29

Jaargang 125, Nr. 29

In deze editie

De Groene poëzie-enquête

Het is veel gezegd, het is veel geschreven: de poëzie leeft. Elke zichzelf respecterende gemeente heeft zijn literair festival waarop muzenzonen en –dochters, al dan niet begeleid door snerpende gitaren en woeste bas, vanaf de podia hun verzen scanderen. Hoe ludieker hoe beter, lijkt het credo: Dichters in de Botanische Tuin, Dichter aan Huis, Dichter bij de Molen. Maar wat schiet de poëzie eigenlijk op met zulke ridicule manifestaties, vraagt Menno Wigman zich af in zijn bijdrage aan dit nummer. Het blijft bizar dat dichters als wilde dieren worden gadegeslagen terwijl hun bundels ongelezen blijven. De afgelopen vijf jaar gaven Nederlanders tussen de vijf en negen miljoen gulden uit aan poëzie, gemiddeld nog niet één procent van de totale besteding aan boeken. Toch wisten dichters als Neeltje Maria Min en Nel Benschop ooit monsteroplages te behalen, beiden worden in dit nummer geïnterviewd. Ook bloemlezingen doen het nog altijd aardig, vooral als ze over seks en liefde gaan, beweert Fleur Speet. Komt die eeuwige malaise in de poëzie misschien niet ook omdat de poëzie zich nauwelijks engageert? Rob Schouten zet uiteen waarom het in Nederland nooit van politieke poëzie zal komen. Naast onder meer artikelen over hoe een gedicht gelezen of uit het hoofd geleerd moet worden, vindt u in dit zomernummer portretten van de allerlaatste vergeten dichter, van Dante, Reve en Gorter, van Byron, Camões, Slauerhoff en van Querulijn Xaverius markies de Canteclaer, die wordt geprofileerd door Martin van Amerongen. Hieronder allereerst de Groene Poëzie-enquête, waarin dichters, critici en redacteuren zich uitspreken over de huidige stand van zaken in de poëzie.

Joris van Casteren, 21 juli 2001