Stuur «Reactie Gans en Van der Heijden» door
![]() | ![]() |
In de Groene Amsterdammer (DGA) van 28 januari 2010 stond een essay van de hand van bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam E.Gans (EG). Het betrof een analyse van de opvattingen van de historicus/journalist C.v.d.Heijden (CvdH), die in de Groene Amsterdammer van 27 november 2009 ook een essay had aangeboden onder de titel Het proces-Demjanjuk.
| Tweet | ![]() |
Zelf vond ik het essay van CvdH over de naoorlogse rechtspleging genuanceerd zonder dat hij afdoet aan de gevoeligheden die rond dit onderwerp nog steeds bestaan. Maar dat vond EG dus niet. Zij voert veel citaten op uit het totale werk van CvdH die duidelijk moeten maken dat deze aan "nivelleringsdrift" lijdt wat aanleiding geeft tot een "secundair antisemitisme".
De redactie van DGA vond de literatuurlijst van EG kennelijk zo groot, dat hij voor de geinteresseerde lezer slechts vanaf de website van dit weekblad downloadable zou zijn, ware het niet dat daarmee iets fout ging. Uiteindelijk werd deze literatuurlijst mij separaat toegezonden. Vervolgens bleek dat literatuurverwijzing nr. 51 (ongepubliceerd) niet bij de auteur en ook niet bij de redactie van DGA opvraagbaar was. Het betrof: F.C.Beijen, "Antisemitisme in de NSB in de jaren dertig. Een onderzoek naar het antisemitisme binnen de Nationaal Socialistische Beweging in Nederland in de periode 1933-1940" (Amsterdam 2004; ongepubliceerde masterscriptie). Deze verwijzing speelt een rol in het essay van EG.
De kern van het betoog van EG is al aangegeven: CvdH bedrijft secundair antisemitisme. Ik vind dat CvdH met zijn gekozen terminologie en met zijn theorievorming eigenlijk nooit iets afdoet aan de omvang van de misdaden tegen de menselijkheid die in de periode 1940-1945 bedreven zijn. Door zijn voortdurend gebruik van de term "shoah" schaart hij zich aan de zijde van de aan "shoah" verwante gevoelsaspecten. Door het veelvuldig gebruik van deze term is ook bij CvdH de idee aanwezig dat "shoah" iets anders zou zijn dan het veelvuldig in de menselijke geschiedenis voorkomende verschijnsel genocide. Nuancering, relativering -de voortdurende verwijzing naar "grijs" aldus EG- lijkt wel bij CvdH te bestaan, maar in lezingen en geschriften verwijst hij altijd naar "shoah". CvdH houdt ook de NSB daarvoor medeverantwoordelijk (zie Joodse NSB-ers; 2006; p.24). Een standpunt dat ik niet met CvdH deel. Daarmee vervalt, naar mijn idee, een belangrijke reden om de opvattingen van CvdH secundair antisemitisme te noemen. Om haar beschuldigingen waar te maken, bedient, zoals we zullen zien, EG zich van verouderde en zwakke literatuur.
Sinds 1945, het eind van WOII, bestaat er (in het Westen) geen elitair door staatsmacht ondersteund antisemitisme meer. Het bekend worden van de wreedheden tijdends WOII en de vestiging van de staat Israel hebben bijgedragen aan het laten verdwijnen van structureel antisemitisme. Ik gebruik het woord "elitair" in dit verband, omdat het antisemitisme in de Westerse wereld voorafgaand aan 1940 niet alleen een uiting was van racisme aan de basis van de samenleving, maar in het bijzonder ook gedragen werd door racistische ideevorming in de maatschappelijke elites. Denk in dit verband aan de analyse van H.A.Gomperts in "Een kern van waarheid" (ISBN 90-282-0938-7; 2000) van het aan te nemen antisemitisme bij Nietzsche en Menno ter Braak. Het is mij overigens niet bekend dat er ooit onderzoek ingesteld is naar de manier waarop na 1945 in enkele jaren deze vorm van racisme uit de Westerse samenlevingen verdwenen is.
