Marlene van Niekerk

11. Agaat

Marlene van Niekerk, Agaat (2004)

Niet lang nadat Agaat (2006) uitkwam, sprak ik de schrijfster in Amsterdam. Ze sprak goed Nederlands, met een licht Zuid-Afrikaans accent dat ik erg mooi vond en waarvoor ze zich geheel onnodig verontschuldigde. Ik vroeg haar wat ze ervan vond dat sommige recensenten haar roman lazen als een metafoor van de politieke verhoudingen in Zuid-Afrika. Een zwarte vrouw verzorgt een stervende witte vrouw en erft uiteindelijk haar bezittingen.

Marlene van Niekerk: ‘Je kunt het zo lezen, ik heb daar natuurlijk wel aan gedacht toen ik het schreef, maar het is niet mijn eerste ingang geweest. Ik wilde eerder laten zien hoe macht bij verschillende mensen, in dit geval vrouwen, uitwerkt. Je moet uitkijken om koste wat het kost aan mijn boek een politieke lading te geven, dat leidt tot een reductie van het hele werk. Een boek moet geheimen bevatten, sluitende verklaringen leiden vaak tot absurditeiten. Die eenheid zoekende lezingen van boeken of gedichten stuiten me altijd tegen de borst.
Ik heb gewerkt met een idee van mimicry, nabootsing. Agaat bootst de witte cultuur na, ze kan niet anders, ze neemt die over, ze leert de Zuid-Afrikaanse liedjes en psalmen, ze spreekt perfect Zuid-Afrikaans, ze is protestant, maar tegelijkertijd houdt ze vast aan oude rituelen die haar iets magisch geven. Ze leert ook borduren, een van de hoofdbezigheden vroeger van Afrikaanse witte Boerenvrouwen. Dat borduren krijgt bij Agaat ook een magische betekenis, ze weeft een net van ondergang rondom Milla.’

Agaat bevat uitvoerige beschrijvingen van het leven op een Zuid-Afrikaanse boerderij van ongeveer 1950 tot de omwenteling met Mandela.

'Ik ben een echte verzamelaar en bewaarder. Thuis in Stellenbosch heb ik allerlei leggers met enorm veel feiten. Als ik over omstandigheden ergens schrijf, moet het ook goed zijn, lezers moeten het gevoel hebben dat ik weet waarover ik praat. Dus heb ik me fors verdiept in de landbouw van die tijd. Ik groeide zelf op op een experimentele boerderij in Swartland, overigens niet de streek waar mijn roman zich afspeelt. Dus wist ik nog vrij veel uit eigen ervaring. Ik heb veel gehad aan mijn vader, die voorlichtingsambtenaar op die boerderij was, hij moest de bevolking leren hoe het moest. Hij wist nog bijzonder veel over allerlei rituelen en gewoontes op het platteland, maar ik ben ook echt in de oude handboeken gedoken.

Ik probeer in mijn roman de zintuiglijkheid van het boerenbedrijf vast te leggen, de geuren, de klanken. Ik geloof dat ik wel iets heb van een encyclopedist. Natuurlijk krijg je door beschrijvingen van hoe het eruitziet en wat er gebeurt ook de kans je personages goed in het licht te zetten. Hoe verschillend ze reageren als er bijvoorbeeld een lam wordt geslacht. De lezer leert ze daardoor beter kennen. Het gaat erom dat ik zo goed mogelijk schrijf. Ik ben een perfectionist, dat zit blijkbaar in me.’