nummer
nummer 36 / 08-09-2010

Columnisten
KlaversNext
meer klavers
 
21-07-2010
Print print
Luiheid

De Inleiding bij uw nummer gewijd aan het seizoen van de gepermitteerde luiheid (De Groene Amsterdammer, 8/15 juli), brengt mij op de gedachte dat onderstaand prachtige gedicht van J.A. Der Mouw (Adwaita) het perfecte motto zou zijn geweest.

(Zie de Verzamelde Werken, uitgave Van Oorschot, 1947, deel I, blz. 207.) Als u het alsnog plaatst in uw brievenrubriek doet u recht aan de meest onderschatte dichter in de Nederlandse taal.

'K zat, jong, graag in mijn pereboom te deinen;
In de afgeknotte top had ik een plank
Getimmerd, en gevlochten, rank door rank,
Klimop tot rugleun en veil'ge gordijnen.

Mijn zomerzon zag 'k in mijn tuinen schijnen,
Zelf in groen licht op wiegelende bank;
Een open schoolraam galmde in zeur'ge klank
Van kale en korte Karels en Pepijnen.

Zoo, daadloos, boven 't leven, kijk ik toe:
Mijn wereld ligt in de avondzon; 't wordt laat.
Mij zelf en and'ren heb ik ondergaan.

'K lach om wie zegt, dat ik mijn plicht niet doe;
En, wachtend, schommel ik op rijm en maat:
Nooit heb ik zoo, als nu, mijn plicht gedaan.

EDO HUBER