11. de zitter

‘Ik zal een jaar of zes zijn geweest. Het was kerstmis. Na de nachtmis liep ik met mijn ouders de stikdonkere nacht in. Het sneeuwde. Onder die dikke witte sneeuwvlokken die op en om ons neerdaalden, ervoer ik… overgave. Door de wereld gedragen worden, en de wereld dragen. Een glimp van het paradijs, een ogenblik van… ja, genade. Door Zen probeer ik dat moment van genade weer tot mij te laten komen.

Zen betekent zitten. Op een kussentje, met een rechte rug, gekruiste benen, zonder iets te zeggen, soms uren achtereen. Niets doen. Alleen maar zitten. Je zou het eens moeten proberen. Het is een onthullende en vaak onthutsende ervaring. Je schouwt opeens naar binnen in plaats van naar buiten.
Wie een beetje doorzet, merkt dat een stroom van denkbeelden in ijltempo door het hoofd kan gaan gieren. De pijn in je benen en het gebrek aan zintuiglijke afleiding wordt onverdraaglijk en vertwijfeld vraag je je af waar je eigenlijk mee bezig bent en waarom je niet toegeeft aan de allesoverheersende drang om op te staan, op te staan!, uit deze totale waanzin. Dan merk je pas wat het moderne leven met je doet. Dat je niet eens meer in staat bent om eventjes de grond onder je te voelen. Dat je in wezen heel bang bent en verschrikkelijk eenzaam. En dat je dat niet wilt, niet kunt accepteren.
Dan, opeens, gaat het weer. Omdat ik mijn gedachten toch niet kan beinvloeden, laat ik ze maar los. Laat ze maar stromen, ze mogen er zijn. Ik geef mij over. Een gelukzalig gevoel van rust daalt op mij neer. Alles is zoals het is. Niets meer en niets minder. In al mijn verschrikkelijke eenzaamheid mag ook ik er zijn. Waarom? Fuck, ik weet het niet! En het geeft niet. Alles mag. Genade.
Ik ben aan Zen gaan doen nadat ik in mijn relatie en in mijn werk volkomen was vastgelopen. Ik had een baan bij Philips, aan het begin van de jaren tachtig. Die carrieregerichtheid en dat no nonsense-denken van die mensen, dat stuitte mij enorm tegen de borst. Een onheilspellend gevoel bekroop mij: alles in de wereld loopt mis. We groeien kapot! Waarom ziet men dat niet?
Volledig afgebrand ben ik op zo'n kussentje gaan zitten. Om te ontdekken dat ik in feite net zo was als al die mensen waar ik zo op afgaf. Net zo eerzuchtig en krampachtig en overtuigd van mijn gelijk. Geen greintje verschil. En die goddelijke genade, die hebben zij net zo goed. Want in de kern is alles goed en volmaakt, en wel precies zoals het is. Wij zijn allemaal verlicht. De vraag is alleen: maakt het iets uit of je je daar bewust van bent?
Ach, weet ik veel. Al dat boeddha-gelul klinkt wel mooi, maar als alles in wezen volmaakt is, waarom zijn er dan heroinehoertjes? Waarom zijn er piraten die Vietnamese bootvluchtelingetjes afslachten? Piraten die in de kern niets van mij verschillen. Niets, godverdomme! Genadeloos vermoorden en verkrachten wij kleine meisjes. Hoe, in godsnaam, kan dat?
Jazeker, God is almachtig en alles is prachtig en als het straks weer lente is dan doet de wereld niets anders dan stralen. Stralen! Maar voor wie?’