Arnon Grunberg

17. De asielzoeker

Haruki Murakami, Kafka op het strand (2002)

Hij is een typische held van begin jaren ‘00, Christian Beck uit De asielzoeker (2003). Een schrijver die de pen aan de wilgen heeft gehangen omdat hij slechts 'haat aanboorde’. Een echtgenoot die leeft om zijn vrouw te zien leven, zonder dat je hem bepaald liefdevol kunt noemen. Een man die zich ten doel heeft gesteld illusies te ontmaskeren, maar weet dat hij zelf illusies blijft koesteren tegen wil en dank: 'Hij geeft de hoop niet op, hij weet niet hoe dat moet. Als er iets krankzinnig aan hem is, is het zijn hoop, daarom heeft hij besloten die te onderdrukken, te veel hoop is levensgevaarlijk. Maar helemaal verdwenen is die natuurlijk niet.’

Als het verhaal aanvangt, heeft Beck al niet veel meer. Zijn vriendin Vogel, met wie hij samenleeft alsof ze zijn zusje is, zijn werk als vertaler van gebruiksaanwijzingen, meer niet. In een vorm van omgekeerde exodus is deze wandelende jood van Eilat in het Duitse Göttingen terechtgekomen, waar hij voor de zekerheid ook thuis Duits praat: 'onzichtbaarheid is een kwestie van volledige assimilatie’. Aan het einde van de roman treffen we hem aan op een bankje, in het nachthemd van zijn gestorven vrouw. Het laatste beetje hoop is nu wel verdwenen.

Voor Beck geldt hetzelfde als voor Grunberg, hij laat niets heel van de mensheid: 'Niet omdat je het wílt vernietigen, maar omdat het al kapot was in de eerste plaats, verscheurd, verwoest, omdat de mensen de schellen eindelijk van de ogen moeten vallen.’ Dat zou een louter cynische, céliniaanse roman opleveren, als het echt zou lukken. Wat De asielzoeker wrang maakt en uiterst ontroerend is dat mensen, hoe kapot ze ook zijn, zich blijven vastklampen aan hoop en vooral: aan liefde. Zelfs Beck. De liefde die deze ontmaskeraar zijns ondanks koestert, openbaart zich wanneer Vogel dodelijk ziek blijkt te zijn, en hij niets anders kan doen dan eindeloos fruitsapjes voor haar persen met de moed der wanhoop. Bij Grunberg zul je vergeefs beschrijvingen zoeken van verdriet of rouw - zelfs niet van enige expliciete jaloezie als Vogel op haar sterfbed nog een asielzoeker trouwt, een huwelijk dat wél geconsumeerd wordt. De lezer mag zelf de pijnlijke conclusies trekken.

Een kwaaiige, tegenstribbelende vergroeiing van twee zielen - dat is wat hier voor een relatie doorgaat. Dat is waar we het mee moeten doen. Ondanks die karige opvatting van liefde is dit de meest ontroerende liefdesroman die ik ken. Beck kan het niet, leven met een ander, maar alleen kan hij het al helemaal niet. Hoe moet je er in godsnaam mee omgaan 'dat je verantwoordelijk bent voor het geluk van de anderen’, daar gaat het om in De asielzoeker.

De ander, dat is meer dan alleen de geliefde. Het is ook de asielzoeker Raf, en Simon die zijn gezicht verloor bij een bomaanslag, en het Oostblokhoertje Sasha. We zijn het vooral allemaal - zoekend naar asiel dat de ander nooit helemaal kan verschaffen. De personages van Arnon Grunberg zijn altijd op reis, de wereld over jagend op de vlucht voor een thuis dat weinig huiselijk is, of juist daarnaar op zoek, zonder er daadwerkelijk nog in te geloven. Het enige geloof dat hun rest is in afgoden als geld of seks. In Becks geval vooral het laatste: 'Beck ging naar de hoeren, zoals anderen naar de kerk, Beck greep naar borsten, haren, benen, armen als anderen naar een gebedenboek.’

Dat de lezer niet verdrinkt in dit inktzwarte wereldbeeld komt door Grunbergs stijl die de ernst op afstand houdt: de herhalingen die inmiddels Grunbergs handelsmerk zijn, de ongerijmde vergelijkingen, en in deze roman vooral de absurde dialogen, waaruit blijkt hoezeer de personages niet ín het leven, maar ernaast staan: 'Beck had zich buiten de mensen geplaatst, buiten alle mensen (…)’. Zonder ergens een moraalridder te worden, laat Grunberg met de mannen in zijn romans zien dat het onaanvaardbaar is om niet te geloven in het leven, hoe 'stompzinnig en immoreel’ het ook is. Tegelijk laat hij zien dat het onmogelijk voor hen is om er wél in te geloven.

Zo beschouwd staat De asielzoeker ook in een dialoog met Platform, Michel Houellebecqs roman uit 2001. Niet alleen Becks naam wijst daarop, ook de vergelijkbare bomaanslag op een seksclub, en bovendien de verwijzing naar Houellebecqs ondertitel, Au milieu du monde. Evenmin als de personages van Houellebecq lukt het de personages van Grunberg om daadwerkelijk midden in de wereld te leven. De tragiek is dat het ze ook niet lukt om ernaast te leven. Arnon Grunberg schreef in Fantoompijn, zijn roman uit 2000: 'Maar wat ik voel is niets, of beter gezegd, ik voel dat er iets ontbreekt op de plek waar ik iets zou moeten voelen.’ Hoeveel er toch nog te voelen is, liet hij zien in de romans die daarop volgden.