Al-Qaeda: de opvolgers

11 september II

De angst voor een herhaling van «11 september» is terecht, aldus terrorisme deskundige Rohan Gunaratna. De militaire aanpak van het islamistische terrorisme faalt en de bezetting van Irak werkt contraproductief. Het door de VS bezette Irak is de bakermat van een nieuwe generatie jihad-strijders.

In 2004 zal de wereld waarschijnlijk wederom getuige zijn van een islamistische terreuraanslag met een hoog slachtoffertal op westers grondgebied. Ook moeten we rekening houden met meer en verwoestender aanslagen in het Midden-Oosten, Azië, de Hoorn van Afrika en de Kaukasus. De terroristen zullen zich richten tegen economische, godsdienstige en civiele doelen en gebruikmaken van de beproefde tactiek van gecoördineerde zelfmoordoperaties.

De Amerikaanse interventie in Irak heeft de internationale veiligheidssituatie alleen maar verslechterd. De terreurspiraal in de wereld is verder opgeschroefd en de positie van islamitische overheden en de steun van de internationale publieke opinie voor terreurbestrijding zijn verzwakt. De groei van islamistische bewegingen in Irak en de wijde omtrek wordt erdoor aangewakkerd. Ze krijgen meer invloed in eigen land dankzij de groeiende haat en woede tegen de Ver enigde Staten en hun bondgenoten, terwijl al-Qaeda en aanverwante terreurgroepen van deze wraaklust profiteren om nieuwe aanhang te werven onder moslims in het Westen en de islamitische wereld.

Voortzetting van de huidige, louter militaire terreurbestrijding leidt er hoogstens toe dat andere groepen op den duur de plaats van al-Qaeda gaan innemen. Het onvermogen van de internationale gemeenschap om meer hulp te bieden aan Afghanistan en Pakistan speelt extremistische ideologen in de kaart en helpt de leiding van al-Qaeda te overleven. En de westerse onwil om Iran aan te pakken geeft hardliners in Teheran de gelegenheid om vluchthavens en steun aan al-Qaeda en verwante groeperingen te bieden.

Het is waar: dankzij de militaire aanpak zijn de laatste twee jaar ongeveer 4100 leden en aanhangers van al-Qaeda gedood of gearresteerd. Onder hen bevinden zich enkele van de belangrijkste leiders, met name Khalid Sjeik Mohammed, het brein achter «11 september»; Moestafa Achmed Hawasawi, de internationale boekhouder van de groep; Ramzi bin al Shibh, de logistieke coördinator van «11 september»; Aboe Zoebaida, verantwoordelijk voor ondersteunende operaties, en Yazid Soefaat, hoofd van het miltvuurprogramma van al-Qaeda. Maar het islamistische milieu blijft onverminderd strijdbaar en terreurgroepen gaan gewoon door met rekruteren en fondsen werven. Door de eenzijdige militaire benadering, het onvermogen om terroristische geldstromen in te dammen en het uitblijven van een ideologisch tegenoffensief zal de dreiging ook de komende jaren in stand blijven. Op de lange termijn kan de internationale gemeenschap de strijd alleen winnen indien zij een begin maakt met een waarlijk grensoverschrijdende samenwerking tussen opsporings- en veiligheidsdiensten, overheden en rechts gebieden.

Een nieuwe aanslag in de trant van 11 september 2001 kon tot nu toe worden voorkomen door een combinatie van ongekende veiligheidsmaatregelen, samenwerking van inlichtingen- en veiligheidsdiensten en verhoogde publieke waakzaamheid. Maar hoewel het vermogen van de terroristen om toe te slaan in Noord-Amerika, West-Europa en Australazië is aangetast, is de wil tot zo’n aanslag nog even sterk. En omdat er sinds 2001 niet meer zo’n aanval op westers grondgebied heeft plaatsgevonden, slaat nu allerwegen de laksheid toe, zodat de kansen voor al-Qaeda en aanverwante groepen om alsnog grootscheeps toe te slaan weer stijgen.

