Essay - Decentralisatie als machtsstrijd

€ 12.000 betalen om € 1200 te ontvangen

Zijn de decentralisaties in de zorg van 2015 een reële machtsoverdracht van rijk naar gemeenten, van gemeenten naar hulpverleners en van hulpverleners naar burgers? Of is de greep van boven juist verstevigd?

Medium essay

‘Hoe gaat het met de decentralisaties?’ Het is een vraag die Han Noten regelmatig voorgelegd krijgt. De voormalige senator en huidige burgemeester van Dalfsen is door minister Plasterk gevraagd om de Transitiecommissie Sociaal Domein te leiden, een driemanschap dat geacht wordt de vinger aan de pols te houden bij de voortgang van de decentralisaties van jeugdzorg, ondersteuning en participatie. Het is nu iets meer dan een jaar geleden dat die hun weg vonden naar gemeenten. En de vraag is: gaat het wel goed?

Noten wordt geacht de deskundige bij uitstek te zijn. Lang breide hij lange zinnen met veel komma’s als antwoord. Tot hij de enig juiste typering vond. Hij zegt nu: ‘Niet verkeerd.’ In al z’n vaagheid is het precies de juiste aanduiding. Want het is een wonder dat in die ‘transitie en transformatie’ geen grote ongelukken zijn gebeurd, maar tegelijkertijd weet niemand eigenlijk precies hoe de stand van zaken echt is.

De veranderingen zijn namelijk ongekend. Na 1 januari 2015 zijn zeker tienduizend professionals op een andere werkplek met andere collega’s gaan werken als lid van een sociaal wijkteam. In acht van de tien gemeenten moest zo’n nieuw sociaal wijkteam de vooruitgeschoven post vormen voor een nieuwe manier van werken: dicht bij de burgers, met veel ruimte voor maatwerk zodat problemen van bewoners in een vroeg stadium in hun samenhang kunnen worden aangepakt. Het idee was om de verkokering te doorbreken, de bureaucratie te verminderen en escalatie van problemen te voorkomen, zodat minder dure zorg nodig zou zijn. Hoe kun je zo’n mega-onderneming in één oordeel vangen? Gelukt of mislukt?

En wil het rijk eigenlijk wel serieus decentraliseren? Vooral bij de Participatiewet wordt de gemeentelijke beleidsvrijheid op allerhande manieren beknot. Gemeenten zijn eigenlijk vooral uitvoeringskantoren die strikt moeten doen wat op het Haagse hoofdkantoor is bedacht. Niet in de laatste plaats omdat veel gemeentelijke sociale diensten geregeerd worden door de angst dat te veel maatwerk leidt tot een afkeurende accountantsverklaring en daarmee tot boetes van het rijk. Het gevolg is dat er op het terrein van werk en inkomen een cultuur is ontstaan waarbij door Den Haag voorgeschreven rechtmatigheid belangrijker is dan lokale doelmatigheid of efficiënter maatwerk. Met als gevolg dat de medewerkers van de sociale dienst de grote afwezigen zijn in de sociale wijkteams van de gemeenten. Wat het niet makkelijker maakt om de belofte van integraal werken waar te maken.

Er zijn zelfs rijksregels die maatwerk verbieden. Neem de kostendelersnorm. Als meerdere volwassenen op één adres wonen, kunnen zij kosten delen. Als een van hen een bijstandsuitkering heeft, vindt een korting plaats. Vanuit het idee dat een bijstandsuitkering een vangnetvoorziening is, valt dit te begrijpen. In sommige gevallen is de kostendelerskorting echter volstrekt absurd. In een gezin in Amsterdam heeft één kind om onduidelijke redenen als enige geen verblijfsvergunning gekregen. Hij mag in Nederland zijn hoger beroep afwachten en woont bij zijn moeder. Omdat hij ouder is dan 21 wordt zijn moeder gekort op haar uitkering vanwege de kostendelersnorm. Maar de zoon mag niet werken. Hij kan dus helemaal niet legaal bijdragen aan het gezinsinkomen. Toch moet de moeder een slordige driehonderd euro per maand inleveren. Zelfs bij zo’n overduidelijk absurd voorbeeld mag de gemeente geen uitzondering maken.

