17. de jager

‘Om bij het ochtendgloren met je geweer door het bos te sluipen, met de geur van het woud in je neus en het gehamer van spechten in je oren, en om dan met zwarte prut onder je nagels en een mals konijntje naar moeder de vrouw terug te keren: niets mooiers dan dat. Ik stam dan ook uit een oud Brabants jagersgeslacht.

Mijn eerste herinnering is hoe ik trots als een pauw het door mijn opa geschoten wild naar de keuken draag. Hazepeper, reebout, eendeborst: heerlijk. Het lekkerst vind ik nog een in goede boter gebakken konijntje. Gezond, mager scharrelvlees, daar gaat niets boven. De Nederlandse bevolking weet dat ook. Hoewel er meer dan dertigduizend jagers zijn, importeren we tachtig procent van ons consumptiewild. Zelfs van de mensen die lid zijn van de dierenbescherming, eet het gros wild met Kerst.
Om dan tegen jagen te zijn, vind ik een beetje hypocriet. Jagers worden altijd veroordeeld op emoties. Mensen roepen: “Oh wat zonde om die lieve dieren zomaar af te knallen.” Maar ze vergeten dat ons ecosysteem volledig is verruineerd, waardoor de natuur zichzelf allang niet meer in stand kan houden. De dieren hebben simpelweg geen natuurlijke vijanden meer. Zelfs de vossen, spechten en reeen zijn veranderd in hondsbrutale cultuurvolgers, die leven van de afvalprodukten van onze wegwerpmaatschappij. En omdat er zoveel afval is, worden ze vanzelf een plaag. Wie daar niets aan wil doen, is blind voor de werkelijkheid.
Zo werd een paar jaar geleden in Staphorst de jacht op reeen verboden. De wandelaars daar vonden dat zulke leuke beesten. Zo'n populatie groeit vervolgens de pan uit: zestig, tachtig beesten op een perceeltje, die elkaar verdringen, vatbaar worden voor ziektes, of van de stress gewoon de snelweg op hollen. Om na een aanrijding op ellendige wijze te creperen. Als ze niet direct door een vooruit heenzeilen. Ik kan verzekeren dat het niet fijn is als een dertig kilo wegende reebok door je ruit knalt, als je met honderd kilometer per uur door het bos scheurt. Ieder jaar sterven er zo gemiddeld drie mensen. In het belang van zowel de dieren als de mensen, hebben wij jagers dus juist de plicht tot jagen.
Dieren doodschieten is trouwens maar een klein onderdeeltje van wat wij doen. Eigenlijk zijn we meer een soort boswachters, die het hele jaar door voor de natuur zorgen. Zwerfvuil opruimen, vogelnesten beschermen, met wildakkers het wild bijvoeren, noem maar op. Pas in de herfst en de winter mogen we iets oogsten van wat we hebben gezaaid.
Of dat leuk is? Kijk, muggen mep ik zonder enige gewetenswroeging hardstikke dood. Met konijntjes heb ik iets meer moeite. En reeen… als je zo'n schitterend dier door de jaren heen hebt zien opgroeien, dan krijg je daar echt een band mee. Maar op een dag zie je dat de vacht grijs is geworden. Dan weet je: die moet om. Gewoon om plaats te maken voor een jonger vrouwtje. Terwijl ik haar op de korrel neem, voel ik geen plezier. Dan heb ik echt een brok in mijn keel, als ik de trekker overhaal.’