155

Ooit, niet zo lang geleden eigenlijk, woonde ik in een huis waar het spookte. Het spook was de weduwe van de kunstschilder. Ze had het huis bewoond tot ze er haar laatste adem uitblies op 13 april in 1943, op de dag af twintig jaar nadat haar man was gestorven. Ze was rijk en vereenzaamd, en werd gevonden op een bed van oude kranten.

Het spook van de weduwe stommelde af en toe wat op de bergzolder direct boven mij. Soms zag ik vanuit de tuin een onverklaarbaar licht schijnen op de verdieping die niet werd bewoond maar was ingericht als stijlkamer. Bezoekers kwamen er nauwelijks, het was een vacuüm in de tijd, een voorbije eeuw ingeklemd tussen twee verdiepingen.

Het spook van de weduwe was goedaardig maar een beetje stug. Toen ik haar op een dag via een zelfgemaakt ouijabord probeerde op te roepen, gaf ze geen sjoege. Het was misschien ook een beetje ordinair, beneden haar waardigheid. Aan de andere kant: ik had gelezen dat ze bij leven zelf nogal was geïnteresseerd in het geestenrijk en regelmatig seances had georganiseerd, voornamelijk in de hoop met haar dode man in contact te komen.

Toen ik afgelopen zomer afscheid nam van het huis en van haar (Dág Marie! Stommel stommel), ging ik ervan uit dat het voorlopig mijn laatste spookhuis was geweest. Na een half jaar in een flat van vlak na de eeuwwisseling verhuisde ik naar een appartement in een jarentachtigwoonblok in het centrum van Amsterdam. Wat voorheen een hokkerige sociale huurwoning was geweest, was door de huiseigenaren verbouwd tot een doorzonwoning zonder al te veel kamers en muren. Licht, ruimte, een veelheid van ingebouwde kasten met lades. Geen erg voor de hand liggende plek voor geesten, dacht ik.

Het begon ermee dat ik een schilderij, een paar dagen eerder door mij daar opgehangen, van de muur haalde omdat het me toch de juiste plek niet leek. In hanenpoten stond daar plotseling het getal 155 gekrast. De cijfers waren zeker tien centimeter hoog, het was ondenkbaar dat ik ze eerder over het hoofd had gezien. Toen ik ze probeerde uit te vegen bleek dat onmogelijk; het was met balpen gedaan. Koortsachtig ging ik na wie er allemaal in het huis waren geweest de dagen daarvoor. De enige die ik kon bedenken was de handige jongen die de kastdeuren had afgehangen. Ik stuurde hem een omslachtig bericht, waarop ik een gepijnigd antwoord terug kreeg: hij zou nooit met balpen op iemands muur krassen, waar zag ik hem voor aan.

Wie heeft er allemaal de sleutel van het huis? vroeg mijn broertje.

Er is altijd een verklaring, zei mijn vader.

De volgende stap was het getal in bloedletters op de spiegel van de badkamer

Misschien was je het zelf, zei mijn moeder. Als tiener had ik episodes van slaapwandelen gekend. Op een nacht had ik alle fotolijstjes leeggehaald waar mijn slaapkamer mee vol stond. Ze hadden me aangestaard als gezichten met holle oogkassen.

Mogelijk ben je bezeten, zei mijn broertje, die er altijd voor in is het ene been waarop ik ternauwernood balanceer onder me vandaan te schoppen.

In de dagen erna ontving ik in mijn spambox een mail van ene Stichting 155. Niet veel later trof ik hetzelfde getal in dezelfde balpenletters op de muur achter mijn bed. Als een bange muis lag ik onder de dekens. De volgende stap was het getal in bloedletters op de spiegel van de badkamer, een postpakket met afgehakte ledematen, mijn hondje verm…

Mijn vrienden waren het erover eens dat het spookte in mijn nieuwe huis.

Ik heb even wat naslagwerk gedaan, zei B, en je hoeft niet bang te zijn. De engelen communiceren met ons via getallen. Het idee is dat je die overal ziet opduiken en dan kijkt wat ze betekenen. Met 155 zit je goed, het is een aankondiging van een grote spirituele verandering. De engelen vragen je simpelweg om die te omarmen.

Ik heb erover nagedacht, sms’te M een paar dagen later. Het is de dode moeder van je verkering. Heel duidelijk eigenlijk.

Niet veel later kreeg ik bericht van mijn verkering zelf, die aan de overkant van de oceaan verzeild was geraakt tussen antivaxxers, complotdenkers en toekomstvoorspellers. De toekomstvoorspeller had hem verteld dat er een kleine hond in zijn leven was, en dat deze hond direct in contact stond met zijn moeder. Een mooie gedachte, vond hij zelf. Te veel van het goede, vond ik.

Uiteindelijk kreeg mijn vader, natuurlijk, gelijk. Er was een verklaring, en die was bedroevend banaal. Onmiddellijk verlangde ik naar een nieuw spookverhaal, onverklaarbaar en griezelig, om van de wereld weer een betoverde plek te maken.