken waarvan ieder ontwikkeld mens kennis moest nemen was blijkbaar een attractief gezelschapsspel geworden.
Nog niet zo heel lang geleden was dat wel anders. De reacties waarmee de neerlandici Ton Anbeek, Jaap Goedegebuure en Harry Bekkering in 1990 geconfronteerd werden toen ze in een advies aan de Commissie Vernieuwing Eindexamensprogramma’s onder meer een lijst met 21 literaire werken van na 1830 opnamen die in het voortgezet onderwijs behandeld zouden moeten worden, waren heel wat minder hartverwarmend. De drie waren ‘boekverbranders’, bepleitten de herinvoering van de ‘Kultuurkamer’ en Goedegebuure werd zelfs uitgekreten voor ‘de Saddam Hoessein van de Nederlandse literatuur’.
Het idee van een canon werd negentien jaar geleden blijkbaar nog gezien als autoritair en elitair, en in de 1991 verschenen bundel De canon onder vuur (onder redactie van Ernst van Alphen en Maaike Meijer) werden tal van werken die behoorden tot de officieuze canon van de Nederlandse literatuur onderworpen aan scherpe ideologiekritiek. Zo ‘ontmaskerde’ Mieke Bal Het land van herkomst als een racistische, seksistische en homofobe roman. De boodschap was duidelijk: wie nog onbedorven scholieren dergelijke boeken door de strot duwde, was onverantwoordelijk bezig.
Hoe de afgelopen twee eeuwen in Nederland is gedacht over een literaire canon valt te lezen in de tweedelige bundel Van spiegels en vensters. In het eerste deel wordt een overzicht gegeven van de ontwikkelingen in het begin van de negentiende eeuw, het optreden van de Tachtigers, het elitisme van de Forum-generatie, de postmodernistische canonkritiek en de huidige discussie. In deel 2 zijn relevante teksten over canonvorming in de verschillende tijdvakken opgenomen. Het idee van een literaire canon ontstond in het begin van de negentiende eeuw en was nauw verbonden met het zoeken naar een nationale identiteit. Onder invloed van de Duitse Romantiek werd actief gezocht naar middeleeuwse teksten waarin de, uiteraard nobele en superieure, volksaard zichtbaar werd. Doordat men zocht naar een collectieve identiteit ontstond er een voorkeur voor teksten die werden gezien als collectieve scheppingen. Vandaar dat Reinaert de Vos veel belangrijker werd geacht dan het werk van Jacob van Maerlant. De literatuur fungeerde als een spiegel waarin de natie zich kon herkennen, of zichzelf kritisch kon bekijken. Het was dus van groot belang dat het ontwikkelde publiek kennismaakte met de canonieke werken.
De Tachtigers namen ten opzichte van het idee van een canon een ambivalente houding in. Door literatuur te zien als een exclusief, autonoom domein maakten zij de totstandkoming van een uit onvergankelijke literaire meesterwerken bestaande canon mogelijk, maar tegelijkertijd ondermijnden ze met hun hyperindividualisme juist de tendens tot canonisering. Ze benadrukten de individualiteit van het literaire oordeel en verheerlijkten de individuele ervaring van het lezen.
Dit staat haaks op het idee dat de canon een algemeen geldende maatstaf vormde. Hoewel Tachtigers als Gorter, Van Eeden en Verwey later terugkwamen op dit geëxalteerde individualisme en zich engageerden met het idee van een ‘gemeenschapskunst’, werkte hun uiterst elitaire opstelling door in de opvattingen van sommige schrijvers uit het interbellum.
In de jaren tussen de wereldoorlogen werden boeken bereikbaar voor steeds grotere groepen mensen en ontstond het fenomeen van de bestseller. Een zelfbenoemde elite van ‘echte’ literatuurliefhebbers – onder anderen bestaand uit Ter Braak, Du Perron, Van Vriesland, Nijhoff, Marsman en Greshoff – ging als idioten tekeer tegen de auteurs die in staat waren een groot publiek te bereiken. De overduidelijke democratisering van de literaire markt ging volgens hen gepaard met vervlakking, smaakverwarring en de dictatuur van de middelmaat. Vooral het feit dat onder de bestsellerauteurs nogal wat vrouwen waren, wekte hun tomeloze agressie. Du Perron wilde zelfs met enkele strijdmakkers een bloedraad vormen die lijsten moest opstellen van ‘hele schrijvendevrouwenkonglomeraten’ die in het Amsterdams kanaal verdronken zouden moeten worden. De kloof tussen ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur, die sinds de opkomst van het postmodernisme ontkend wordt, kon in de ogen van de Forum-generatie niet breed en diep genoeg zijn.
Het elitarisme van de Tachtigers en Du Perron en de zijnen mocht dan na de Tweede Wereldoorlog verdacht zijn, het idee dat een lezer niets te maken had met een canon van onaantastbare boeken waarvoor men heilig ontzag diende te koesteren bleef in literaire kringen populair. De lezer moest zich de tekst ‘toe-eigenen’, kon ermee doen wat hij wilde, dat eruit halen wat hij kon gebruiken. Lezen was ‘terugschrijven’, om Jacq Vogelaar te citeren, en hierbij maakte het niet uit of het ging om een ‘erkend’ meesterwerk of een gebruiksdrukwerk. En ondanks de huidige canonitis is het zeer de vraag of het idee van een literaire canon in Nederland ooit echt geaccepteerd wordt.

Wachtwoord toesturen Problemen met inloggen?