Stuur «Met twee woorden: rekenen en taal» door
![]() | ![]() |
De aankondiging op de voorkant (De Groene, 8 december doet opnieuw het ergste vermoeden: 'Zelfs de juffen kunnen niet realistisch rekenen!' Spellen konden ze ook al niet.
| Tweet | ![]() |
Hella Rottenberg beschrijft in haar artikel het enthousiasme van leerkrachten en leerlingen op scholen in Nuenen en omstreken die weer net als vroeger 'kale' rekensommetjes maken. Ik krijg niet de indruk dat mevrouw Rottenberg rekenmethodes bekeken heeft, zij heeft slechts eenzijdig meningen van pleiters tegen het realistisch rekenen genoteerd.
Het doel (en de zin) van het leren rekenen met procenten, breuken, decimalen, inhoud, afstanden, oppervlakte en gewicht wordt duidelijk wanneer de stof aangeboden wordt vanuit realistische contexten: tien procent, 25 procent korting tijdens de uitverkoop, wat staat er op mijn spaarrekening nu ik vier procent rente heb gekregen, kan ik een pizza in vier gelijke stukken verdelen, of acht of zestien, is tien euro voldoende om mijn boodschappen te kunnen betalen? Daarna volgen nog eindeloze rijen 'kale' sommetjes om het onder de knie te krijgen. Het is niet de ene methode boven de andere. Met voorbeelden uit de realiteit vergroot je wel degelijk het begrip en inzicht bij veel kinderen. Wanneer de taligheid van het realistisch rekenen het probleem is, ligt het dan niet voor de hand dat probleem aan te pakken?
Hoe maken de kinderen van groep 8 in Nuenen straks de eindtoets van het Cito, waarin elke rekenopgave aangeboden wordt in een context? Een discussie over goed rekenonderwijs is zinvol, maar niet op de manier zoals Hella Rottenberg het doet. Eenzijdig, met opnieuw een veeg naar de 'niet-capabele' leerkracht in het basisonderwijs. De uitkomst van een realistisch rekensommetje is dat het lerarentekort zal toenemen, want wie wil, kan of durft nog zijn nek uit te steken?
ANKE VAN DER VEEN, leerkracht
| Tweet | ![]() |





























