De tien grootste problemen

10: Doorgeschoten marktdenken

‘De economisering van de samenleving laat veel schadelijke sporen achter’

Mirko Noordegraaf, hoogleraar organisatiewetenschappen, Universiteit Utrecht

Medium 10

IN DE Verenigde Staten verscheen twee jaar geleden een klein maar opmerkelijk onderzoek naar de slechte schoolprestaties van kinderen uit etnische minderheidsgroepen. Hun lage cijfers leken vaak een kwestie van self-fulfilling prophecy. Ze presteerden ondermaats omdat dit min of meer van ze werd verwacht. Deze negatieve vooroordelen bleken vervolgens lang door te werken in hun verdere levensloop.

Maar het onderzoek bood tevens een oplossing. De schoolprestaties gingen met sprongen omhoog als de kinderen een paar keer per jaar een opstel moesten schrijven over waarden die ze zelf belangrijk vonden. Het negatieve effect van de vooroordelen werd er nagenoeg geheel mee teniet gedaan. Twee jaar later was het verschil met kinderen die geen opstel hadden hoeven schrijven nog steeds immens. De kinderen presteerden beter, simpelweg omdat er een appèl op hun waarden werd gedaan. Daar kwam geen cijfer of andere prikkel aan te pas.

Het voorbeeld is afkomstig van cognitief-socioloog Siegwart Lindenberg uit Groningen. Hij gebruikt het ter illustratie van zijn belangrijkste klacht: we willen tegenwoordig alles oplossen met prikkels en incentives. Het idioom van het marktdenken is doorgedrongen tot domeinen waar het niet thuis hoort.

Medium milo10

Lindenberg schrijft: ‘Bij de politiek in Nederland (en ook in andere westerse landen) overheerst de visie dat het belangrijkste beleidsinstrument het manipuleren van “incentives” is, van “slimme” beloningen en bestraffingen. De overheid kan hierbij, naar eigen zeggen, het beste de betutteling van burgers vermijden door de marktwerking zo veel mogelijk uit te breiden. De markt reguleert immers op wonderlijk efficiënte manier de relevante incentives vanzelf. Voor een deel is dat terecht, maar het probleem is dat de maatschappij niet slechts bij “achterstandskinderen” maar vrijwel overal geconfronteerd wordt met psychosociale effecten die langdurige en zware negatieve gevolgen hebben.’ Incentives versterken dan slechts negatief gedrag, kijk bijvoorbeeld naar banken, inspecties, naar het milieubeleid, de gezondheidszorg, naar onze omgang met minderheden.

Wat Lindenberg dwars zit, is dat critici van deze aanpak voor hun gevoel vechten tegen de bierkaai. 'Voor de maatschappij is het een van de grootste en hardnekkigste problemen dat het bolwerk dat voor vrijwel alle grote problemen incentive-gerichte beheersing voorstaat het gebruik van niet-incentive-gerichte benaderingen weert.’ Ook al zijn die laatste dus effectiever.

Dat is ook de ervaring van hoogleraar ontwikkelingseconomie Irene van Staveren, verbonden aan het International Institute for Social Studies. Zij laakt het doorgeschoten geloof in marktwerking waar de incentive-benadering op teruggrijpt. Het vrijlaten van het taxibedrijf heeft het er voor iedereen enkel slechter op gemaakt, memoreert ze. Ook de privatisering en liberalisering van de thuiszorg is geen succes gebleken. 'De Wet Maatschappelijke Ondersteuning die in 2007 werd ingevoerd heeft ondernemers aangetrokken zonder intrinsieke motivatie, die het als een kans zagen om met overheidsgelden te woekeren zonder betere kwaliteit te bieden aan degenen die te weinig onderhandelingsmacht hebben om voor zichzelf of hun familieleden (mantelzorgers) op te komen. In een kleine steekproef die ik heb gedaan in Rotterdam onder mantelzorgers bleek dat er minder thuiszorg werd geboden, tegen hogere bedragen, zodat mantelzorgers zwaarder belast werden.’ Kortom, op verschillende beleidsterreinen is het marktdenken in Nederland volledig doorgeschoten en wordt het te gemakkelijk als oplossing gezien voor ingewikkelde maatschappelijke problemen, aldus Van Staveren.

Waar komt dit toch vandaan? Waarom geven marktprincipes tegenwoordig zo vaak de doorslag? De Rotterdamse cultureel-econoom Arjo Klamer wijst de vinger naar het neoliberale gedachtegoed, die naar zijn smaak veel te dominant is. 'Hiermee hangt samen de nadruk op marktwerking, prestatiebeloning en internationalisering. Een van de consequenties is een financiële markt die alles overwoekert, letterlijk de centra van wereldsteden in bezit heeft genomen, met als gevolg dat de wereld om geld draait in plaats van andersom.’