Antisemitisme is als structureel verschijnsel in korte tijd verdwenen. Wat verdwenen is, is dus, zoals EG dat aanduidt, een primair antisemitisme. En hoewel dat misschien in het begin nog enigszins onwennig was, werd dit primair antisemitisme, dat uiteraard niet alleen in Duitsland bestaan heeft, vervangen door een nieuw vertoog: een mogelijkheid tot het uiten van kritiek op handelingspatronen van joden zonder dat dit antisemitisme betrof. Ik denk dat deze mogelijkheid in eerste instantie betrekking had op aspecten van de vorming van de staat Israel. Omdat de geschiedenis van de staat Israel altijd in verband is gebracht met de geschiedenis van de in de periode 1940-1945 gepleegde genocide, kon die kritiek zich ook richten op de mogelijkheid dat de verwijzing naar genocide meer kon omvatten dan louter het verschijnsel van genocide op zich. Ik wil de mogelijkheid van relativering van het joodse slachtofferschap (EG) als incidenteel verschijnsel niet uitsluiten. Structureel echter lijkt die mogelijkheid mij in de politieke geschiedenis van 1945 tot op heden afwezig. Er bestaat geen structureel primair antisemitisme meer, en er bestaat ook geen structureel secundair antisemitisme. Bij CvdH is geen sprake van relativering van het joodse slachtofferschap. Hij houdt zich voornamelijk bezig met de periferie van de "shoah", niet met de genocide zelf.
De verwijzing van EG naar Adorno/Horkheimer lijkt mij dan ook een verwijzing naar verouderde literatuur. Maar EG baseert zich niet alleen op verouderde literatuur. Ik ga er van uit dat de afwezige bron (F.C.Beijen) valide literatuur betreft. EG verwijst bij afwezigheid van deze bron in eerste instantie naar "De NSB" van R.te Slaa en E.Klein; ISBN 978 90 850 6813 6; 2009, om aan te geven, dat uitspraken van CvdH over de langdurige afwezigheid van antisemitisme in de NSB, gedurende de jaren '30, niet juist zouden zijn. Overigens beperkt dit onderzoek zich tot de jaren 1931-1935. Voor de jaren daarna verwijst EG dus naar F.V.Beijen, zonder dat we dat nu kunnen naslaan. Wie de moeite zou nemen om "Joodse NSB-ers" te lezen, zal constateren, dat CvdH heel expliciet is over antisemitisme in de NSB. Op dit punt zijn de opvattingen van EG onjuist.
Het boek van te Slaa en Klein (SLK) is een uitgebreid en minutieus onderzoek naar de organisatieaspecten en idee-ontwikkeling in de NSB in de genoemde periode. De start van het onderzoek maakt een heel waardevrije indruk, door verwijzing naar niet alleen het politiek kritiseerbare wat zich hier aan het onwikkelen was, maar ook naar het revolutionaire elan van vooral het Italiaanse fascisme. SLK stellen bijvoorbeeld "Het beoordelen van de oorspronkelijke aantrekkingskracht van de vroege NSB is vaak vertroebeld door waardeoordelen achteraf" (p. 31). Echter, gedurende de beschrijving van de geschiedenis van de NSB bij SLK, begint zich heel geleidelijk een aanzienlijk minder waardevrij type terminologie te ontwikkelen. Ik denk hierbij aan termen als: "geslepen", waar het iemands persoonlijkheid betreft (134), "mythologiserend" (140) en "mythe" (149) als het gaat om de eigen geschiedsschrijving van de NSB, "de opportunistische Mussert" als uit niets afgeleid kan worden dat het anders betreft dan politieke voorzichtigheid (146), "schandaaltjes" als het gaat om politieke en organisatorische onervarenheid (354), "slinks" als het gaat om gewone politieke uitbreiding van het eigen systeem (354 en 614), "de verschillende nazistische partijtjes waren behept met een uitzonderlijk talent om zichzelf in diskrediet te brengen" (p.284) als bedoeld is dat mensen soms heel ingewikkeld met elkaar omgaan (overigens vermelden SLK hier niet tevens dat dit ook geldt voor kleine linkse partijen; dat vermelden ze pas op p. 427; sterker nog ze hadden ook kunnen stellen dat dit een aspect is dat aan heel veel menselijke organisatievormen kleeft), "slimme intrigant" (540) om personen te beschrijven, "Volk en Vaderland schreeuwde ogenblikkelijk moord en brand" (711) als het om berichtgeving ging, "Op verongelijkte toon klaagde" (712) waar bedoeld is dat iemand een politieke uitspraak deed, "Kennelijk vertolkte het NSB-blad hiermee de mening van een groot deel van de achterban" (714), terwijl zo'n statistische uitspraak kennelijk op niets gebaseerd is, "Het 'volkse' drijven van Van Houten" (718) waar bedoeld is de 'volkse' politiek van die persoon, "...Van Houten en trawanten..." waar bedoeld is politieke medestanders (718), "Met leuzen (probeerde men) in te spelen op de gevoelens van onvrede" (718), waar bedoeld is: met specifieke argumenten werd geprobeerd de doelgroep te winnen voor de eigen politieke lijn, "met smaakvolle titels" (727) is een cynische verwoording van SLK, die ook terzijde had kunnen blijven. Waar SLK op p. 708 spreken van zich uitbreidend antisemitisme gebruiken de auteurs klaarblijkelijk geen statistische methoden om aan te geven in welke mate dit verschijnsel zich in deze politieke groepering voordeed (iets wat evenzeer voor CvdH zou kunnen gelden). De al veel eerder uitgesproken conclusie van SLK "De fundamenten voor de antisemitische, nationaalsocialistische partij die de NSB aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog was, werden al in 1933 gelegd" (256) is eigenlijk op dezelfde gronden een voorbarig geformuleerde hypothese, die niet statistisch waargemaakt kan worden. Bij het gebruik van statistische methoden kunnen overigens veel kanttekeningen gemaakt worden. Maar waar onderzoekers, zoals SLK, door de gekozen terminologie suggereren een evidentie te kunnen leveren, mag zonder meer kritiek op methodologie geleverd worden. Als ze zich statistisch met hun onderwerp hadden kunnen bezighouden, acht ik het niet onwaarschijnlijk dat ze tot andere conclusies waren gekomen. Overigens is het hier van belang er op te blijven wijzen, dat antisemitisme iets anders is als genocide. Dat is hier van belang, omdat genocide de eigenlijke inzet is van de overwegingen van EG.
