H.J.A. Hofland

10 mei

Stellen we ons voor dat Hitler een andere strategie had gevolgd, dat een neutraal Nederland hem liever was geweest dan een veroverde natie die hem in het concept van zijn grote Europese veldtocht niets dan last zou veroorzaken – wat dan? Zo absurd is die veronderstelling niet. Sinds het einde van onze Tiendaagse veldtocht tegen de Belgische opstand, op 12 augustus 1831, was handhaving van de neutraliteit het fundament van onze buitenlandse politiek geweest.

De Eerste Wereldoorlog had daar niets aan veranderd. Na de machtsovername door de nazi’s in Berlijn, januari 1933, was onze regering wel tot het inzicht gekomen dat het gevaar opnieuw in het Oosten dreigde, maar het Nederlandse antwoord daarop was opnieuw een strikte handhaving van de neutraliteit. In de loop van de jaren dertig werd de Waterlinie weer in gereedheid gebracht, er werden moderne betonnen kazematten gebouwd (je kunt ze nog zien langs de spoorlijn tussen Amsterdam en Hilversum en bij de Moerdijkbrug), we kregen betere vliegtuigen en afweergeschut, maar neutraal zouden we blijven.

Sterker. Onze regering kon zich niet voorstellen dat de Nederlandse neutraliteit zou worden geschonden. Onze militaire attaché in Berlijn, generaal-majoor G.J. Sas, die de beste contacten in Duitsland had, heeft vanaf november 1939 steeds dringender gewaarschuwd dat de aanval in voorbereiding was. In de nacht van 9 op 10 mei 1940 heeft hij voor het laatst alarm geslagen. Ook toen werd hij nog niet geloofd. Het dogma van de neutraliteit strekte er verder toe dat Den Haag zelfs niet in het geheim met de Geallieerden overlegde voor het geval het in de oorlog zou worden betrokken. De bevestiging heb ik later, bij de voorbereiding van een televisiefilm, gekregen van de toenmalige minister G.J. van Kleffens van Buitenlandse Zaken. ‘Wij vonden het Verenigd Koninkrijk als bondgenoot te zwak’, zei hij.

Enerzijds was de regering dus niets van plan dat tot nadeel van Duitsland zou zijn geweest. Aan de andere kant had Hitler er alleen voordeel bij gehad als hij Nederland ongemoeid had gelaten. Als de Führer destijds beter had nagedacht, zouden we hoogstwaarschijnlijk buiten de oorlog zijn gebleven, hadden we daarin de bevestiging gezien dat afzijdigheid het meest loont, en was Nederland nu een soort Zweden of Zwitserland geweest. Welvarend, internationaal gerespecteerd en nog steeds neutraal.

10 mei is de historische datum waarop we, tot volslagen verrassing van de grote meerderheid, na meer dan een eeuw afzijdigheid weer de grote wereld in zijn gesleurd. In haar rede sprak koningin Wilhelmina met ‘vlammende verontwaardiging’. Natuurlijk. Verontwaardigd is het minste wat je kunt zijn als je zo’n misdaad overkomt. Maar zit er ook niet een ondertoon van verongelijktheid in? Weliswaar had een minderheid het zien aankomen, zich ervan overtuigd gehouden dat het onvermijdelijk was, maar een meerderheid voelde zich ook verontwaardigd omdat deze voorbeeldig neutrale natie zo’n overval niet had verdiend. De verontwaardiging was niet vrij van verongelijktheid.

Van het ene uur op het andere was Nederland bondgenoot geworden, lidstaat van een machtsblok. Zolang de oorlog duurde heeft deze revolutie geen moeilijkheden veroorzaakt. De strijdkrachten hebben zich, voorzover ze niet gevangen waren genomen, in de bondgenootschappelijke rijen geschaard. Maar na de oorlog bleek dat we er nog altijd van overtuigd waren dat Nederland meer was dan een ‘klein landje’, zelfs in zeker opzicht een wereldmacht gebleven. Toen Indonesië op 17 augustus 1945 officieel bekendmaakte dat het geen boodschap meer aan de Nederlanders had, liet Den Haag weten dat dit in Den Haag werd uitgemaakt. Het gevolg daarvan was een oorlog die bij ons nog steeds te boek staat als de twee politionele acties.

Om die oorlog te voeren hebben achtereenvolgende regeringen een expeditionaire macht van op den duur 150.000 man naar de andere kant van de wereld gestuurd. Dat leger is daar vier jaar gebleven, een inspanning te vergelijken met die van de Amerikanen in Irak. Dit alles tegen de stemming en de wil van de internationale gemeenschap en de Verenigde Naties in. Dat we die oorlog hebben verloren, heeft ons niet belet althans te proberen het in 1960 nog eens over te doen door Nieuw-Guinea zijn onafhankelijkheid te bezorgen. Daarvoor hebben we zelfs ons vliegdekschip, de Karel Doorman, naar de Oost gestuurd. Ook aan deze tragikomedie is een smadelijk einde gekomen.

Sindsdien zijn we niets anders dan de trouwe en vaak braafste bondgenoot in de Navo, en vooral van de Verenigde Staten. Deze nationale metamorfose van neutraal koloniaal wereldrijk tot kleine, allertrouwste bondgenoot is op 10 mei 1940 begonnen.

Daarom vind ik dat we deze dag in ons herdenkingsrepertoire moeten opnemen.