12. borms en het verdriet van vlaanderen

Op 11 april 1946 krijgt de 68-jarige August Borms in zijn cel te horen dat hij de volgende dag zal worden terechtgesteld. Borms, die geweigerd had een genadeverzoek in te dienen, schrijft daarop een brief aan zijn vrouw: ‘Mijn kruisweg valt juist samen met de Passietijd, waarop de verrijzenis volgt. (…) Ontvang van verre mijn laatste zoen, leve Vlaanderen!’

Voor het executiepeloton hebben zich zo veel vrijwilligers gemeld dat men een speciale lijst heeft moeten opstellen. Er heerst een bijltjesdagsfeer, de kranten hebben zonder nuances opgehitst tegen de zwarten die met Hitler heulden en van wie Borms een der meest prominente en oudste is, een ook die zich niet alleen in de Tweede maar ook in de Eerste Wereldoorlog al meldde in het pro-Duitse kamp.
De witte pers hoont Borms ook na zijn dood. Men noemt hem ‘de germaanse paljassendokter Borms’ en 'een typisch exponent van het bekrompen, gedesorienteerde Vlaamse nationalisme.’ Een man, Willem Elsschot, durft het korte tijd later voor hem op te nemen in een magistraal, op Prediker en Jeremias geinspireerd gedicht: 'Een ieder zwoer bij God: “Ik heb hem niet gekend,/ die oude, door de pest geslagen krukkevent.”/ O lafheid ongehoord, o niet te delgen schand,/ waarvan ’t infame merk ons in het voorhoofd brandt.// Al werd uw oude romp in allerijl vermoord,/ de echo van uw stem wordt door geen schot gesmoord./ En wat van u resteert wordt eenmaal naar de Wet/ van Vlaanderens eergevoel, met staatsie bijgezet.’
Reeds als tienjarige schreef Borms een protestbrief aan een krant wegens de achterstelling van het Nederlands. Het was de eerste stap in een ontwikkeling die hem tot ongekroonde koning van Vlaanderen en Christus van de Vlaamse beweging zou maken. Hij onderscheidde zich voor de Blauwvoeterie, hij ijverde voor een Vlaamse Gentse Universiteit, hij was met zijn forse gestalte en warme stem een geliefd spreker, vooral op bijeenkomsten en toogdagen van de Vlaams nationale jeugdbeweging.
De Eerste Wereldoorlog brengt de stroomversnelling als Borms het voortouw neemt in het zogenoemde activisme, een beweging in het door de Duitsers bezette deel van Vlaanderen die streeft naar Vlaamse verzelfstandiging. Veel jongeren, die zich hebben gegroepeerd rond bladen als De Vlaamsche Post, Jong Vlaanderen en het Vlaamse Nieuws sluiten zich bij het activisme aan, evenals naar Nederland uitgeweken Vlamingen die in Amsterdam De Vlaamse Stem hebben opgericht. Vanuit zijn al voor de oorlog opgerichte Groeningerwacht bouwt Borms ook steun voor zijn beweging op. De Duitsers spelen hun eigen Flamenpolitik. In hun plan tot een nieuwe ordening van Europa past ook een onder Duitse supervisie vallende Vlaamse verzelfstandiging. Op 22 december 1917 roepen de activisten, die met de oprichting van de Raad van Vlaanderen hun beweging hebben geinstitutionaliseerd, inderdaad die zelfstandigheid van Vlaanderen uit. In opdracht van de naar Le Havre uitgeweken Belgische regering in ballingschap probeert men Borms nog in januari 1918 te laten arresteren, maar in opdracht van de Duitsers komt hij vrij. Borms gaat vervolgens als gevolmachtigde voor de landsverdeding namens de uit de Raad voortgekomen Commissie van Zaakgelastigden - feitelijk de eerste onafhankelijke Vlaamse regering - heel ver door reizen te maken naar en door Duitsland. De tegenstanders honen dat Borms zich daar op bieravonden laat feteren terwijl Vlaamse jongens vechten en sterven aan de IJzer. Een feit is dat het activisme zich nooit voor steun aan de Duitse oorlogsvoering heeft geleend. Borms heeft, evenals trouwens meer activisten, contacten gehad en nagestreefd met de in de loopgraven ontstane Vlaamse Frontbeweging, die eveneens een Vlaamse emancipatie nastreefde na de tijdens de oorlog ondergane vernederingen door de franskiljons. Fronters die de dienstbevelen van de alleen maar Franssprekende officieren weigerden te verstaan, werden voor dwangarbeid tewerkgesteld in het beruchte houthakkerspeloton. Hier is het radicale Vlaams-nationalisme geboren, dat velen tot lid van de SS-Vlaanderen zou maken.
