13. de reviaan

‘Kijk, je hebt allerlei schrijvers, en je hebt Reve. Niet in literaire zin, want daar heb ik geen verstand van. Maar omdat ik mij in zijn hoofdperonen herken. Hoe Frits van Egters, gevangen in de ontzettende grauwheid van zijn leven, er toch de moed in houdt, dat gaat over mijzelf. “Tom te tom tom, tom te tom. Het gaat slecht, verder gaat het goed.” Je leest hem en je denkt: ik ben niet alleen.

Ik werk op een huishoudschool, waar ik pubermeisjes de grondbeginselen van het Engels tracht bij te brengen. De resultaten zijn niet bijzonder bemoedigend. Om niet te zeggen: slopend. Maar: “Weg blijven, zou kinderachtig zijn. De beproevingen dienen in het gelaat gezien te worden.”
Frits ziet haarscherp wat er om hem heen gebeurt, maar is onmachtig om in te grijpen. Zelfs de woorden die hij zegt, zijn onbeheersbaar. En die niet tegen te houden gedachtenstromen. Eigenlijk wil ik alleen maar over hoogstaande dingen denken. Maar ondertussen fantaseer ik de meest platvoerse hersenspinsels. Dat ik taxichauffeurs tot pulp sla, bijvoorbeeld. Meestal begin ik met een klap in de maag, waardoor het lichaam dubbel slaat. Daarna ram ik met mijn knie het hoofd achterover. Een flinke trap in het gezicht of de kruisstreek maakt het karweitje af. Niet zo verheffend allemaal, maar wel in mijn hoofd.
De schaamteloosheid waarmee Reves hoofdpersonen tederheid veinzen, trekt mij ook aan. De manier waarop hij een jongen meeneemt, hem flink van achteren pakt, verzadigd naast hem neer zijgt en denkt: “Uit medemenselijkheid wilde ik daarna nog even zijn jongensdeel beroeren. Maar dat behoefde niet, daar gaf hij niks om… alleen van achteren telde bij hem… nu ja, des te gemakkelijker.” Dat plichtmatige in de liefde beschrijft hij zo goed. Ik heb zelf zo vaak wanhopig geprobeerd om mij liefdevol en teder te voelen, omdat ik vond dat ik me zo behoorde te voelen. Maar alle gedachten hebben bestaansrecht. Dat te beseffen, is een bevrijding.
Wanneer Reve zich in een kerk afrukt voor een Mariabeeld, dan is dat dan ook geen provocatie, maar een heilige daad. Omdat de weigering om ook maar ergens grenzen aan te stellen, voor hem heilig is.
Sommige fantasieen van hem staan wel wat ver van mijn bed. Ergens beschrijft hij hoe hij een lifster op gruwelijke wijze martelt, met een staalborstel. De kennelijke wellust waarmee hij die foltering beschrijft, maakt wel dat ik grote vraagtekens zet bij de persoonlijkheid van Reve. Als je die broeierige ogen in die gevaarlijke roofdierenkop van hem ziet, vind ik hem ook nogal angstaanjagend. Ik geloof niet dat ik hem op een feestje zou willen tegenkomen.
Het is overigens toevallig dat hij en ik op dezelfde dag jarig zijn. Gezien zijn belangstelling voor numerologie en astrologie, hecht hij daar vast veel waarde aan. Hoewel ik dat zelf niet doe, gaat er toch geen verjaardag voorbij waarop ik niet even aan hem moet denken.
Ach, laat ik met Reves jongste boek eindigen: “Als God drinkt, dan is dat niet zonder reden.” ’