130

Marcel Möring neemt na lange tijd weer eens de auto. Om de natte droom van Charlie Aptroot te testen.

OMDAT NIETS mij te veel is voor de Groene-lezer heb ik de 130-kilometerweg getest. De auto werd ter beschikking gesteld door een meelevende vriendin, aangezien ik (binnenstadsbewoner) er geen meer heb. Ik reisde af naar Drenthe, waar ik een veldverkenning ging uitvoeren voor mijn roman en maar één afslag verwijderd was van dertig kilometer Nieuw Rijden.

Het mooiste van de hogere snelheidsgrens is niet de tijdwinst, maar de argumentatie van de voorstanders. Die geeft nieuwe betekenis aan het begrip redundantie.
Op de radio hoorde ik VVD-Kamerlid Charlie Aptroot uitleggen dat er geen milieuschade was, want de auto’s zijn nu schoner. De extra uitstoot wordt opgeheven door de zegeningen van de autotechniek. Toen ik die redenering hoorde wist ik onmiddellijk waarom ik niet in het parlement zit.
Rokers denken net zo: van filtersigaretten kun je meer roken.

Alsof hij er zelf ook niet helemaal in geloofde, haastte Aptroot zich om te wijzen op de ontzettend gunstige proefresultaten. En daar heeft-ie een punt. De tevredenheidsscore over de 130-kilometerproef kan alleen maar worden uitgedrukt in cijfers die je tegenkomt bij Noord-Koreaanse verkiezingsuitslagen. Het is een hoopgevende vorm van politiek bedrijven, volkstevredenheid als argument. Voor volgend jaar voorspel ik belastingvrijstelling voor iedereen. Honderd procent tevredenheid.

Ik ben er qua autorijden nogal lang uit, merkte ik. Ik heb drie grote Volvo’s gehad, een brandweerrode Jeep Cherokee en een beest van een Landrover, maar nooit zat ik in een wagen die mij vertelde wanneer ik moest schakelen. En dat vooral op momenten die niet overeenkwamen met mijn ouderwetse gevoel voor het juiste toerental. De moderne auto wil al bij vijftig in de vier en dit exemplaar bleef daar nadrukkelijk om jengelen met een oranje pijltje omhoog en het woord SHIFT. En bleef het daar maar bij. Dit wagentje beschikte over zes versnellingen. Tegen de tijd dat de honderd was gehaald, hing ik hijgend achterover in het leer vanwege al dat geschakel.

Bij Hoogeveen ging het naar rechts, waar Emmen en dertig kilometer orgiastisch rijplezier voor mij lagen. Omdat het rustig was op de weg had ik alle tijd voor een rekensom.

Stel, ik ben een forens die tussen Emmen en Hoogeveen pendelt. Dat is dertig kilometer heen in de ochtend en dertig terug in de avond. Laat ik voor het gemak uitgaan van wat de natte droom van Charlie Aptroot moet zijn: een immer lege weg. Bij 120 kilometer per uur leg ik de afstand tussen thuis en werk dan af in vijftien minuten. Mijn tijdwinst bij 130: één minuut. Dat is twee minuten per dag, tien minuten per vijfdaagse werkweek. Niet helemaal genoeg, waarschijnlijk, om tegemoet te komen aan de wens van staatssecretaris Van Bijsterveldt om meer tijd aan de kinderen te besteden, maar het is een begin. Quality time gaat niet om de kwantiteit. Dat zegt het woord al.

Zou het kabinet misschien beter over deze maatregel hebben nagedacht dan ik vermoed? Het lijkt geen toeval dat de nieuwe snelheidsgrens en mevrouw Van Bijsterveldts brief rond dezelfde tijd in het nieuws zijn gekomen. Is er sprake van een ‘masterplan’? Zoiets als: we geven iedereen de kans op tijdwinst, opdat ouders zich meer met hun kinderen bezig kunnen houden, waardoor er niet meer geïnvesteerd hoeft te worden in onderwijs en er dus structureel geld overblijft, wat weer naar de banken kan gaan, want die komen geheid binnen een jaar weer om een kiss of life zeuren? Als dat zo is, dan is het een opzetje waarvoor je met plezier tientallen jaren vooruitgang in de schone autotechniek weggooit. En je komt er ook nog eens mee tegemoet aan Aptroots vurige wens om de automobilist weer ‘een beetje rijplezier terug te geven’.

Ik ben enthousiast over de gedachte die daarachter ligt. Als het dit kabinet werkelijk ernst is met mensen hier en daar een beetje plezier terug te geven, dan barst ik van de goede ideeën.

Op de plaats van bestemming aangekomen stapte ik over in de wagen van mijn vriend Harry om een veldwandeling uit te voeren. Nog geen tien minuten later stonden we, gelaarsd en voorzien van film- en fotocamera’s, in zompig onland. Vroeger zouden we ons in een miezerig regentje over langzaam verpappende topografische kaarten hebben gebogen, maar nu plotte de GPS-tracker op de telefoon niet alleen de route, maar uploadde die ook naar de computer, inclusief de coördinaten van de plekken waar we hadden gefilmd en gefotografeerd. Daar tussen het opschietend hakhout, enkeldiep door afgevallen blad wadend, in het snel dovende licht van een herfstig zonnetje, moest ik weer aan Charlie Aptroot denken. Hij had al zoveel gedaan met de technologie van het schone rijden. Wat zou hij niet kunnen betekenen voor de literatuur, die nog maar net begon te ruiken aan de zegeningen van de techniek? De btw op boeken verdubbelen, bijvoorbeeld, omdat e-books zoveel goedkoper zijn dan die van papier. Bossen kappen voor nog meer wegen, omdat papier straks overbodig is.

Terwijl we door het stroomdallandschap van de Drentse Aa liepen, werd ik overvallen door een epifanie. Ik moest mij even vasthouden aan een boom. Samen met de staats had Charlie Aptroot iets groots gewrocht, besefte ik, de Grand Unified Theory van de technologie: vooruitgang is een stap vooruit en twee stappen terug.