Hoe dus te oordelen over de mega-operatie die dit kabinet heeft ingezet? Wat ons betreft door scherp voor ogen te houden wat de bedoeling is. De decentralisaties zijn namelijk gestoeld op de gedachte dat burgers meer zeggenschap moeten krijgen over hun eigen leven en dus ook over de zorg en ondersteuning die ze krijgen. De Nederlandse verzorgingsstaat is gebouwd op een lange paternalistische traditie waarin er voor mensen van alles geregeld wordt, zonder dat ze een stem hebben in de manier waarop die zorg vorm krijgt. Mahatma Gandhi heeft dit paternalisme ooit mooi aangeklaagd: ‘Alles wat je voor mij doet, zonder mij, doe je tegen mij.’

De belofte van de decentralisaties is om met die traditie af te rekenen. Of zoals het in de beleidsnota’s in één formule wordt samengevat: niet voor mensen, maar door mensen. Deze verplaatsing van zeggenschap is echter niet zozeer een organisatievraagstuk in de vorm van het opzetten van sociale wijkteams, maar veeleer een machtsvraagstuk. Je kunt dingen wel dichtbij, in de buurt, organiseren en je kunt een regisseur per gezin hebben, maar als het plan een dictaat is, dan voelt zorg dichtbij niet als empowerment, maar als een vergroting van de machteloosheid.

Om echt fundamentele stappen te kunnen zetten moet je ook vanuit dit perspectief naar de veranderingen blijven kijken. Voor een geslaagde verbetering van de zorg en de lokale dienstverlening is een drievoudige machtsoverdracht nodig. Van het rijk naar de gemeente (oftewel van staat naar stad), van beleidsmakers naar uitvoerende professionals en van hulpverleners naar bewoners/burgers. Om de vraag te beantwoorden of de decentralisaties een succes zijn moeten we dus niet kijken of de bezuinigingen zijn gerealiseerd, en ook niet of er organisatorische hervormingen worden doorgevoerd, maar of mensen meer te zeggen hebben gekregen over hun leven en de hulp die ze nodig hebben om vooruit te komen.

***

Al sinds het midden van de jaren tachtig worden taken overgedragen aan gemeenten. Toen brak bij zo’n beetje alle politieke stromingen het besef door dat de nationale staat niet langer het turbovermogen had om vanuit Den Haag taken op het terrein van zorg, welzijn, wonen, milieu, economie en leefbaarheid tot in de haarvaten van de samenleving aan te sturen en voor te schrijven. Vanaf 1985 zijn systematisch taken overgeheveld naar wat dertig jaar geleden nog lagere overheden heetten, maar tegenwoordig wat respectvoller ‘andere overheden’ worden genoemd. Met 1 januari 2015 dus als voorlopig hoogtepunt toen gemeenten een groot aantal taken op het terrein van zorg, jeugd en arbeid voor hun rekening mochten gaan nemen. Maar is daarmee ook iets wezenlijks veranderd?

Veel gemeentelijke sociale diensten worden geregeerd door de angst dat te veel maatwerk leidt tot boetes van het rijk

