Orhan Pamuk

10. Sneeuw

Orhan Pamuk, Sneeuw (2002)

Vorig jaar rond deze tijd hield Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk een lezing in Rouen, de geboortestad van Gustave Flaubert. Hij sprak over de fameuze brief die de Franse auteur op 15 december 1850, vanuit Istanbul, schreef aan zijn moeder. Flaubert verwoordt er zijn schrijverscredo: de wijn schilderen, evenals de liefde, de vrouw en de roem, maar nooit een dronkaard worden, noch een minnaar, laat staan een echtgenoot. Afstand houden van het leven.

Als beginnend schrijver was Flaubert zijn held, zei Pamuk in Rouen, omdat er een aura van moderniteit om hem heen hing, de westerse schrijver bij uitstek. Hij bewonderde de nieuwe stijl die Flaubert introduceerde, zijn ironie, zijn woede, de manier waarop hij zijn stem verhief tegen de banaliteit, de middelmaat van de burgermaatschappij: ‘Monsieur Flaubert, c'est moi.’

Inmiddels heeft Pamuk een oeuvre bij elkaar geschreven, dat zijn eigen narratieve toon heeft: cerebraal, trefzeker, (over)geconstrueerd, kritisch, veelomvattend en, net als Flaubert, afstandelijk en wars van iedere banaliteit. In ieder boek onderzoekt hij, zonder zich als politiek schrijver te afficheren, de (vaak gewelddadige) geschiedenis van zijn vaderland, de uitermate ingewikkelde verhouding tussen de waarden van het islamitische Oosten en het christelijke, seculiere Westen. Iedere fase van het pendulum van de Turkse geschiedenis, tussen nationalisme en Osmaans kosmopolitisme, tussen traditie en de wil tot imitatie van en aansluiting bij het Westen, is in zijn overvolle romans terug te vinden.

Dat geldt ook voor het in 2003 in Nederlandse vertaling verschenen Sneeuw (in het Turks: Kar, 2002), een complexe, veellagige roman waarin de dichter Ka als hoofdpersoon figureert. Ka heeft voor deze reis zijn woonplaats Frankfurt verlaten, waar hij een vreugdeloos leven in zelfgekozen ballingschap leidt. Hij gaat naar Kars om er de verkiezingscampagne te volgen en het raadsel van een reeks zelfmoorden onder tienermeisjes, de 'sluierdraagsters’, te onderzoeken. Bovendien heeft hij gehoord dat de vrouw van wie hij houdt, Ipek, onlangs is gescheiden.

Oude en nieuwe verhalen rijgen zich op oosterse wijze aaneen. Hoofdpersoon Ka raakt in vele discussies verzeild, vooral over religie. Hij wil wel 'geloven in wie de sjeik ook gelooft’, maar zelf heeft hij altijd 'als de Europeanen willen zijn’. 'De westerling in mij verwart me.’

'Wat doe ik op deze wereld?’ vraagt Ka zich af: 'Wat zien die sneeuwvlokken er vanuit de verte deerniswekkend uit, en wat is ook mijn leven deerniswekkend. Een mens leeft, kwijnt en verdwijnt.’

Uiteindelijk is dat de eerste ambitie van de schrijver: de 'fundamentele angsten van iedereen’ verwoorden, de angst voor uitsluiting, het gevoel niet mee te tellen, vernederd te worden, schuldig te zijn, zoals Pamuk het zelf uitdrukte in zijn dankrede bij de aanvaarding van de Nobelprijs. Pas daarna komt, indirect en op afstand, de politieke en maatschappelijke dimensie.

Flaubert zou het niet beter hebben kunnen zeggen.