Het heftige verlangen van David Q. Rosenbach

12. Dementie

Wild probeerde oma om overeind te komen in bed. Haar lila pyama was verkeerd dichtgeknoopd. Met haar lange, grijze vlechten zag ze er uit als een overjarig, vermoeid schoolmeisje. Maar de blik in haar ogen was beslist niet kinderlijk. Haatdragend keek ze naar David, die sprakeloos bij haar bed stonnd. ‘Donder op, hufter’, siste ze. ‘Anders roep ik mijn moeder. Mamaaaa!’

De deur vloog open. Een verpleger snelde naar binnen en legde zomaaar een arm om oma heen. ‘Kalm nou, mevrouw Wittgenstein’, zei hij sussend. ‘Dat is uw kleinzoon, die heeft u toch wel vaker gezien?’ Oma verborg haar gezicht tegen zijn schouer en barstte in snikken uit. ‘Ik vind hem eng’, hikte ze gesmoord. ‘Haal hem weg.’

Verontschuldigend keek de broeder naar David. ‘Misschien kunt u beter even op de gang wachten?’, fluisterde hij zacht. ‘Tot ze bedaard is.’ Een beetje beverig liep David naar buiten. Hij verlangde erg naar een sigaret. Waar was zuster Nauta, verdomme! Als zij nou binnen was gekomen om oma te troosten, had hij eindelijk eens echt contact kunnen leggen. Hoopvol zag hij een groepje druk pratende verpleegsters ankomen. Ze passeerden hem zonder te kijken. Helaas. Lucille Nauta was er niet bij. En de anderen konden hem niet bekoren. Die kleine, dikke had wel een lekker kontje maar dat deed hem toch niet veel.

De verpleger kwam uit de ziekenkamer. Hij droeg een snor. ‘Het gaat niet zo goed met uw schoonmoeder’, zei hij. ‘Gaat ze…?’ vroeg David. De man schudde zijn hoofd. ‘De problemen zijn psychisch. Maar dit is iets wat u met de dokter moet bespreken.’

Hij ging hem voor naar een onpersoonlijk kamertje. ‘De dokter komt zo.’ Nerveus trommelde David met zijn vingers op het tafelblad. Buiten schoof een vliegtuig door de lucht. Hij voelde zich opgesloten. Langs de muur stond een brancard. Automatisch begon zijn fantasue de mogelijkheden van zo'n meubelstuk af te tasten. In combinatie met zuster Nauta. Plotseling ging de deur open. Betrapt draaide hij zich om. Een jonge, hindoestaanse vrouw in een witte jas kwam het kamertje binnen. Ze zag Davids verbaasde gezicht en glimlachte geduldig. ‘Ik ben de dokter’, zei ze vriendelijk. Ze stak haar hand uit. ‘Rangeeta Basti. Hoe gaat het?’ Ietwat verdwaasd stond david een paar uur later weer buiten. Wat een dag!

De dokter had uitgelegd dat oma nu dement was en dat ze naar een verpleeghuis moest. Zijn moeder en zij zusje Ronnie waren allebei naar het ziekenhuis gekomen, voor een emotionele vergadering waarbij hij zich zo veel mogelijk afzijdig had gehouden. Na veel telefoontjes was alles geregeld. Overmorgen zou oma vertrekken naar een huis met veel kamers in een bosrijke omgeving. Hij zuchtte. De zon scheen, maar hij voelde zich alsof hij zojuist een zwaar verlies had geleden. Oma was zijn enige schakel met zuster Nauta.

Hij had nog voorzichgtig naar haar geïnformeerd bij de besnorde verpleger. ‘Lucille? Die heeft vijf dagen vrij.’