De bestuurskundige Wim Derksen zei ruim tien jaar geleden dat er sprake is van een decentralisatieparadox. In een onderzoek voor de Vereniging Nederlandse Gemeenten analyseerde hij dat de decentralisaties zoals die door het rijk werden opgezet in het tegendeel dreigden te verkeren, omdat ze niet zozeer werden ingefluisterd door een reële overdracht van macht, maar vooral gericht waren op het beheersen van het lokale beleid. Want met elke decentralisatie werd het gemeentefonds verder opgetuigd met regels en verantwoordingsmechanismen die gemeenten ertoe moesten dwingen het geld conform de wensen van het rijk uit te geven. Dus, zo waarschuwde Derksen de vng, tuin er niet in! Als het rijk echt de gemeentelijke beleidsvrijheid zou willen vergroten, dan zou het bijvoorbeeld de mogelijkheden vergroten om lokaal belasting te heffen. Geen haar op de Haagse hoofden die daar serieus over nadenkt, meende Derksen. En zo kwam de bestuurskundige tot zijn paradox: naarmate het rijk meer decentraliseert, neemt de macht van het rijk toe.

Inmiddels zijn we tien jaar verder en ligt de grootste decentralisatieoperatie ooit een jaar achter ons. Heeft Derksen gelijk gekregen? De Haagse legitimering van de decentralisaties is dat we overschakelen van een verzorgingsstaat naar een participatiesamenleving, die vorm moet krijgen onder gemeentelijk beheer. Het idee was dat gemeenten dichter bij de mensen waar het om gaat maatwerk kunnen leveren, zodat problemen van mensen in hun samenhang worden aangepakt. Wie wel de opvoedproblemen wil aanpakken, maar niet de schuldenproblematiek in het gezin pakt de bron van de spanning niet aan. Soms is de beste vorm van jeugdzorg om ouders aan het werk te helpen. Daarom moeten de veranderingen in de Participatiewet en de jeugdzorg dus nauw op elkaar aansluiten.

Helaas is dat niet het geval. Gemeenten zijn in veel opzichten met handen gebonden, zoals in de uitvoering van de Participatiewet en de verplichting tot het toepassen van de kostendelersnorm. In september 2015 werd aan de Amsterdamse wethouder Arjan Vliegenthart een compleet zwartboek aangeboden met voorbeelden waarin de kostendelersnorm averechtse effecten heeft. Grootouders die in het kader van pleegzorg bereid waren om hun kleinkinderen op te nemen, zien daarvan af omdat het gevolgen heeft voor hun uitkering. Een zoon met ernstige psychiatrische problemen woont bij zijn vader. Die wordt gekort op zijn uitkering. Hij heeft daardoor financiële problemen gekregen. De spanning in huis doet de zoon geen goed. Zoon is nu in arrenmoede aangemeld voor een opname in een ggz-instelling.

Een man komt uit detentie en kan terecht bij een vriend. Die wordt nu gekort op zijn uitkering waardoor de man (die hoorde bij de top-zeshonderd van veelplegers in de hoofdstad) weer op straat staat. Hij slaapt nu in een tentje. De kans dat hij weer ontspoort is daardoor levensgroot. Een man die zorgt voor zijn nagenoeg blinde schoonmoeder kan zijn korting niet begrijpen omdat hij precies doet wat de regering vraagt. Hij ziet zichzelf als schoolvoorbeeld van de participatiesamenleving, maar het huishouden wordt daardoor gestraft met een korting. In het zwartboek wordt het kernachtig onder woorden gebracht: ‘Mensen worden ontmoedigd om elkaar te helpen.’

De kostendelersnorm past in een patroon. Taken worden gedecentraliseerd om met maatwerk problemen in hun samenhang te kunnen aanpakken, maar tegelijkertijd wordt dat maatwerk belemmerd door landelijke regels of landelijk opererende instellingen. Zo zijn professionals in wijkteams vaak veel tijd kwijt om toegang te krijgen tot het cjib, de overheidsdienst die belast is met het innen van justitiële boetes, of tot de Belastingdienst of het uwv. Die landelijk opererende overheidsinstellingen hebben geen boodschap aan de decentralisaties. Zij gooien geregeld roet in het eten bij het streven naar één gezin, één plan, één regisseur, want dat is een werkelijkheid waar ze niets mee te maken hebben. Het gevolg is dat die regisseur vooral tijd kwijt is om te voorkomen dat het cjib een bewoner gijzelt omdat hij nog een boete heeft openstaan, of ervoor te zorgen dat de Belastingdienst zich houdt aan de beslagvrije voet en niet zomaar geld van de rekening van bewoners afschrijft.

