34

Jaargang 119, Nr. 34

In deze editie

Dichters&Denkers

Dichters & Denkers

Leve het mes

Een vlinderlichte stem in een fors lijf: de gecastreerde zanger was een hemelse verschijning. Vond men in de barok. Maar de negentiende eeuw walgde van zoiets ondefinieerbaars als de castraat. Patrick Barbier, Triomf en tragiek der castraten: De bizarre geschiedenis van de mannelijke sopranen uit de zeventiende en achttiende eeuw. Uitgeverij A. W. Bruna, 269 blz., f12,50. Joke Dame, Het zingend lichaam: Betekenissen van de stem in westerse vocale muziek. Uitgeverij Kok Agora, 215 blz., f36,50. ‘JE LICHAAM is wat je bent’, noteert Margriet de Moor in De virtuoos, haar roman over een castraatzanger. Het terugkerende zinnetje is zonder meer ironisch, want het lichaam van de befaamde sopranisten maakte nu juist niet duidelijk wie zij waren. Ontmand waren zij man noch vrouw, of beter: man en vrouw. De gecastreerde ‘divo’s’ waren langer en breder dan andere mannen, maar hadden een huid die zacht en vrijwel onbehaard was. Ze hadden de gladde keel van een vrouw en het vertederende geslacht van een knaap. Uit hun zware mannenlichaam klonk een vederlichte stem. Een stem, zoals Margriet de Moor schrijft, ‘van een schrijnende schoonheid, een stem die beweegt, bedwelmt, die getuigt van een wereld buiten de wereld maar niettemin toebehoort aan een lichaam als elk ander: warm, vol duistere verlangens’. De castraat werd iets fysieks ontnomen, maar hij kreeg er iets immaterieels voor terug: het vermogen een hemelse zangkunst te scheppen.

Xandra Schutte, 23 augustus 1995