Ian McEwan

15. Atonement

Uit de film Amadeus herinner ik me weinig anders meer dan de verbittering van componist Antonio Salieri: waarom had God het grootste talent niet aan hem gegeven, maar aan een idioot als Amadeus Mozart?

Datzelfde gevoel overviel me later zelf ook, bij het zien van een film over de violiste Ida Haendel. Waarom had God dat hemelse talent verspild aan een vrouw die louter verdiept leek in haar hondje? Hij had het toch gewoon aan mij kunnen geven?

Ian McEwan wekt met zijn werk een vergelijkbaar onbegrip bij me op. Zijn roman Atonement (2001) raakt aan de echt grote kunst; de stijl is virtuoos, het onderwerp belangrijk en de constructie intelligent. Toch sluipt er gaandeweg in het boek datzelfde gebrek aan intellectuele durf dat ook een smet werpt op de rest van zijn werk. Het is deze spanning tussen virtuositeit en lapzwanzerigheid die McEwan tot zo'n rare auteur maakt. Zo goed kunnen schrijven, en zo gemakzuchtig denken. Had God de talenten niet wat beter kunnen verdelen?

Ik geef toe dat ik de roman Atonement reken tot de beste romans van deze pas begonnen eeuw; ik kan zelfs uitleggen waarom. Sinds het begin van de eeuw heb ik veel grote romans gelezen van veel grote auteurs; volmaakte, smetteloze romans, die me ondanks hun smetteloosheid toch maar heel weinig hebben gedaan. Maar juist Atonement is door de jaren heen in mijn geheugen blijven hangen, en gek genoeg komt dat door de moord van de schrijver op zijn eigen genie.

Niet alle boeken van Ian McEwan blijf ik me trouwens graag herinneren; voor een groot schrijver levert hij soms rampzalig slechte boeken af. Zoals de roman Amsterdam, een lachwekkend verhaal over twee mannen die elkaar wederzijds vermoorden met een middel voor euthanasie dat je, volgens de auteur, in Amsterdam op iedere straathoek kunt kopen. Aan dit boek werd de Booker Prize toegekend; wij zullen het hier in een diepe put gooien, en er nooit meer over praten.

De kleine roman On Chesil Beach zou wel een schitterend boek zijn geweest als McEwan had gedurfd het verhaal te vertellen van een individueel geval. Nu haalde hij eigenhandig de angel uit zijn boek door het psychische probleem van zijn personage uit te smeren over de hele bevolking. Bij Philip Roth levert zo'n vermenging van psychologie en sociologie verrassende inzichten op; bij McEwan wordt de psychopathologie hooguit ingeruild voor een nette sociologische beschrijving van de Britten in de jaren zestig. Weg raadsel, weg grote literatuur.

Ook de roman Saturday zou een schitterend boek zijn geweest, als McEwan hier de moed had gehad het kwaad te onderzoeken dat huist in de kringen van zijn nette hoofdpersoon. Maar ditmaal haalde hij de angel uit zijn boek door het kwaad van buiten te laten komen, in de persoon van een randcrimineel met een neurologische afwijking. Zo vlucht de schrijver ook hier in een verklaring van buitenaf, om het gevaar te ontlopen dat in zijn eigen verhaal dreigt. Resultaat is een brave roman - terwijl het in aanleg toch echt een grote roman was.

Keer op keer schrikt de schrijver McEwan zo terug voor zijn eigen talent; het is om wanhopig van te worden. Je zou willen dat hij eens afdaalt in de diepten die hijzelf schept; maar, helaas, hij maakt het zichzelf liever gemakkelijk en gaat er vandoor voordat het echt interessant wordt. En die ontsnappingstruc past hij ook toe in Atonement, alleen is hier de spanning tussen zijn virtuositeit en zijn vluchtgedrag zo groot dat juist de spanning zelf fascineert en blijft hangen.

De schoonheid van Atonement is allereerst te danken aan de superieure stijl van McEwan. Die is overduidelijk geïnspireerd door Virginia Woolf, zoals ook de periode, de sfeer en de karakterbeschrijvingen aan Woolf doen denken; dat is geen schande, en je kunt McEwan alleen maar benijden nu hij de lichtheid van Woolf zo grandioos weet te treffen. Wie zo kan schrijven, is zonder meer een van de grootste schrijvers van deze eeuw. Maar opnieuw durft McEwan zijn eigen succes niet aan: in het derde deel van Atonement laat hij plotseling weten dat het eerste deel is geschreven door zijn hoofdpersoon. En, zeg nu zelf, zo goed was dat eerste deel nu ook weer niet. ‘It owed a little too much to the techniques of Mrs. Woolf.’

De doodsteek die McEwan hiermee toebrengt aan zijn eigen meesterwerk is krankzinnig. Maar ditmaal is de uitvlucht zo bizar - 'het ligt allemaal aan Virginia Woolf’ - dat juist het vluchtgedrag in het boek zelf interessant wordt. Het onvermogen van McEwan om het meesterwerk te schrijven dat hij als een van de weinige uitverkorenen in staat is te schrijven. Dit klinkt waarschijnlijk allemaal niet alsof ik Atonement werkelijk beschouw als een van de beste romans van de laatste jaren - maar toch is dat zo. Atonement is onbegrijpelijk, pathologisch en ongeëvenaard raar. En raar, in de wereld van de letteren, is goed.