10. een sterfgeval

Nog voordat de deur in het slot was gevallen, zette David de tv aan. Al zappend trok hij zijn regenjas uit. De mislukte avond met Daphne zat hem niet lekker, maar dat was niet eens het ergste. Klokkend schonk hij een glas cognac in. Verdomme. Het leek alsof Lucille Nauta hem behekst had. Hoe kon een onbekende verpleegster hem zo in haar macht hebben? David staarde met nietsziende ogen naar het scherm. Op de televisie scheurde een politieauto gillend over een brede, zonnige boulevard. Buiten sloeg de torenklok twaalf maal.

Hij schrok toen plotseling de telefoon begon te rinkelen. ‘Met Rosenbach’, zei hij kortaf. Uit het plastic stegen verwarde geluiden op. Gesputter, een onderdrukte snik. Zijn hart begon heftig te bonzen. Misschien was oma … 'Hallo’, riep hij ongeduldig. 'Met wie spreek ik?’
Aan de andere kant van de lijn klonk de stem van zijn zusje.
'David?’ zei ze huilend. 'Met Ronnie.’
'Is oma…?’ vroeg hij aarzelend. Tot zijn grote ergernis merkte hij dat het woordje 'dood’ in zijn strot bleef steken als een graat.
'Neeeee!’ jammerde ze. 'Het is Lau. De dokter heeft hem vanavond laten inslapen. Hij was doodziek. En ik had het niet eens door!’ Lau was haar hond. Een grote, goeiige lobbes. David voelde een mengeling van opluchting en verdriet. Hij had vaak op Lau gepast en hele monologen afgestoken tegen de weemoedige kop van het beest. Onhandig probeerde hij Ronnie te troosten. Dat lukte eerst niet, ze gaf hem het gevoel dat hij erg domme dingen zei. Haar antwoorden waren scherp en bits. 'Ik wil helemaal geen nieuwe hond. Alsjeblieft geen kat, doe me een lol.’ Maar toen hij dierbare herinneringen ophaalde aan het mooie hondeleven dat Lau geleid had, kalmeerde ze toch.
Om half een legde hij zacht de hoorn neer. Zijn oor tintelde. Tussen de palmbomen op de boulevard werd een man in slow motion door ontelbare kogels doorzeefd. Hij voelde een brok in zijn keel. Vreemd dat de dood van een beest authentiek verdriet opriep. Nog vreemder dat die hond er niet meer was.
Toen hij in bed stapte, was David nog altijd treurig. De gedachte aan zuster Nauta duwde hij weg, hij had nu geen zin in de opwinding die haar koele gestalte genereerde. Wel droomde hij van haar. Ze liep door eindeloze ziekenhuisgangen en hij volgde. Haar figuur - eerst kaarsrecht en streng - werd steeds ronder. Plotseling stopte ze en draaide zich langzaam naar hem om. Hij wilde verlangend op haar afrennen, maar tot zijn afschuw was ze in een totaal andere vrouw veranderd. Dik, moederlijk, gezellig. Alles om hem heen smolt. Als kaarsvet. De volgende ochtend werd David wakker met een gevoel van vervreemding. Eigenlijk moest hij een artikel over de lezing van gisteravond schrijven maar hij deed het niet. Krampachtig probeerde hij zich de echte zuster Nauta voor de geest te halen. Dat lukte niet. Haar beeltenis was uit zijn geheugen gewist.