De meeste aanvallen zullen echter plaatsvinden in moslimlanden en gericht zijn tegen symbolische en strategische doelen van de Verenigde Staten en hun bondgenoten. Dat zijn er nogal wat, en het is ondoenlijk ze allemaal te beveiligen. Vanwege de verscherpte bewaking van militaire en diplomatieke objecten zullen de terroristen zich richten op «zachte» doelen en drukbevolkte plekken van economisch belang (toeristenoorden, hotels, banken) of van religieuze aard (christelijke, joodse en hindoeïstische bedevaartplaatsen). Het zullen vrijwel allemaal zelfmoordaanslagen met behulp van voertuigen zijn, het handelsmerk van al-Qaeda. En hoewel die aanslagen veel slachtoffers zullen eisen, ook onder moslims, kunnen de betreffende groepen blijven rekenen op voldoende steun.

Omdat al-Qaeda zelf verzwakt is, zal het overgrote deel van deze aanslagen worden uitgevoerd door andere groepen uit Azië, het Midden-Oosten, de Hoorn van Afrika en de Kaukasus. Zoals reeds is gebleken in Turkije, Marokko, Tsjetsjenië, Pakistan, Tunesië, Algerije, de Filippijnen, Jordanië, Irak en Indonesië zijn lokale groepen met training, wapens, geld en ideologische inspiratie van al-Qaeda in staat tot even dodelijke aanvallen als de groep van Osama. De aanslagen zullen voornamelijk het werk zijn van zes naar al-Qaeda gemodelleerde groepen: de Al Ansar al Islami in Irak, de Salafi Groep voor Gebed en Strijd in Algerije, de Al Ansar Moedjahedien in Tsjetsjenië, de Hezb-i-Islami, de Islamitische Beweging van de Taliban en de Jemma Islamiyah in Zuidoost-Azië.

Door de invasies van de door de Verenigde Staten geleide coalitie in Afghanistan en Irak hebben de organisatoren, financiers en andere experts van al-Qaeda hun toevlucht gezocht in gastvrije of wetteloze gebieden in het Midden-Oosten, Azië en de Hoorn van Afrika. Dankzij hun verspreiding werden ze minder grijpbaar. Bovendien gingen ze samenwerkingsverbanden aan met islamis ten in Irak en zijn grensgebieden, Jemen, de Hoorn, de Pakistaans-Afghaanse grens en de Indonesische en Filippijnse eilanden. Van al deze landen is Irak uitgeroepen tot het nieuwe jihad-land bij uitstek. De aanvallen in Irak zullen mettertijd in omvang en intensiteit toenemen dankzij een ongehinderde toestroom van moedjahedien via Iran, Syrië en Saoedi-Arabië, dankzij de samenwerking van buitenlandse moedjahedien met Saddam-aanhangers, de groeiende steun van verontwaardigde moslims in de hele wereld en de stilzwijgende ondersteuning vanuit de buurlanden.

De snelle opeenvolging van de huidige aanslagen in Irak zet het tempo voor andere terreurgroepen, die ruwweg in vier zones geconcentreerd zijn. Ten eerste in Irak, dat zich net als Afghanistan gedurende de sovjetinvasie ontwikkelt tot verzamelplaats voor gepolitiseerde en geradicaliseerde moslims uit de hele wereld. Terwijl het overgrote deel van de buitenlandse moedjahedien nu nog afkomstig is uit de Levant, zullen zich de komende tijd vermoedelijk moslims uit Noord-Afrika en de Golf, de Hoorn van Afrika en de Kaukasus, en geboren of bekeerde Europese en Aziatische moslims bij hen voegen. En zoals de strijd tegen de sovjets in Afghanistan de eerste generatie moedjahedien heeft gevormd, zo zal de strijd tegen de Amerikanen in Irak het aanzien geven aan een nieuwe generatie.