Medium essay 202

Het leidt tot absurde voorbeelden. Een voormalige alcoholist zat in een instelling voor beschermd wonen. Hij kon uitstromen naar een gewone woning. Maar hij had nog een boete openstaan voor een onverzekerde scooter, die inmiddels was opgelopen tot twaalfhonderd euro. De man dreigde gegijzeld te worden, wat wil zeggen dat hij in de gevangenis wordt gestopt om hem te dwingen te betalen. Dat kon hem wel eens zijn baan kosten. Om dat te voorkomen werd een betalingsvoorstel geaccepteerd dat geen ruimte meer overliet om zelfstandig te wonen. En dus bleef hij beschermd wonen, wat de gemeente minstens twaalfduizend euro kost. De gebrekkige machtsoverdracht van staat naar stad leidt zo tot hardnekkige kortzichtigheid.

***

Het zijn zomaar voorbeelden van de halfhartige wijze waarop politiek Den Haag in dit herordeningsproces staat. Er vindt geen echte politieke discussie plaats over wat in een decentrale staat de taak van de rijksoverheid is, welk beleid daarbij hoort en hoe groot de ruimte van gemeenten en van burgers mag zijn om hun eigen oplossingen te kiezen. Laat staan dat er een serieuze discussie plaatsvindt over wat nu precies een sociale infrastructuur zou moeten zijn voor wat met de decentralisaties bereikt zou moeten worden: de participatiesamenleving. Wat is daar, behalve de wensgedachte, nu echt materieel voor nodig?

Als de regering het echt serieus zou willen aanpakken moet ze gericht een einde maken aan alle regelingen die contraproductief zijn. Dan moeten politiek, beleidsmakers en bestuurders eindelijk systematisch gaan bedenken wat er nodig is om informele krachten in de samenleving daadwerkelijk een rol te geven in de vormgeving van de zorg. Dan moeten we onze uitkeringsregimes zo inrichten dat ze dat niet langer direct bestraffen, maar dat ze het stimuleren als mensen zich dienstbaar tonen op het terrein van onderlinge zorg. Dan moeten we de fiscaliteit zo inrichten dat mensen voordeel kunnen hebben als ze zorgverantwoordelijkheid dragen. Dan moeten we onderlinge garantieregelingen mogelijk maken, fiscaal en juridisch nieuwe collectieve arrangementen op de kaart zetten. Alleen horen we daar in Den Haag maar weinig over. Eigenlijk wijst niets erop dat men daar op het Binnenhof echt werk van wil maken.

Soms is het beter om niet voor één kind uit de klas jeugdzorg in te zetten, maar iets te doen aan de dynamiek in de klas

Gelukkig ontstaat bij diverse gemeenten meer zelfbewustzijn. Wethouders zoeken bewust de grenzen van de wet op, beroepen zich op uitzonderingsbepalingen, grijpen de politieke macht die hun toekomt en spreiden zo nodig bestuurlijke ongehoorzaamheid ten toon. De taaltoets voor de bijstand, zo liet de Amsterdamse wethouder Vliegenthart weten, gaan we op onze manier invoeren (dus niet!). Mag de bijzondere bijstand niet ingezet worden voor schulden? Dan richten we een fonds op waardoor het wél kan. Moeten we mensen met een arbeidsbeperking naar werk begeleiden? Kom dan niet met allerhande bepalingen en procedures rondom een doelgroepenregister, maar laat ons lokaal afspraken maken met werkgevers!