Borms kreeg na de Eerste Wereldoorlog levenslang. Hij werd verdedigd door Ed. van Dieren, die na 1940 op zijn manier zou collaboreren. In januari 1929 kwam hij op grond van een amnestiewet vrij. Een paar jaar later richtte hij een derde Raad van Vlaanderen op en ging hij met de latere collabo Van Puymbroeck het dagblad De Schelde exploiteren.
Inmiddels had het VNV het versnipperde radicale Vlaams nationalisme opgeslokt, terwijl aan haar flank de later drastisch Duitsgezinde De Vlag opkwam. Tijdens de oorlog zouden ze, om de Duitsers te paaien, een zogenoemde opbodpolitiek voeren. Dat wilde vooral zeggen dat ze steeds nationaal-socialistischer werden. Het fascisme ging een veel grotere rol spelen dan de Vlaamse zelfstandigheid die men met Duitse steun beweerde te willen bereiken.
Borms behoorde tot degenen die na de Duitse inval werden geinterneerd. Borms kwam in Orleans terecht en onderging er mishandelingen. Hij keerde sterk verbitterd terug naar Vlaanderen, waar hij in feite geen vooraanstaande rol meer speelde in de collaboratie, al steunde hij het VNV en trad hij op als paradepaardje bij grote manifestaties als de IJzerbedevaart. De hevig katholieke Borms ging echter zeer ver in zijn anticommunisme. Zo ver dat hij ging ijveren voor indiensttreding bij de Duitsers. In dit vooral door religieuze motieven gedreven ijveren voor de Oostfronters werd Borms gesteund door zijn vriend van het eerste uur in de Vlaamse beweging, priester Cyriel Verschaeve.
Verschaeve gleed geleidelijk af tot een verheerlijker van Hitler en het nazisme. Vlaanderen en Duitsland waren in zijn ogen lotsverbonden omdat ze in het bloed verbonden zijn: 'Om Vlaanderens dierbaar lot zij gij soldaten in het glorierijke Duitse leger geworden (…), gij hebt er uw bloed voor uw bloed vergoten met bloedsmoed, bloedsgloed en bloedsglorie. Bloed der slagvelden is het morgenrood der volkeren. (…) Ook Duitsland vergoot veel van zijn beste bloed voor Vlaanderen, ’t Duits bloed is voor ons Oosten, waarvan wij moge zingen: Zie, ’t oosten bloost, En Vlaanderens zonne gaat aan ’t dagen!’
Nazomer 1944 vlucht de hele Vlaamse collabo-beweging naar Duitsland. In Bad Pyrmont wordt in samenwerking met de SS en Himmler een Vlaamse regering in ballingschap - de Vlaamsche Landsleiding - opgericht. Ze komt onder leiding te staan van Jef van der Wiele, voor wie het nieuwe vaderland niet meer Dietsland is, maar Duitsland. De adviesraad wordt gevormd door Cyriel Verschaeve, August Borms en A. Jacob. De door de collabo-bladen Vlaanderen Vrij, Balming en Vlaamsche Post gesteunde Vlaamsche Landsleiding speculeert bij het Ardennenoffensief zelfs op een wederkeer en neemt daartoe al allerlei maatregelen. In maart 1945 worden nog vier nieuwe compagnieen gedrost uit de laatste lichting Vlaamse jongeren, die eind april door de Russen in de pan worden gehakt.
Borms wordt in augustus na verraad gepakt. Hij weet dat hij ondanks zijn relatief geringe rol in de collaboratie als modelslachtoffer zal moeten sterven. Cyriel Verschaeve vlucht naar Oostenrijk waar hij in 1949 sterft. Zijn lijk wordt door Vlaamse neo-nazis naar Vlaanderen overgebracht en daar herbegraven. Minister van Justitie Verdoodt vluchtte naar Argentinie. Daar is hij met zijn tweede vrouw en twee oudste zonen in 1946 op gruwelijke wijze vermoord. Nooit zijn de daders gevonden. Was het een roofmoord of was het de lange hand van de weerstand die Verdoodt achterhaalde?
Verdoodts jongste zoon werd een vooraanstaand historicus van het 'daensisme’ en van de Vlaamse beweging. In 1971 werden er op de gevel van het huis van deze onbesproken figuur hakenkruizen aangebracht. Dat is het verdriet van Vlaanderen dat nog steeds niet is genezen.