19

Jaargang 123, Nr. 19

In deze editie

Redactioneel

Dichters&Denkers

Rubriek

Borreltafel televisie

4 Mei en weer stond ik niet op de Dam of bij het monumentje tegen het Vondelpark - de plekken waar ik als kind naartoe ging met mijn vader. Hij vond dat belangrijk en delgde er schuld mee. Althans, dat vermoed ik, omdat we er nooit direct over gepraat hebben. Toen ik eraan toe was - nee, niet op de inquisitietoon van wie in vredestijd de moed en het gelijk in pacht hebben - was mijn vader er niet meer. Zoals dat vaak schijnt te gaan. Maar hij was ziekenfondsbode geweest in de joodse wijk. Ophaler van centen bij wie meestal nog armer waren dan hij en die bij bar weer toch meestal een bakkie schonken, zoals dat onder armen gaat. Voor hem was Amsterdam Mokum geweest en Amsterdamse gein joodse humor. Mokum was verdwenen en daarmee, in dubbele zin, de gein. Hij heeft er misschien twee keer over gepraat, bij jenever. Zonder de valse toon van wie zich met terugwerkende kracht van een politiek-correct verleden voorzien. Ach, de socialistische beweging waar hij zijdelings toe behoorde was in Amsterdam ook joods gekleurd - daar was niks bijzonders aan. Dat van die schuld heb ik alleen maar gevoeld. Of willen voelen? Nooit is ze scherper en helderder geformuleerd dan door Annie Schmidt in dat prachtige Ischa-interview. Toen dacht ik dus aan mijn vader. Die zich toch, één keer, uitsprak. Mijn ouders hadden in mei 1940 een vriend, Duitser net als mijn moeder, gevluchte socialist, een schuilplaats aangeboden. Maar hij had geweigerd: boven ons, alleen via onze verdieping te bereiken, woonde een vrouw met wie de betrekkingen matig waren. Hij vond dat te gevaarlijk voor alle betrokkenen, te meer omdat er een baby van één was. En zo speelde ook ik een rol in die kleine tragedie: nog in mei was hij gepakt, kort daarop dood. De weigering zullen ze met een mengsel van bekommernis en opluchting geaccepteerd hebben maar de afloop resulteerde in schuld. Misschien wel directer gevoeld dan de collectieve schuld om die lege wijk.

Walter van der Kooi, 12 mei 1999