Dat is de toon voor de komende jaren. Steeds vaker zullen gemeenten, al dan niet in georganiseerd verband, Den Haag negeren of druk uitoefenen om te mogen doen wat nodig is. Misschien dat het op het Binnenhof leidt tot een fundamentele discussie over wat echt een decentraal geordende staat inhoudt, en wat daarin de (terughoudende) rol van de rijksoverheid is. Voorlopig zijn er echter weinig tekenen die erop wijzen dat de dames en heren in het parlement van zins zijn om hier fundamenteel met elkaar over van gedachten te wisselen.

***

Maar de machtsverhouding tussen staat en gemeenten is niet het enige probleem waar de decentralisaties mee worstelen. Binnen gemeenten moet er om de beloften waar te kunnen maken ook een machtsoverdracht tot stand komen van beleid naar professionals. De belofte van de decentralisaties om problemen in een vroeg stadium in hun samenhang aan te pakken staat immers op gespannen voet met de manier waarop de publieke sector is georganiseerd. Om de belofte waar te maken moet er gebroken worden met de verkokering. Professionals in wijkteams lopen niet alleen vast op landelijke instellingen als het cjib, de Belastingdienst en de uwv, maar lopen ook aan tegen de gemeentelijke verkokering die maatwerk in de weg staat.

Veel bewoners die terechtkomen bij een sociaal wijkteam hebben schulden. Als daar niks aan gedaan kan worden, is de kans op succes bij het aanpakken van andere problemen gering. Maar nogal eens maken regels van de verschillende gemeentelijke loketten een schuldregeling onmogelijk. Neem dit voorbeeld. Een failliete ex-ondernemer heeft geen geld om de slotbalans van zijn bedrijf op te laten maken. Daardoor is onduidelijk hoe groot zijn schulden zijn. Als dat het geval is, is een schuldregeling niet mogelijk. Maar een aanvraag bij de bijzondere bijstand om de slotbalans op te maken wordt herhaaldelijk afgewezen. Wat moet een professional dan? Zo komt er van de belofte van maatwerk niks terecht.

Naast schulden is huisvesting een terugkerend probleem. Een prostituee wil uit het vak stappen. Ze huurt een kamer bij een voormalige klant. Die wil meer dan alleen de huur. Haar woonsituatie is niet veilig. Niet voor haar en niet voor haar kind. Jeugdzorg wil het kind uit huis plaatsen als er niks verandert. Een ander huis biedt een oplossing, maar ze wordt herhaaldelijk afgewezen voor een urgentie. De generalist heeft wel een plan, maar botst op een gebrek aan medewerking van andere (gemeentelijke) instellingen. Hij is verantwoordelijk, maar heeft niet de macht om de partijen die mee moeten doen zo ver te krijgen dat ze meedoen. Evelien Tonkens, hoogleraar aan de Universiteit voor Humanistiek, noemt dit in de essaybundel Wie houdt er niet van kakelbont?, gepubliceerd door de Transitiecommissie Sociaal Domein, verantwoordelijkheid zonder zeggenschap.

Voor de regels voor woningtoewijzing bestaan ongetwijfeld goede argumenten. We willen niet dat sociale huurwoningen alleen beschikbaar komen voor mensen die om wat voor reden dan ook urgent zijn, waardoor gewone woningzoekenden achter het net vissen. Maar als we onverkort aan de regels vasthouden, komt er van de integrale plannen niks terecht. Bovendien kan er veel meer dan vaak wordt gedacht. Zoals wethouders de grenzen opzoeken van de Haagse regels, zo moet ook binnen gemeenten gekeken worden naar het vergroten van de mogelijkheden voor maatwerk.

En als ze dat doen zullen ze stuiten op tal van gemeentelijke tegenstrijdigheden. Zo probeert de ene afdeling van de gemeente bewonersinitiatieven te ondersteunen en te stimuleren, maar zodra mensen in een pand neerstrijken brengt de afdeling Beheer Gemeentelijk Vastgoed marktconforme huren in rekening, zodat het bewierookte burgerinitiatief zijn energie vooral moet richten op het bijeenbrengen van geld voor de huur. Zo is de aanbesteding voor de jeugdzorg gebaseerd op hulp aan individuele kinderen, terwijl het soms beter is om niet voor één kind uit de klas jeugdzorg in te zetten, maar iets te doen aan de dynamiek in de klas.

