12. de schaakster

‘Trouwen, kindertjes krijgen en stofzuigen, dat heb ik altijd iets afschuwelijks gevonden. Toen ik heel klein was, wist ik al dat ik, Erica Sziva, iets aparts ging doen: verre reizen maken, avonturen beleven. Weg uit Nagjkanizsa, mijn geboortedorp in Hongarije. Maar hoe?

Op een dag had mijn moeder eventjes niets te doen. Die middag leerde ze mij schaken. Ik was toen vijf. Al snel versloeg ik alle andere kinderen uit het dorp. Na een paar jaar besefte ik dat ik door heel goed te leren schaken, mij van mijn omgeving zou kunnen losmaken.
Jarenlang schaakte ik avond aan avond tegen mijn vader, die de trainer was van de plaatselijke schaakclub. Hij maakte mij heel vechtlustig en op een dag, ik was dertien, versloeg ik hem. Ik geloof niet dat hij ooit van die schok is bekomen.
Hij schaakte ook nooit met mijn moeder. Hoewel die zei dat ze er nooit tijd voor had, was ze waarschijnlijk nog beter dan hij. Toen ik al jaren op de club schaakte, heb ik haar zelf een keer uitgedaagd. Vreselijk heb ik toen van haar verloren. Gelukkig heb ik dat op mijn negentiende nog recht weten te zetten door haar in tien zetten van het bord af te vegen.
Toen ik wat later Hongaars vrouwenkampioen was geworden, ontmoette ik op een gemengd toernooi de Nederlandse schaakmeester en romanticus Johan van Mill. Op een dag stond Johan opeens met vijftig rode rozen op mijn stoep en zei: “Ik ben gekomen om deze bloemen aan jou te geven. Maar nu moet ik direct weer terug naar Nederland, om daar een toernooi te spelen.” Toen wist ik het wel. Niet lang daarna ben ik met hem naar Nederland gegaan. Daar werd ik in 1992 gelijk kampioen. Sindsdien heb ik de beste ELO-rating van alle Nederlandse vrouwen.
Ik vind het wel triest dat hier zo op schakende vrouwen wordt neergekeken. Dat is voornamelijk de schuld van Jan Hein Donner. Dat was een verschrikkelijke slechte schaker, maar hij had wel veel humor. Alle journalisten holden achter hem aan omdat hij altijd zei dat vrouwen hun mooie domme hoofdjes beter niet konden besteden aan onbenulllige schaakpartijtjes. Het is wel jammer dat hij niet meer leeft. Ik had hem graag een keer finaal willen afmaken.
Toch klopt het wel dat mannen over het algemeen betere schakers zijn dan vrouwen. Want om echt heel goed te zijn heb je drie eigenschappen nodig: abstract kunnen denken, een heel eenzijdig leven kunnen leiden en volkomen egocentrisch zijn. Daar zijn mannen gemiddeld toch wat getalenteerder in. Totaal gefixeerd zijn op een ding: winnen.
Nee, Johan en ik schaken niet zo veel met elkaar. Ik ben nu eenmaal veel beter, en hij kan niet zo goed tegen zijn verlies. Alleen op toernooien waaraan we allebei meedoen, zijn we vaste prik elkaars tegenstander. Dat is trouwens heel geheimzinnig: zelfs als er vijfhonderd mensen aan het toernooi meedoen, plaatst de computer ons altijd tegenover elkaar. Ik sta dan altijd zwaar gewonnen. Maar na een tijdje bied ik hem remise aan. Anders is het zo zielig.’