Ik ben geneigd om te denken, dat alleen al de toon van de bovenaangehaalde citaten aangeeft dat de studie van SLK als zeer zwak beoordeeld moet worden. De auteurs maken gebruik van een anecdotisch-incidentele geschiedsschrijving die uiteindelijk toch gestuurd blijkt te worden door dezelfde sentimenten die van 1945 tot op heden als het goed-fout perspectief hebben gefunctioneerd.
Het hoofddoel van EG is het ongedaan maken van de relativering van het joodse slachtofferschap voorzover die door de pogingen van CvdH toegenomen zou zijn. EG baseert zich, zoals ik heb laten zien, op verouderde en zwakke literatuur. In "Gojse nijd en joods narcisme" (ISBN 90-6974-117-2; 1994) formuleerde EG al een aantal denkbeelden, die nu van toepassing lijken te zijn. Zij stelde:"...andersdenkenden (...) wordt zo mogelijk censuur opgelegd", en "De joodse gemeenschap bezit hiertoe, in versterkte mate na de shoah, een aantal uiterst doeltreffende psychologische machtsmiddelen, bedoeld om de joodse tegenstander (...) monddood te maken" (pp. 46/7). Ook stelde EG: "ontegenzeggelijk werkt de joodse (...) censuur, hoezeer ook door de shoah buiten proportie gevoed (...), als een rem op het kritische denken (...)". Daaraan verbond zij nog de gedachte "... dat de joden niet alleen geisoleerd wèrden, maar dat zij zich ook zèlf isoleerden...". Ik denk dat de kans groot is dat deze indertijd kritische opmerkingen in de richting van de joodse gemeenschap, nu van toepassing zijn op EG zelf. Kennelijk wil zij nu censuur uitoefenen om CvdH monddood te maken. Maar zij doet dat met slecht gekozen middelen.
Het merkwaardige in deze kwestie is, dat CvdH weliswaar lijkt te pleiten voor meer ruimte voor de beoordeling van de positie van collaborateurs en nietcollaborateurs tijdens WOII, maar dat tegelijkertijd duidelijk is dat hij nooit tot doel gehad heeft het joodse slachtofferschap te relativeren. Dat alleen al blijkt uit zijn voortdurende gebruik van de term "shoah". De verwijzing naar deze terminologie geeft een verbinding aan met een uitgebreid sociaalfilosofisch debat dat al kort na het eind van WOII werd opgestart. H.Arendt was daarin een van de prominenten. Haar aanvankelijke keuze voor de termen als het "ultieme kwaad" (H.Arendt; The Origins of Totalitarianism; 1951, 1973; ISBN 0-15-670153-7), en haar latere overgang naar de termen"banaliteit van het kwaad" (H.Arendt; Eichmann In Jeruzalem (de banaliteit van het kwaad); 1963, 2007; ISBN 978-90-467-0138-6) geven aan dat de terminologie "kwaad", "het kwaad" een belangrijk deel van het debat op dit terrein is blijven beheersen. Het betreft een moraaltheologische terminologie in een sociaalfilosofisch debat. Het betreft niet een seculier sociaalfilosofische of sociaalwetenschappelijke term. Dit religieuze karakter bestaat ook voor het gebruik van de term "shoah" (de Hebreeuwse vertaling van "holocaust", van het latijn holocaustum, dat "brandoffer" betekent). EG gebruikt in "Gojse nijd enz." de term "shoah" regelmatig op een niet citerende wijze.
