De tienduizend detectoramateurs in Nederland zijn uiteenlopende gasten. Van levensgevaarlijke granatenzoekers tot in aardewerk gespecialiseerde geleerden. Zelf vind ik bijzonderheden uit de middeleeuwen het leukst. In mijn museum heb ik bijvoorbeeld een zeventiende-eeuws zeskantig percussiepistool, een zwarte steen die gebruikt werd als strijkbout en een driedubbele gouden ducaat uit Hongarije. Maar ook een machinepistool uit 1943 van de Duitse speciale troepen. Je vindt van alles. Het meeste bestaat natuurlijk oude pijpekoppen, scherven en beenderen.
Mijn favoriete vondst is een middeleeuwse pelgrims- insigne, opgedragen aan Sint Hubertus. Die pelgrims hadden de keuze tussen het schavot of een jarenlange voetreis naar een bedevaartsplaats in Europa. Hoe verder hoe beter. Als bewijs moesten ze dan zo'n insigne meenemen. Daar zaten hele gekke bij: vliegende fallussen die op trompetjes blazen en op krukken lopende kutten.
Bijzondere vondsten geven we altijd op aan de archeologische dienst. Zodat Nederland daarmee zijn geschiedenis beter kan begrijpen. Dat is een soort erecode. Daarbij heeft de staat wettelijk recht op vijftig procent van de op haar gebied gedane vondsten. Met particulieren spreek je zelf een percentage af. En als je een enkel muntje vindt - de zogenaamde losse vondsten - kan je die gewoon houden, daar kraait geen haan naar.
Wat je vooral nodig hebt, is een hoop geduld. Maar weinigen hebben dat. Mijn vriendin gaat bijvoorbeeld alleen mee als ik naar de zee ga. Terwijl zij ligt te zonnebaden, speur ik het strand af. Dat levert nooit meer op dan een paar sleutelbossen en wat kwartjes van koningin Juliana. Voor de echt grote biep in je detector kun je beter ergens anders zoeken. De grote droom blijft toch die pot met goud die ergens in de grond ligt te wachten.‘