Al-Qaeda heeft ook een indrukwekkende infrastructuur opgebouwd in de Hoorn van Afrika en gebruikt die regio als uitvalsbasis voor operaties in de Golf en Afrika. Enkele honderden al-Qaeda-leden in Jemen (een land dat slechts voor een derde door de overheid wordt gecontroleerd) reizen op en neer naar Oost-Afrika om de Hoorn uit te bouwen tot volwaardige basis. De komende jaren zullen Oost-Afrikaanse islamistische groepen steeds vaker van zich doen horen. Equatoriaal Afrika met zijn incompetente en corrupte regeringen blijft de achilleshiel van de westerse veiligheids- en inlichtingendiensten.

Vooralsnog blijft Pakistan een belang rijke draaischijf in de strijd tegen het terroris me, aangezien Al Hezb-e-Islami, Taliban en al-Qaeda alles in het werk stellen om de noordwestelijke grensprovincie van Pakistan om te vormen tot uitvalsbasis voor operaties in Afghanistan (een herhaling van de antisovjetcampagne van de Afghaanse moedjahedien). Tussen de terugtrekking van de sovjets in februari 1989 en de Amerikaanse interventie in oktober 2001 was Afghanis tan een Disneyland voor terroristen. Profiterend van de internationale onverschilligheid konden al-Qaeda, de Taliban en andere islamistische bewegingen er ongehinderd tienduizenden moedjahedien opleiden. Hoewel bijna zeshonderd uit Afghanistan gevluchte al-Qaeda-leden gearresteerd zijn, bevindt zich nog steeds een reusachtige reserve van getrainde moedjahedien nabij de Afghaans-Pakistaanse grens. En hoewel de Pakistaanse president Moesharraf manmoedig doorgaat met het bestrijden van al-Qaeda en Taliban, groeien achter zijn rug de islamistische aanhang en de oppositie tegen zijn bewind. Om te voorkomen dat in de naaste toekomst een islamistische regering in Islamabad aan de macht komt, moet het Westen zich vanaf nu inspannen voor brede steun aan Moesharraf, een verbetering van de Pakistaans-Afghaanse betrekkingen en een internationale oplossing voor het Indiaas-Pakistaanse geschil inzake Kasjmir.

Nu de Verenigde Staten van het ene op het andere moment een buurland van Iran zijn geworden, roepen ook de hardliners in Teheran op tot steun aan de anti-Amerikaanse opstand in Irak. Van de uit Afghanis tan verdreven al-Qaeda-aanhang bevinden zich naar schatting vijfhonderd strijders in Iran, aangevoerd door Saif al Adil en Saad bin Laden, de 24-jarige zoon van Osama. Terwijl gematigde Iraanse politici pleiten voor een strenge aanpak van al-Qaeda sturen de hardliners juist aan op een herhaling van de gelijktijdige zelfmoordaanslagen van de Libanese Hezbollah in oktober 1983, waarbij 241 Amerikaanse en 58 Franse soldaten om het leven kwamen en de multina tionale strijdmacht werd gedwongen zich terug te trekken. Zolang het Westen geen toenadering zoekt tot Iran zal deze tweeslachtige houding van Teheran tegenover al-Qaeda waarschijnlijk voortduren.

Twee jaar na 11 september 2001 is het ledental van al-Qaeda van vierduizend naar duizend teruggevallen. Hoewel de slagkracht van de organisatie met het verstrijken van de tijd verwaarloosbaar zal worden, wordt de strijd voortgezet door andere, door al-Qaeda aangestoken groepen. De blijvende bijdrage van al-Qaeda aan de wereldwijde jihad is de schepping van deze nieuwe generatie moedjahedien. Ondanks deze verschuiving van het zwaartepunt van al-Qaeda naar andere, verwante groeperingen blijven de Amerikaanse contraterreurorganisaties een overstelpende hoeveelheid mensen en middelen besteden aan de jacht op Osama en zijn medewerkers. Dit is een vergissing van strategische proporties, temeer omdat de gezamenlijke terreurbestrijders niet willen inzien dat ze te maken hebben met een wisseling van generaties onder de moedjahedien.