Voor zowel EG als voor CvdH geldt dus kennelijk het gebruik van identieke terminologie met moraaltheologische strekking. Het lijkt mij van groot belang om de discussie om te zetten van een moraaltheologisch uitgangspunt naar een seculier sociaalfilosofisch of sociaalwetenschappelijk verklaringsmodel: het betreft geen wolken van ideaalterminologie (Goed/Kwaad; goed/fout), maar het betreft steeds handelingen van en tussen personen, tussen groepen, instituties, naties en globale machtsblokken. Het christendom kent in navolging van het jodendom het gebod: gij zult niet doden. Er zijn in de geschiedenis van deze monotheistische religies vermoedelijk maar weinig momenten geweest waarop het gebod niet gekoppeld was aan de eigen (doxastische) waarheidspositie. Het gebruik van een seculier filosofische verwijzing naar een menselijke grootheid (eigen waarheidspositie) kan duidelijk maken waarom er bijvoorbeeld geen verschil bestaat tussen de schendingen van mensenrechten door de nazi's, en schendingen van mensenrechten door de huidige staat Israel. Koppeling aan de eigen waarheidspositie is steeds de achterliggende verklarende factor van "ultiem kwaad", "kwaad", of "banaliteit van het kwaad". De achterliggende waarheidsposities zijn altijd de legitimering voor iets dat als gewoon menselijk handelen begrepen kan worden: dat geldt ook voor de Nederlandse regering en zijn gelegitimeerde besluiten om oorlog van de VS in Irak te kunnen steunen, en om in Afghanistan Taliban te kunnen doden. E.e.a. betekent dat individuen binnen groepen, groepen binnen instituties, instituties binnen sociale systemen zich altijd konden, maar ook nog steeds kunnen legitimeren met waarheidsformuleringen, die altijd duidelijk kunnen maken waarom bepaalde handelingen verricht kunnen worden. Dit gold voor Eichmann. Het was niet zo dat Eichmann niet nadacht (vgl.Arendt). Hij voelde zich gelegitimeerd door een waarheidspositie, hoe eenvoudig, alledaags (banaal) die er dan ook uit scheen te zien. Dit gold voor de Gaza-oorlog van 2009. Dit gold voor de NSB-kampen na WOII in Nederland. Dit gold ook voor de politionele akties in Ned.Oost-Indie rond 1948.
Het gaat niet om de banaliteit van het kwaad, het gaat om de banaliteit van de menselijke waarheidsposities.
Een en ander maakt duidelijk waarom de kruistochten gevoerd konden worden, enz. (denk aan het verschil tussen rechtvaardige en onrechtvaardige oorlogen). Pas als de (eventueel doxastische) waarheidsposities in deze kwesties worden geseculariseerd in (onder meer) een sociaalwetenschappelijke theorie van handelende mensen, groepen, enz., bestaat er kans op een verbeterd beeld van de achterliggende problematiek.
Het probleem in de verhouding tussen de essays van CvdH en EG is, dat er een drietal problemen door elkaar lopen:
1 Door het gebruik van holistische terminologie (kwaad; shoah; hèt joodse slachtofferschap(EG)) worden zowel CvdH als EG geconfronteerd met een eigenlijk onbespreekbaar verschijnsel.
2 EG meent dat bespreekbaarheid van dit holisme (zelfs in de periferie) begrepen moet worden als "secundair antisemitisme".
3 Voor CvdH is shoah als holisme onaantastbaar, maar hij weet dat de periferie van dit holisme leert dat er ook nuanceringen kunnen worden geconstateerd. Hij kiest voor perifere nuancering.
4 Uit 1, 2 en 3 blijkt dat het debat op dit terrein vastloopt op een religieuze terminologie, die sociaalfilosofische en sociaalwetenschappelijke analyse verhindert. Daarom is het nodig het kernverschijnsel sociaalfilosofisch en sociaalwetenschappelijk te seculariseren.
5 Dit betekent spreken in termen van genocide, in termen van aanwijsbare daders, in termen van straffen, vergelding van schuld, het loslaten van de term antisemitisme (in structurele vorm).
Eindconclusie: Zowel EG als CvdH omzeilen de kern van de gesignaleerde problematiek. Voor EG geldt dat het complex dat tot uitdrukking komt in het begrip "shoah" onaangetast moet blijven. Voor CvdH geldt dat hij slechts in de periferie van "shoah" kan opereren. Het is nodig een bredere sociaalfilosofische en sociaalwetenschappelijke analyse toe te laten, waarin niet alleen joden maar ook nietjoden kunnen optreden.
Dick Kampman
| Tweet | ![]() |





