De winst van de decentralisaties is dat deze tegenstrijdigheden nu veel zichtbaarder zijn geworden, zodat er ook lokaal geëxperimenteerd kan worden met oplossingen. Herman van Gunsteren, oud-hoogleraar politieke theorieën en rechtsfilosofie aan de Rijksuniversiteit Leiden, bepleit in de bundel Wie houdt er niet van kakelbont? een aparte route voor mensen die door strijdige regels geen recht kan worden gedaan. Hier moet dan ook een budget voor maatwerk aan verbonden worden. Zo wordt niet alleen voor individuele gevallen een uitkomst geboden, maar is er ook een stimulans om tegenstrijdigheden weg te nemen zodat het gebruik van de uitzonderingsroute afneemt.

***

Er is nog een derde machtsoverdracht aan de orde: van professionals naar burgers. Voor velen is het keukentafelgesprek de nieuwe werkelijkheid van de decentralisaties. In vrijwel alle gemeenten is ‘eigen kracht’ een leidend beginsel bij die gesprekken. In een eerder essay (De Groene Amsterdammer, 9 oktober 2014) hebben we laten zien dat dit beginsel een premie zet op het etaleren van machteloosheid. Bij een bijeenkomst van mensen met een persoonsgebonden budget gaf iemand het advies om je vooral niet op te maken voor het keukentafelgesprek. Dan zie je er depressiever uit en krijg je meer zorg. Bij een debat bekende een generalist dat hij zijn eigen moeder had aangeraden om in het keukentafelgesprek te zeggen dat ze geen contact had met haar kinderen. Want wie zegt: ‘Ik heb niemand, ik ken niemand, niemand kan me helpen’, krijgt meer steun van de overheid.

Zeker als de nood aan de man is, mensen in de war zijn, kinderen onveilig zijn, is een netwerk­gesprek niet het eerste waar je aan denkt

Deze tegenstrategieën van burgers wijzen erop dat zij helemaal niet het idee hebben dat ze zeggenschap hebben over de uitkomst van het keukentafelgesprek. Of zoals de filosoof René ten Bos in de essaybundel schreef: ‘Keukentafelgesprekken hebben de neiging te ontaarden in keukentafelpreken.’ In dat geval is nabijheid geen belofte, maar een bedreiging.

Pas als bewoners meer zeggenschap hebben over de zorg die ze krijgen leidt nabijheid tot empowerment. Het betekent dat initiatief van bewoners niet moet worden afgestraft, maar moet worden beloond. Dat was ook de filosofie van eigenkrachtconferenties. Als bewoners met behulp van hun netwerk een eigen plan maken, wordt dit in principe overgenomen door professionals (tenzij het plan niet veilig is voor de betrokken kinderen). Bij de jeugdzorgaanbieder Youké wordt gewerkt met vertrouwenspersonen uit het eigen netwerk van jongeren. Dat werkt heel goed op één voorwaarde: dat de vertrouwenspersoon ook zeggenschap krijgt. In principe wordt het plan dat de jongere met zijn vertrouwenspersoon maakt overgenomen.

Het is een enorme opgave voor professionals om deze omslag te maken, gewend als ze zijn om in één-op-één-contacten de hulpverlening ter hand te nemen. De Florence Nightingale-reflex zit diep ingebakken in onze professionele manschappen, overigens voor tachtig procent vrouwen. Zeker als de nood aan de man is, de schulden hoog zijn, mensen in de war zijn, kinderen onveilig zijn, is een netwerkgesprek niet het eerste waar je aan denkt. Dan moet er wat gebeuren. Maar om blijvend resultaat te boeken moeten mensen weer hun eigen leven ter hand kunnen nemen en moet er ook een omgeving tot stand komen die meewerkt.

