Ger Groot

1506

Onderuitgezakt zit hij op een hoekige stoel, waarvan het veel te grote formaat met kussens is teruggebracht tot passender proporties. Toch oogt hij verloren, zo ziekelijk en vroegoud als hij de toeschouwer aankijkt. Karel V was niet altijd de robuuste en zelfbewuste keizer van zijn latere portretten. Bijzonder gelukkig ziet hij er ook al niet uit op het schilderij dat hem afbeeldt als jongetje van zes, zeven jaar oud. En eerlijk gezegd ook niet erg zestiende-eeuws.

Vanaf het eerste moment waarop ik het doek zag riep Karels afbeelding iets vertrouwds op – dat door de gesuggereerde historische toenadering meteen ook iets unheimisch kreeg. We zien de kleine Karel zoals zijn eigen tijd hem nooit zou hebben afgebeeld: even dichtbij in zijn kwetsbaarheid als vervalst en vervreemd door diezelfde fragiliteit, die overduidelijk stamt uit een later tijdvak dat hem nu juist zo graag nabijer was gekomen.

Het doek, geschilderd door Jan van Beers, dateert dan ook van 1879, de tijd waarin het Duitse historisme in de woorden van de grote historicus Ranke zo graag in details had uitgeplozen wie es eigentlich gewesen ist. Dat spel van toenadering en verwijdering – dat Heidegger zo mooi vatte in het ene woord Entfernung – is de grootste paradox van de geschiedschrijving en tegelijk haar onoverkomelijke frustratie. Het verleden is definitief verdwenen en alles wat we ervan kunnen terugroepen is als re-constructie onvermijdelijk iets van het heden.

Karels portret figureert als openingsillustratie in het onlangs verschenen boek 1506 van Henk Boom (Van Halewyck/Balans), dat het dilemma van de geschiedschrijving niet alleen toont maar zelf ook belichaamt. Boom laat de fictieve kroniekschrijver Hendrick Vandenzavel rondreizen door de wereld van het genoemde jaar, waarin Jan van Beers fingeerde zijn Kareltje te hebben afgebeeld. Ontmoetingen met Erasmus, Machiavelli, Da Vinci en Jeroen Bosch staan op het programma, maar een echte kroniekschrijver is Vandenzavel niet. Hij lijkt in zijn stijl, rapportage- en interviewtechnieken veeleer op de moderne journalist die de schrijver Henk Boom in het dagelijks leven zelf is.

Dat levert ontegenzeglijk een sprankelend beeld op van een tijd die wij voorgoed verloren waanden. En dat laatste deden we op goede gronden, want net als Van Beers’ keizersportret is het resultaat wel net maar daarom juist niet helemaal echt. Zorgvuldig wakend voor de valkuil van de anachronismen wordt in de stijl en zelfs de opzet van het boek niettemin de tijdsbotsing zichtbaar waarmee de geschiedschrijving meestal op een veel onzichtbaarder wijze worstelt. Het vertelde bevindt zich, ontoegankelijk geworden, in de verte en wordt nabij gehaald door middel van procédés en literaire kunstgrepen die het, als méér dan alleen een vorm, blijven aankleven.

W.F. Hermans heeft ooit geschreven dat films die spelen tijdens of vóór de Tweede Wereldoorlog alleen in zwart-wit gedraaid zouden mogen worden, omdat de kleurenfilm toen nog niet bestond. Onbewust herhaalde hij daarmee het dogma van de authenticiteitsbeweging in de muziek, die moderne instrumenten taboe verklaarde omdat Bach nog geen piano kende. Dat taboe is inmiddels artistiek achterhaald en werd bij voorbaat door de historische paradox ondergraven. Wie de authenticiteit van de Goldberg Variationen werkelijk had willen eerbiedigen, zou de hele achttiende-eeuwse wereld hebben moeten reconstrueren – en had juist dan, ironisch genoeg, de letterlijkst denkende «na-maak» gehad.

In de literatuur zou Hermans’ voorschrift iedere roman hebben verboden die vóór 1800 speelde, en daarna iedere vertelling veroordeeld hebben tot de spellings gewoonten van het betreffende tijdvak. Over de Middeleeuwen had slechts in kroniekstijl geschreven kunnen worden, over het Romeinse keizerrijk alleen in het Latijn. Dergelijke pogingen zijn sinds de tijd van het historisme voortdurend gewaagd en waar historische romans zich soms nog hebben kunnen redden, is juist dát steevast uitgelopen op kitsch. Geschiedschrijving is nu eenmaal onvermijdelijk anachronistisch en daar komt ze, zoals in 1506, het beste maar ruiterlijk voor uit.