18. de dwangneuroloog

‘Als psychiater vind je mensen pas echt gegrepen als ze geobsedeerd worden door beelden of gedachten die ze tegen hun wil beleven en die uiteindelijk hun hele leven ontwrichten. Iemand die bang is voor virussen durft bijvoorbeeld eerst niet naar het zwembad, vervolgens niet naar de slager en uiteindelijk helemaal niet meer naar buiten. De reactie op zo'n obsessie is een compulsie: dwangneurotisch gedrag dat de angst doet verminderen. In dit geval: urenlang wassen en het huis schoonmaken, iedere dag weer. Deze obses- sief-compulsieve stoornissen zijn een groot, maar verborgen probleem. Ten eerste omdat ze uit schaamte geheim worden gehouden. Ten tweede omdat men denkt dat er toch niets aan te doen valt. Dat is vooral de schuld van de psychiatrie, die pas sinds kort het inzicht heeft dat de aandoening te genezen is.

Om dat te bereiken hebben we de visie moeten verlaten dat ziekelijke gedachten altijd een psychische oorzaak hebben. Zo verklaarde Freud de dwangneurosen uit een fixatie op de anale fase. Daar denken de meeste psychiaters tegenwoordig genuanceerder over, voornamelijk omdat er sinds Freud nooit een dwangneuroticus is genezen door een analyse van zijn peuterjaren. Wat wel helpt, is een in de jaren zeventig door psychologen ontwikkelde gedragstherapie. Hierbij wordt niet gepraat, maar wordt de patiënt direct met zijn angst geconfronteerd door hem bijvoorbeeld te overgieten met een emmer modder. Het is fascinerend om te zien hoe mensen hier van opknappen, vaak na jaren van vruchteloos geouwehoer. Ook is een paar jaar geleden ontdekt dat een nieuwe groep antidepressiva prima werken tegen obsessief-compulsieve stoornissen. Uit recent hersenonderzoek blijkt dat het deel van de hersenen dat te maken heeft met automatische handelingen, zoals lopen, ademhalen en spreken, bij dwangneurotici hyperactief is. De vraag blijft of deze anders werkende hersenen het gevolg zijn van de kwaal, of dat de kwaal juist veroorzaakt wordt door veranderingen in de hersenen. Regeert de geest het lichaam, of het lichaam de geest? In ieder geval laten die antidepressiva dit hersengebied op de een of andere manier tot rust komen. Overigens heeft gedragstherapie hetzelfde effect, waaruit blijkt dat ook puur psychologische interventies direct van invloed zijn op de hersenen. Die uitwisselingen tussen wat lichamelijk is en wat psychisch boeien me ontzettend.
Voor psychiaters betekent het dat we onze rol als alleenheersers op het gebied van de geestesstoornissen moeten opgeven. We zijn onttroond door de groepen waar we altijd het meest op neerkeken: de huisartsen en de psycho- logen, die met een simpel pilletje of therapietje in een maand gedaan krijgen wat ons in jaren niet lukte. Wij moeten dus minder gaan praten en meer gaan doen. Dat is moeilijk, want de meeste psychiaters hebben een ware obsessie met praten. Waarom? Domweg omdat Freud een psychiater was en geen psycholoog. Was hij psycholoog geweest, dan had menig leven er heel anders uitgezien.’