Precies op dat – cruciale – punt wringt nogal eens de schoen. Er bestaat in kringen van sociaal professionals een grote terughoudendheid om anderen in zo’n gesprek te betrekken, laat staan om ze ook echt zeggenschap te geven. Dat kost ook veel tijd. Maar toch zullen ze om echt betere zorg en ondersteuning mogelijk te maken die kant op moeten bewegen en hun dienstbaarheid daar meer en meer op moeten gaan afstellen.

***

Er is, kortom, een aardverschuiving op gang gekomen in wat tegenwoordig in alle stadhuizen wordt aangeduid als ‘het sociale domein’. De frontlinies daarvan liggen in buurten en wijken waar burgers en professionals met elkaar nieuwe verbanden aangaan en nieuwe omgangsvormen creëren. Om tot een eenduidig oordeel te komen over de vraag of dat een succesvolle operatie is, daarvoor is het te vroeg. De operatie is ook – naar haar aard – divers. Er ontstaan verschillen tussen gemeenten. Dat maakt het ook spannend, welke verschillen kunnen we eigenlijk verdragen? Kan het oude machtscentrum de verleiding weerstaan om alles weer recht te trekken en te uniformeren?

Vast staat dat de aardverschuiving niet louter een organisatievraagstuk is, hoezeer technocratische modellenbouwers ons dat ook willen doen geloven. Het is geen model, het is een machtsgreep. Of dat zou het moeten zijn. Een machtsgreep van gemeenten ten opzichte van het rijk, een machtsgreep van uitvoerende professionals ten opzichte van de gemeenten en een machtsgreep van burgers ten opzichte van hun dienstverleners.

Revoluties gaan nooit vanzelf. Ze spelen zich ook nooit af op papier, hoezeer die indruk ook gewekt wordt in het land dat uitblinkt in beleidsnota’s. Ze vergen strijd in de dagelijkse praktijk. Machthebbers hebben bovendien niet de gewoonte hun positie spontaan ter beschikking te stellen. Sterker: ze hebben de neiging om hun positie te continueren door van boven naar beneden te gaan controleren. De vraag of de decentralisaties op termijn echte veranderingen teweegbrengen is dan ook afhankelijk van de mate waarin de machtigen worden uitgedaagd, getart en gedwongen om te gaan bewegen. Op alle niveaus.

Daarom moeten gemeenten een tegenmacht vormen tegen de Haagse aandrang om hen kort te houden met uitvoeringsvoorschriften en gedetailleerde bepalingen en hen als uitvoeringskantoren te behandelen. Ze moeten hun eigen vrijheden bevechten. Daarom moeten professionals zich keren tegen de neiging van gemeenten om hun werkwijzen te formatteren volgens de inkoopbepalingen en slagorders uit het stadhuis. Ze moeten maatwerk afdwingen. Daarom moeten burgers het recht claimen om een serieuze stem te krijgen in de wijze waarop zorg- en dienstverlening in hun omgeving wordt georganiseerd. Zij moeten zeggenschap opeisen.

De machtsverhoudingen zijn nog lang niet gekanteld; we zijn nog maar net begonnen met de revolutie om meer zeggenschap te krijgen over de ontwikkeling van onze kinderen, de inschakeling op de arbeidsmarkt en de zorg voor onszelf en onze naasten. Er is dus nog een lange weg te gaan, met maar één zekerheid: er is geen weg terug.


Pieter Hilhorst is journalist, politicoloog en oud-wethouder in Amsterdam; Jos van der Lans is cultuurpsycholoog en publicist. Zij rapporteren in opdracht van VNG/KING over de decentralisaties op de site socialevraagstukken.nl. In dat kader verscheen in januari het tweede deel van Nabij is beter: Over het inlossen van de beloften van de decentralisaties