Door zich aan te passen aan de veranderende politieke, geografische en strategische werkelijkheid van het moment vinden de moedjahedien zichzelf van generatie op generatie opnieuw uit. Het falen van de ene generatie bij het bereiken van zijn politieke doelen mondt uit in de geboorte van de volgende. En bij elke generatiewisseling wordt de ideologie krachtiger, de organisatie ongrijpbaarder en de tactiek dodelijker. Het geheim van hun overlevingstactiek is onvoorwaardelijke trouw aan de islamistische stelregels van geduld, doorzettings vermogen en vasthoudendheid.

Al naar gelang de politieke omstandig heden en de veiligheidssituatie waarmee ze te maken hebben, investeren de moedjahedien in hun operatieve of ideologische opbouw. In een veilige omgeving leggen ze zich toe op het voorbereiden en uitvoeren van aanslagen, in een onveilige gedragen ze zich onopvallend terwijl ze rekruten werven en hun organisatie versterken met behulp van propaganda en indoctrinatie. De dood of arrestatie van hun leiders en de zware verliezen aan leden op aarde betekenen niet het einde van hun strijd. Hun trouw ligt bij God en de zin van hun strijd gaat vanzelf over op de volgende generatie.

Geen enkele terreurcampagne kan het stellen zonder steun van buitenaf. De steunpunten van de opeenvolgende moedjahedien-generaties ontstaan, groeien en verdwijnen niet in een vacuüm. Ze ontstaan in een historische context en uit historische gebeurtenissen. Deze gebeurtenissen zijn het resultaat van externe invloeden (de bezettingen van Afghanistan en Irak door sovjets en Amerikanen) of interne factoren (de doelbewuste aanslagen van 11 september 2001). Zulke gebeurtenissen verschaffen de ideologische brandstof en de materiële reserves waarmee ze hun campagnes gaande houden. Het is daarom van het grootste belang dat de door de Verenigde Staten geleide coalitie en met name de moslim landen zich niet enkel toeleggen op de militaire aanpak van het terrorisme.

Het terrorisme vraagt ook om een stevig ideologisch antwoord. Islamitische leiders moeten de boodschap uitdragen dat al-Qaeda en verwante groepen niet orthodox maar ketters zijn en dat ze de heilige teksten uit politiek oogmerk verkeerd voorstellen. Zolang er geen ideologisch antwoord is, zullen islamistische groeperingen publieke steun voor hun strijd blijven vinden. Bovendien moet de strijd tegen al-Qaeda en verwante groepen niet worden voorgesteld als een beschavingsbotsing tussen de islam en het Westen. Het is een strijd binnen de islamitische wereld tussen gematigde en extremistische moslims en tussen progressieve islamitische partijen en de islamistische terreurgroepen. Als het Westen deze strijd in zijn voordeel wil beslechten, moet het moslimregeringen en hun bevolking juist ondersteunen omdat zij zelf het uithoudingsvermogen en de kracht voor de bestrijding van religieus extremisme en politiek terrorisme missen.

Als de westerse aanpak gepast, beheerst en doortastend is, kunnen de islamistische terreurgroepen mettertijd worden verslagen en gemarginaliseerd. Omdat het Westen beschikt over het langste uithoudings vermogen, de grootste reserves en over inlichtingendiensten met het grootste bereik moet het die intelligent aanwenden, met name om het ontstaan van nieuwe terreurkernen te voorkomen. Anders is het veroordeeld tot een dagelijkse strijd zonder voorzienbaar einde. Terrorisme is als slechte adem. Het is een bijproduct van langdurige sociaal-economische en politieke malaise. Het begrijpen en aanvaarden van dit feit is de grootste uitdaging waarvoor het Westen momenteel staat.

Vertaling: Aart Brouwer