37

Jaargang 122, Nr. 37

In deze editie

Redactioneel

Dichters&Denkers

Dichters & Denkers

Schijnheiligheid

‘MAAR WAT HEB ikzelf aan dit boek?’ zal de Nederlandse lezer zich afvragen. Dit had een eerste vraag voor een leesdossier Franse literatuur in het studiehuis kunnen zijn, als men daar tenminste nog aan een Frans boek uit de achttiende eeuw toekomt. ‘Na lezing stelt men zich voor dat Crébillon door een luik in de tijd naar onze oversekste wereld gekeken heeft en gezien dat de mens in wezen niet verandert.’ Als die gedachte werkelijk na lezing is opgekomen, dan is ze behoorlijk cynisch. Was (en is) dit een handleiding voor ‘de eerste schreden op het liefdespad’? Niet eens voor de adolescent die zich toentertijd in de positie van de hoofdpersoon, de zeventienjarige graaf Meilcour, bevond. Zoals kennelijk gebruikelijk, was hij een proefkonijn voor oudere dames - ouder wilde zeggen: rond de veertig, maar wel met een druk besteed liefdesleven achter de rug - die er een eer in stelden zo'n ingénu jongmens te ontgroenen. Meilcour stort zich in de armen van een welwillende vriendin van zijn moeder-weduwe, wordt belaagd door een minder kieskeurige madame, ‘een filosofisch ingestelde vrouw’ (een echte slechterik), maar vindt bescherming in de verheven gevoelens voor een jonge schoonheid die onbereikbaar lijkt. In deze ‘warboel van ideeën en gevoelens’ is de jongeheer een jojo, meegesleept als hij wordt door de voorkeur van het moment. Als Meilcour door het pantser van zijn leermeesteres breekt, is zij de echte overwinnaar; haar wens is vervuld ‘dat ik van u zou kunnen maken wat ik wilde dat u was’.

Jacq Vogelaar, 9 september 1998