Economie

11/13

De verklaring waarmee IS de aanslagen in Parijs opeiste droop van stadshaat. Parijs was de hoofdstad ‘van prostitutie en zonde’.

En de slachtoffers in het Bataclan-theater waren ‘heidenen’ die in groten getale waren afgekomen op een concert waarin, opnieuw, ‘zonde en prostitutie’ prevaleerden. Ook de aanslagen ademden deze boodschap. Door op een milde vrijdagavond restaurants, stadions en concerthallen aan te vallen gaven de terroristen er blijk van het te hebben voorzien op het stedelijke leven: chaotisch, individualistisch, hedonistisch en promiscue – niet in seksuele zin, maar in de betekenis van toevallige ontmoetingen faciliterend, met individuen aan gene zijde van welke sociale scheidslijn ook.

De diepgewortelde stadshaat van IS is vorig jaar huiveringwekkend verbeeld in de film Timbuktu van de Mauritiaanse regisseur Sissako. Daarin wordt de gelijknamige Malinese stad onder de voet gelopen door jihadisten. Uitgedost met jihadvlaggen, kalasjnikovs en landcruisers en communicerend in een wonderlijk allegaartje van Frans, Engels, Arabisch en Berbers, vaardigen de bezetters het ene edict na het andere uit. Er wordt een uitgaansverbod opgelegd; er mag geen muziek meer worden gemaakt; er mag niet meer in het openbaar worden gelachen; roken wordt verboden; voetballen wordt uitgebannen, en overtreders wacht steeds gruwelijkere lijfstraffen: zweepslagen, handafhakkingen, onthoofdingen.

Plezier, spel, liefde, geluk, kunst – het zijn menselijke beslommeringen die maar afleiden van waar het echt om gaat: de totale onderschikking van het individu aan een hoger doel. En in het geval van IS is dat van transcendente herkomst. En dus moet de stad, met zijn verlokkingen, zijn geuren, geluiden en glinsteringen, met harde hand worden getransformeerd in een stil, saai, stoffig, streng gelovig boerendorp.

Stadshaat is geen religieus privilege. De moderne geschiedenis wemelt van de voorbeelden van seculiere ideologieën die al evenzeer werden gekenmerkt door een afkeer van de stad. Neem Mao’s culturele revolutie. In het van klassenhaat verwrongen brein van de late Mao stond de stad voor ‘burgerlijk revisionisme’ dat de eerdere communistische revolutie ongedaan wilde maken en een kapitalistische orde wilde vestigen. Om China te ‘zuiveren’ van revisionistische elementen werden miljoenen stadsbewoners hardhandig in heropvoedingskampen op het platteland gestopt.

De stad als haard van burgerlijke besmetting en het platteland als bron van zuivering en werderopstanding: tien jaar later zou Pol Pot het in Cambodja nog eens dunnetjes overdoen. Met vergelijkbare aantallen slachtoffers, naar schatting tussen de één en drie miljoen – maar dan op een populatie van acht miljoen.

De toekomst van de stad staat op het spel

Dichter bij huis manifesteerde zich er een vreedzamere variant van. Het modernisme in architectuur en planologie had, om andere redenen, al evenzeer een hekel aan het chaotische, ondoorzichtige en daardoor oncontroleerbare stadsleven. Zoals de Amerikaanse antropoloog James Scott in zijn briljante Seeing Like a State heeft betoogd, stonden de ideeën van de Franse architect Le Corbusier model voor een blik op stad en wereld die transparantie, voorspelbaarheid en beheersing als hoogste waarden beschouwde. Als het aan Le Corbusier had gelegen zou de burger zich in zijn auto, over brede, lineaalrechte boulevards, op strak georkestreerde wijze, van zijn ‘woonmachine’ naar zijn binnenstedelijke ‘werkmachine’ en omgekeerd hebben begeven.

Wij danken er onze tuinsteden, halfbakken cityvorming en vinexwijken aan, en de VS hun suburbs. Hier is niet de bucolische utopie de tegenhanger van de smerige stad, maar de reine, geordende buitenwijk waar de gegoede middenklasse tijdens de industriële revolutie haar toevlucht toe nam om het vunzige proletariaat te ontvluchten: Bergen, Bussum, Wassenaar.

De Parijse gruweldaden tonen ons, als in een demonische lachspiegel, het ongekende belang van de open, vrije stad en de nonconformistische levensstijlen die er kunnen florereren. Ja, het is chaotisch, rommelig, anomisch, smerig, promiscue. Maar dezelfde condities die daarvoor verantwoordelijk zijn – diversiteit, nabijheid, anonimiteit, vrijheid – maken het plezier, spel, geluk en de liefde mogelijk waar film, literatuur, theater, beeldende kunsten en de stadsbewoners zelf zo vaak lyrisch van spreken.

En het is o zo weerloos tegen kalasjnikov en bulldozer. In een prachtige column in The Financial Times van afgelopen zaterdag schreef de Brits-Nederlandse inwoner van Parijs Simon Kuper over de kwetsbaarheid van het stadsleven. Wonend in kleine, dicht opeengepakte appartementen is de Parijzenaar veroordeeld tot een publieke ruimte die afgelopen vrijdagavond is veranderd in een slagveld. Wil ik in zo’n publieke ruimte mijn kinderen grootbrengen, vroeg Kuper zich af.

Het is – helaas – een terechte vraag. Maar even terecht is de vraag of we willen leven in een door en door gemilitariseerde publieke ruimte, die ons een per definitie illusoire veiligheid belooft. Het is ook de toekomst van de stad die op het spel staat in onze reactie op 11/13.