Jaargang 132, Nr. 21

In deze editie

Dichters&Denkers

Rubriek

Eiland

Ik had een gesprek met een zilvermeeuw. Een grote was het, met zo’n rode voederstip op z’n snavel. Hij zat op de rand van de Hofvijver in Den Haag, onder de bloeiende kastanjes. Ik zei een keer of vier: ‘Zal ik jou eens grijpen?’ En daar antwoordde hij steeds op met een paar onverstaanbare keelgeluiden, en hij deed of hij ging opvliegen. Ik wilde hem grijpen, en met hem nog veel meer meeuwen, waterhoentjes, eenden en een paar dikke ganzen, omdat zij het eiland in de Hofvijver tot een aanfluiting maken. Stelt u zich voor: het regeringscentrum van dit land, zonneschijn, een troepje Japanners, de eeuwenoude gebouwen, de Ridderzaal, de blinkende fontein op het Binnenhof, een Italiaanse ijscoman die geen malaga-ijs verkocht, de ministers Klink en Cramer, ontspannen babbelend in hun lunchpauze, de vlaggen langs de Hofvijver, het Mauritshuis, met daarin het magistrale Gezicht op Delft van Johannes Vermeer. En dan dat eiland! Ik wist eerlijk gezegd niet wat ik zag. Er staan een paar mottige bomen op, waarvan één wilg helemaal scheef, wat gestruikte, veel opgeschoten gras, maar ook zijn er hele stukken blote aarde. Modder eerder, vol ganzenstront. Een eiland vol onkruid en stront, in de vijver voor het eeuwenoude symbool van de macht in dit land! Mijn metgezel vond het mooi. ‘Echt natuurlijk’, zei hij. Echt natuurlijk? Een ongehoorde rotzooi was het, een schandvlek, een, een… Ik stikte haast in mijn woorden, en toen wilde ik die meeuw gaan grijpen, maar die kokkelde gezellig terug. Die voelde zich wel thuis in die ‘natuurlijke omgeving’. Ik zou zeggen: laad een paar hoveniers, een tuinontwerper en een graafmachientje op een bootje, vaar ze naar het eiland en laat de kettingzagen brullen. Wat dacht dat troepje Japanners wel niet? Of de Italiaanse ijscoman? Wat ze ermee doen, maakt me niet zo veel uit, als het maar een beetje strak is. Desnoods een buxusveld met één boom, maar dan niet mottig en scheef. Of, mooier nog en Hollandser: een schelpenvlakte met negen knotwilgen op een kluitje (en natuurlijk een hek tegen die ganzen). Ik wil zelf ook op dat bootje.

Gerbrand Bakker, 23 mei 2008