Organisatiewetenschapper Mirko Noordegraaf is Klamers klacht uit het hart gegrepen. De Utrechtse hoogleraar maakt zich zorgen over de gevolgen van het marktdenken voor de onderlinge menselijke relaties. Hoe kunnen we normale sociale verhoudingen en waarden waarborgen in een competitief en op prestaties gericht klimaat? Noordegraaf schrijft: 'In een wereld die bol staat van concurrentieprikkels, global competition, prestatieverbetering, transparantie, excellentie, rankings, value for money, evidence based handelen, bezuinigingen en noem maar op, gebeurt veel met alledaagse relaties en werkpraktijken. Gedrag wordt calculerender en relaties worden zakelijker, anoniemer en vijandiger. Dat treft ook publieke dienstverlening; cliënten worden objecten die vooral aangepakt en verbeterd moeten worden. Cultuur is een instrument geworden.’ De economisering van de samenleving, zo schrijft hij, laat aldus veel schadelijke sporen na.

Dat speelt niet enkel in Nederland, valt de Twentse filosoof Hans Achterhuis Noordegraaf bij. Achterhuis, emeritus hoogleraar wijsbegeerte, wijst erop dat het grootste deel van de bevolking uit de Derde Wereld, met China voorop, er vooral naar streeft ons westerse consumptiepatroon zo snel mogelijk te bereiken. Hij wil niet doorgaan voor ondergangsprofeet, zo schrijft Achterhuis, 'maar toch worden wij wereldwijd meer en meer consumenten in plaats van politiek betrokken burgers, toch gaan marktrelaties onze hele levenssfeer steeds dwingender bepalen, toch krijgen onze onderlinge relaties veel van concurrentieverhoudingen. De ongetwijfeld cynische Michel Houellebecq overdrijft nauwelijks als hij ons hedendaagse bestaan schildert als “De wereld als markt en strijd”.’

Daar komt nog bij dat die vrije markt helemaal niet alles vanzelf goed ordent, ook al denken velen dat. Dit laatste betoogt althans onderzoeker Rens van Tilburg, econoom en tot voor kort verbonden aan de Adviesraad voor Wetenschaps- en Technologiebeleid. De financiële crisis heeft laten zien dat zelfregulerende markten helemaal niet het beste resultaat opleveren. Maar toch is bij veel beleidsmakers het geloof hierin niet gebroken. Het verklaart het gebrek aan bestuurlijke daadkracht van vandaag, schrijft Van Tilburg: 'De financiële sector blijft daardoor een goudmijn, de manier om te profiteren van menselijke zwakheden als gierigheid, kortzichtigheid, angst en zelfoverschatting.’

Er is blijkbaar sprake van een 'ideologie’, van, zoals Rens van Tilburg het omschrijft, 'een eclectisch bouwwerk van economische theorieën met de, voor wat lui aangelegde beleidsmakers, prettige conclusie dat de wereld het best af is als de overheid de markt zo min mogelijk voor de voeten loopt’. Des te zuurder, meent hij, dat er al sinds de jaren zeventig serieuze kritiek wordt geuit op het theoretische fundament van de vrije-marktideologie door Nobelprijswinnaars als Amartya Sen en Daniel Kahneman.

In plaats van de markt zou de overheid zichzelf meer op de voorgrond moeten duwen als economische kracht, vindt ook Alfred Kleinknecht, hoogleraar economie van innovatie aan de TU Delft. Hij schrijft: 'Den Haag is incapabel (en mist een sense of urgency) om te investeren in onderwijs en kennis. Dit zal op langere termijn consequenties hebben voor het soort bedrijvigheid en werkgelegenheid dat zich hier ontwikkelt. Er zullen almaar meer mensen zijn die hard moeten lopen voor een bescheiden inkomen in precaire banen. Zij zullen rancune ontwikkelen tegen de elite die hen te grazen neemt.’

Een vergelijkbaar verwijt maakt Robert Kloosterman, hoogleraar economische geografie en planologie aan de UvA. De toekomst is aan steden die met elkaar in concurrentie gaan, schrijft hij. Het vergt verstandig overheidsbeleid om in dat geweld een goede uitgangspositie te bemachtigen. Inderdaad moeten het onderwijs en de economie op orde zijn, maar we hebben ook een open houding nodig en een internationale inbedding.

Dat vergt een krachtige, actieve overheid, schrijft Kloosterman: 'De neoliberale revolutie mag dan een begrijpelijke reactie zijn geweest op een verstarde en vermolmde samenleving waarin overheid, grote bedrijven en vakbeweging elkaar in de jaren zeventig in een wurggreep waren gaan houden, maar daarmee is niet gezegd dat een kleine overheid in zichzelf een groot goed is. De bovengenoemde voorwaarden zullen niet door de markt vervuld worden, daar is een actieve overheid voor nodig als regelgever en regelhandhaver, (her)verdeler, als organisator van onderwijs en als initiator van investeringen in sociale en fysieke infrastructuur. Dat moet op een andere wijze - veel minder top-down en veel meer rekening houdend met de toegenomen diversiteit in de samenleving - dan in de Gouden Jaren van vlak na de Tweede Wereldoorlog tot de eerste oliecrisis. Dat was overigens zoals de grote historicus Tony Judt (2010) in zijn Ill Fares the Land terecht constateerde een periode met hoge economische groei. Met hem ben ik van mening dat een sterke overheid juist noodzakelijk is voor het borgen van welvaart, sociale stabiliteit en een democratische open samenleving.’